biekesblog


maandag 17 december 2012

Het syndroom als wapen


'Een (depressieve) moeder (met een slepende ziekte) vermoordt drie van haar  (hoogbegaafde) kinderen.'
'Een jongeman (met het syndroom van Asperger) schiet 20 kinderen en 6 volwassenen dood.'

Gezinsdrama’s en zinloze schietpartijen hebben een paar dingen gemeen.
Ze zijn steevast onvoorzien, overvallen ons bruut in onze sterfelijke weerloosheid.
En in onze behoefte aan een verklaring nemen we dankbaar onze toevlucht tot elk spoor dat wijst op iets afwijkends, tot elke hint van ziekte, syndroom, trauma, dramatische levensloop, elke vorm van ontoerekeningsvatbaarheid die ons moet geruststellen in onze overtuiging dat wij en onze geliefden, gewone geestelijk gezonde stervelingen, niet tot dergelijke wanhoopsdaden in staat zijn en dat de kans dat een dergelijke gruwel ons treft verwaarloosbaar is.

De waarom-vraag is altijd de eerste en de dringendste. Waarom zou een ogenschijnlijk liefhebbende moeder haar kinderen willen doden? Het kan niet anders of er was iets aan de hand met die moeder, iets abnormaals. Ze was vast ziek in haar hoofd; dat moet wel, dat kan niet anders. Buren en kennissen bekennen gretig dat ze haar altijd al wat vreemd hebben gevonden. En ze gaf haar kinderen thuisonderwijs, stel je voor. Die kinderen, daar was trouwens ook wat mee. Hoogbegaafd, werd er gezegd. We weten het niet, maar normaal waren ze niet, nee. Wat wil je ook, als je niet naar school gaat zoals een normaal kind.
De twintiger die een paar dagen geleden zonder toestemming aan zijn moeders wapenarsenaal zat, zoals een kind stiekem in de koekjestrommel graait, daar was vanzelfsprekend ook een en ander mis mee. Asperger, werd gezegd, een autistische stoornis of iets dergelijks. En veel te slim bovendien; een soort nerd; zo’n bleke asociale slungel, weetjewel.

Als er geen namen bestonden voor alles wat er afwijkend kan zijn aan een mens, we zouden reddeloos verloren zijn. We zouden namelijk geen enkele plausibele en draaglijke verklaring hebben voor dit soort waanzin; een verklaring die ons bevestigt in ons geloof dat wij en de onzen nooit zo onthecht raken van ons eigen leven en dat van wie ons omringt, dat we de waarde van die levens niet meer kunnen zien. We zouden niet kunnen berusten in de zekerheid dat wij, met onze evenwichtige en smetvrije geesten, nooit zo gevangen zullen zitten in onze wanhoop dat er ons geen sprankel hoop meer rest en de dood ons de enige uitweg lijkt, een waar we ook onze geliefden blind naartoe sleuren.

In onze afschuw schuilt angst, angst om de controle te verliezen, angst om ten prooi te vallen van wie de controle verliest. De gedachte dat niemand veilig is, die is onaanvaardbaar.
De afwijking is het brandmerk waarvan we ons bedienen om onszelf in het goede, het veilige kamp te scharen. Normaliteit is ons kartonnen schild. Het syndroom ons enige wapen.




woensdag 12 december 2012

Het is wat met die verrekte tijd.


Tijd is als het weer. We krijgen er geen vat op. Hoe hard we ons ook inspannen. Hoe vaak we hem ook halt toeroepen. Hoogst zelden slagen we erin stil te staan in het moment, in een fractie tijd die alweer weg is voor we in en uit hebben geademd.

Mensen zijn produktiever dan ooit. Dat blijkt althans uit allerhande onderzoek. Ik weet er het fijne niet van, maar ik geloof het allemaal best.
Het kan ook haast niet anders, gezien de schijnbaar onuitputtelijke lijst met technische spitsvondigheden en innovaties die ons leven 'vergemakkelijken'. Ze zijn zogenaamd bedoeld om ons te helpen tijd uit te sparen. Iets waar we allemaal veel te weinig van hebben, zoals blijkt uit de alomtegenwoordigheid van haast, stress, burn-out en aanverwante syndromen. Drukdrukdruk is het mantra van de actieve burger en vervangt al jaren het gezapige ‘goed’ als antwoord op de beleefdheidsvraag ‘Hoe is het?’.

Boodschappen bestellen we online en worden aan huis geleverd, een bank hebben we in geen tijden van binnen gezien (niet dat dat een gemis is) want het internet bankiert zoveel vlotter, dienstencheques zorgen ervoor dat onze huizen gepoetst en onze kleren gestreken worden. Kinderen kunnen om 07u naar de opvang en worden daar desgewenst het klokje rond verzorgd, gevoed, verschoond en bezig gehouden. We hoeven ze alleen nog in bed te stoppen.
Ons werk wordt in half zoveel tijd uitgevoerd als pakweg 20 jaar geleden: medelingen die we vroeger naar 175 mensen moesten faxen (oh, heimwee naar latente lust en romantiek in het copieer- en faxlokaal) verzenden we nu met een simple muisklik. Budgetten en begrotingen berekenen zichzelf. Vergaderen doen we van thuis uit, dankzij skype en chat. Je hoeft hooguit een schoon hemd aan te trekken boven je piama. Een mens vraagt zich af wat we in vredesnaam de hele dag uitvreten. Weg met die ergonomische bureaustoelen! Laat aanrukken, die hangmatten!
Wat een zee van tijd hebben we gewonnen! Tijd waar we al jaaaaren om zeurden.
Toch?

Waarom rent iedereen dan nog steeds als opgejaagd wild van hot naar her?
Waarom hebben we dan geen tijd om met onze kinderen te praten voor ze zich van een brug werpen of iemand anders moegetergd van een brug doen springen? Waarom hebben we dan in geen tijden een zinvol gesprek gevoerd met een vriend(in)? Waarom ligt onze tuin erbij als braakliggend terrein? Waarom is onze koelkast leeg, op een beschimmeld stuk parmezaan en een haleve pot mayonaise na, zodat we noodgedwongen onze toevlucht nemen tot de dichtstbijzijnde afhaalchinees? Waarom wordt er luidkeels gescandeerd dat we nog meer, langer, harder moeten werken? We produceren meer dan ooit tevoren, meer dan we op kunnen. Wat valt er dan nog meer te produceren? Waaraan precies is er zo’n nijpend tekort?

Intussen davert de tijd aan ons voorbij zonder dat we het merken. Alleen wanneer de tijd zich manifesteert in z’n meest elementaire, meest tastbare vorm; daar waar tijd begint en daar waar hij onverbiddellijk eindigt, bij het begin van een leven en bij het einde ervan, weet hij ons even, abrupt en verstomd, tot stilstand te brengen.


zaterdag 1 december 2012

Kunst: (ont)roerend goed.


Met enige ontzetting heb ik de afgelopen paar dagen gelezen wat de onderbuik van Vlaanderen denkt over artiesten en schrijvers, hoe ‘hoog’ - ergens ter hoogte van hun enkels - ze die in het Vlaamse vaandel dragen.
Ik kan niet anders dan me afvragen waar die wrok vandaan komt, die grimmigheid, die weerzin t.a.v. alles wat vaagweg op een schrijver of een artiest lijkt. Is het dat ‘men’ niet kan verkroppen dat er mensen zijn die ergens echt goed in zijn en daar ook nog eens hun beroep van weten te maken? Valt al dat bitsige gescheld te herleiden tot een vlaag van collectieve afgunst die de kop opsteekt zodra ze genoeg voeding krijgt?
Of is het echt een signaal dat de Vlaming niet geeft om kunst of literatuur en al helemaal niet om wie die voortbrengt?
Ik weet niet wat ik het ergste moet vinden.

Is kunst luxe en dus per definitie overbodig? Het gefröbel met klei van de buurvrouw in de avondschool, is dat kunst? En moet daar nu echt zoveel geld naartoe, naar al dat gepruts en geprobeer waar vaak geen normaal mens wat van lijkt te snappen? Kunnen die schrijvers niet gewoon een job zoeken en in het week-end schrijven terwijl anderen tuinieren of modelvliegtuigjes in elkaar zetten?
Welke plaats hebben de kunsten, in de brede zin van het woord, nu eigenlijk in ons leven? Wat als ze er niet waren? 

Hoe zou dit land eruitzien zonder Claus, Boon, Nolens, Lanoye, Verhelst en Verhulst? Zonder Magritte, Delvaux, Tuymans, Borremans, Dillemans, De Bruyckere? Zonder Fabre, De Keersmaker, Vandekeybus? Zonder Arno, Daan, dEUS, Balthazar? Een land van wafels en kermis, van bier en volksdans, van processies en fanfares.; stuk voor stuk geweldige en belangrijke uitingen van een volkscultuur. Maar zelden dynamisch, allesbehalve vernieuwend, nooit op zoek naar zin en onzin, naar leven en dood.

Wat voor mens zou ik vandaag zijn als ik niet als kind de hele dorpsbibliotheek had uitgelezen aan een rantsoen van 5 boeken per week? Als ik me niet had kunnen verschuilen voor de ondraaglijke lichtheid en de al even ondraaglijke zwaarte van het bestaan, in de magie van Marquez, het melancholisch cynisme van Kundera, het onverklaarbare toeval van Auster, de romantische zeden van Austen? Als ik niet hele lappen songtekst van Joni Mitchell en Fleetwood Mac had liggen meezingen vanop m’n tienerbed met de roze pluchen sprei?
Ik herinner me hele nachten stiekem lezen met een zaklamp op m’n hoofdkussen, tot de batterijen het opgaven en de eerste ochtendschemering door het raam gluurde. Ik weet hoe bepaalde boeken en platen nauw verbonden blijven met bepaalde herinneringen, beslissende momenten, roerige of gelukkige periodes in mijn jonge en iets minder jonge leven.
Als Julian Cope 'Safe Surfer' inzet word ik teruggeblazen naar een prille, maar bepalende liefde, die toen, lang voor ik er zelf genadeloos met een moker op inhakte, onverwoestbaar leek. Wanneer ik 'Wide Open Road' van The Triffids hoor ben ik heel even weer jong en onbevangen, maar diep gebukt onder die loodzware melancholie die zo eigen is aan die wankele leeftijd. Ik kan de pijn nog messcherp voelen.
Ik weet niet meer hoe vaak mijn vrienden mij een oververhitte concertzaal hebben moeten uitdragen omdat ik weer eens was flauwgevallen op de eerste rij.
Mijn oudste kind kwam ter wereld met de - vurig gemiste - Elliot Smith op de achtergrond, de jongste perste ik eruit terwijl ik probeerde Bon Iver te overstemmen met mijn oerkreten.
Die scene uit 'De Ontdekking van de Hemel' waarin Max Ada voor het eerst ziet, zij nietsvermoedend, de cello tussen haar benen, hij vol bewondering en verlangen...ik kan ze bijna uitschrijven.  Het eerste gedicht dat ik las van Herman Deconinck: 'Middenin de vlakte van juli kwam ik je tegen…': wat een revelatie; dat je met zo weinig eenvoudige woorden zoveel gevoel kon oproepen, keer op keer. En dat ik dat ook wilde kunnen.
De lijst is eindeloos.

Ik kan en wil me geen leven voorstellen zonder muziek, boeken, theater, kunst. Ik kan en wil me niet voorstellen wie ik was geweest zonder al die literaire en muzikale helden. Elke plaat die ik heb grijsgedraaid, elk concert dat ik van de eerste noot tot het allerlaatste bisnummer heb beleefd als was het een ritueel, elk boek waarin ik halsoverkop ben gedoken, om pas weer boven water te komen en naar adem te happen wanneer het uit was…het waren stuk voor stuk creaties van iemand die daar tijd, passie, wanhoop, geld en energie aan wilde besteden, ongeacht de financiële verloning, zonder enige werkzekerheid, wars van elk compromis, ver uit de buurt van economische wetmatigheden.

Kunst bestaat enkel en alleen omdat er mensen zijn die haar willen bedrijven, vanuit een innerlijke drang, een onstilbare honger.
Kunst is niet zomaar de creatie van schoonheid. Kunst is een een zoektocht, een aanklacht, een alarmsignaal, een spiegel, een sprong in het diepe. Kunst heeft de macht en de kracht om een maatschappij vorm te geven en in vraag te stellen. Kunst begeestert, sterkt, stuwt, vecht en mag nooit berusten.

Kunst hoort dan ook niet thuis in hetzelfde fiscale en economische laatje als beleggen in al dan niet dubieuze aandelen. Kunst en kunstenmakers verdienen een echt en waardig fiscaal en sociaal statuut, geen zoveelste doekje voor het bloeden. Omdat ze het waard zijn.










dinsdag 27 november 2012

Jarige kinderen en een beetje jarige ouders


Precies 7 jaar geleden liep ik nog onvast te waggelen als een gulzige en overjaarse gans, ongedurig wachtend op een verlossend teken. In mijn reusachtige buik een onbekende, zonder de minste haast om kennis te maken met ons, wij die voor lange tijd zijn leven zouden gaan bepalen.
Van rozig en gelukzalig genot had ik weinig gemerkt. Ik bleek geen modelzwangere. De absurde vermoeidheid halveerde mijn animo en hield me stevig in z’n greep. Het huis waar we nog maar net in woonden bleek geen thuis, maar een bastion van puin, stof en onvermoeibaar lawaai. Ik vond nergens rust. Niet in de bouwwerf die mijn woonst was, niet in mijn werk, dat zich situeerde in een rokerig hol waar wij, een stel gepassioneerde gekken, iets ambitieus en rock'n rolls uitprobeerden, of op luide concerten met nabeschouwingen tot een gat in de nacht, iets waar noch baby, noch mijn vermoeide, stramme lijf, zich bepaald opgetogen over toonden.
Op een grijze en historisch koude novemberavond, kwam het kind, zij het niet zo vlot en snel als gewenst, want ook op het vlak van mijn bevallingsvaardigheden bleek er ruimte voor verbetering.  Maar het kind kwam, onder overtuigend geroep en bloedstollend gehuil.
Het wonderlijke, gladde kind rook intens naar natte aarde en metaal, een verslavende geur die me nog maanden bleef achtervolgen en die ik zo graag nog een keer zou kunnen oproepen.
Het kind kwam niet alleen; wat meer was: het bleef. Dat was een hele schok. Niets of niemand had me terdege voorbereid op dat constante gevoel van overweldigende verantwoordelijkheid, dat heet in m’n nek ademde. Niets of niemand had me voorbereid op het volstrekt oncontroleerbare en eigenzinnige gevoel van verbondenheid, een soort ultieme verliefdheid die mij, rationeel en analytisch wezen, overviel zoals een woeste zeerover een visserssloep.
Zeven jaar al maakt het kind intussen deel uit van mijn leven. Dat doet hij op geheel eigen, vaak onvoorspelbare, soms ronduit onbegrijpelijke wijze. Hij is de spiegel waarin ik mezelf niet altijd even graag herken. Hij is de toekomst waarvan ik ooit geen deel meer zal uitmaken. Hij is mijn zaklamp wanneer het te donker wordt om de contouren van het leven te onderscheiden.
Niets is makkelijker geworden. Tijd en geduld zijn doorgaans schaars en vreten mekaar op. Maar altijd weer is er de liefde, elke ochtend en elke avond opnieuw. In dat onbeholpen, iele jongenslijf dat zich tegen me aan vlijt, in de brede voortandenloze grijns wanneer ik de deur openzwaai na een lange dag, in de overdaad aan fladderzoenen die we uitwisselen, in de ‘sorry na de storm, in de storm zelf.
Zeven jaar, ‘t is niets en ‘t is een eeuwigheid.

vrijdag 9 november 2012

Vrouwen en media...een bedenkelijk huwelijk?


De nationale vrouwendag blijkt zoals elk jaar weer de gelegenheid bij uitstek om zin en onzin over vrouwenrechten en sexisme te spuien.

Geen medium dat zich niet op de borst klopt en luidkeels verklaart vrouwenrechten ernstig te nemen.

Nu vindt een beetje weldenkende vrouw dat moeilijk te geloven wanneer ze neerbuigende prietpraat onder ogen krijgt waarin schaamteloos sexistische quotes mekaar verdringen. Alles mag en kan onder de noemer ‘opiniestuk’ of ‘column’.

 ‘Wil het IOC dat de helft van de deelneemsters op de Olympische Spelen vrouwen zijn? Het devalueert het sportieve niveau, want vrouwen kunnen daardoor zes keer makkelijker medailles winnen dan mannen, maar als het per se moet, vooral doen. Tenslotte hebben wij mannen in ónze Olympische Spelen van bij het begin aparte competities voorzien voor onze fysiologisch minder valide tegenvoetster. Paralympics binnen de Olympics, zeg maar. Beetje trager, beetje lager, beetje flauwer, maar soms mooier spektakel dan bij die sterkere mannen.’

Zo. Dat weten we dan ook weer, met dank aan De Standaard.
Zou die Hans Vandeweghe thuis iets tekort komen? Is de man wat eenzaam en verbitterd? Of is hij gewoon een kanjer van een macho en een zelfingenomen eikel? Wie zal het zeggen?

De Open VLD krijgt een nieuwe voorzitter. Dat wordt naar alle waarschijnlijkheid een vrouw. En dat is nieuws. Niet omdat de partij dringend aan een nieuwe voorziter toe was en de toekomst van de partij op het spel staat. Maar omdat een vrouw aan het roer vreemde reacties blijkt los te weken:

‘Als ik naar haar kijk, denk ik aan een plattelandsvrouw: thermoskan in de hand, naast het bietenveld.

Als ik haar hoor, denk ik: nou, Gwendo heeft toch meer van Hillary Clinton dan van Liesbeth Homans.

Wel lekker.’

Voor een genuanceerde brok vrouwvriendelijk proza kunnen we altijd rekenen op een grootmeester in het machopopulisme als Hugo Camps.

Laten we de beeldvorming op tv niet vergeten. Wat te denken van een minutenlange, net niet gënante lofzang op het talent en de schoonheid van een aanstormende jonge actrice terwijl rasacteur Bruno Vandenbroucke met z’n ongepolijste looks gewoon geweldig mag staan acteren zonder dat er iemand over zijn scheve, kale kop of z’n bierbuik begint. Wanneer krijgen we eens een topactrice te zien met vetrollen, rimpels, een haakneus, flaporen?
En dan de kers op de suikervrije taart: La Bryan, diva van niks, nontalent, rolmodel om van te huilen. En iedereen vindt het prima. ‘Ze is gewoon lekker zichzelf.’, zo klinkt het onder de mantel der liefde. Prima, wat mij betreft, maar kan ze die ‘zichzelf’ niet wat vaker voor zichzelf houden? Waarom moeten media meegaan in een verhaal dat er geen is en iemand op een voetstuk plaatsen die niets noemenswaardig kan, niets noemenswaardig te vertellen heeft en haar dagen slijt met de manicure van haar schoothond, shoppen en haar schokkend rijke wederhelft behagen. Je mag het toch niet gedroomd hebben dat alle tienermeisjes zich aan dit soort vrouw spiegelen? Dat alle tienerjongens denken dat dit het soort vrouw is waar ze achteraan moeten?
Komt er eindelijk  eens een einde aan de Astridiculisering van de media?

Verder kwam ik er vandaag achter dat er babyshampoo voor jongens (stoere piraten) en voor meisjes (prinsessen) bestaat. Mijn zoon is gek op roze en zou vast naar de prinsessenfles graaien. Gelukkig kopen we geen badkamertroep en blijft deze verscheurende keuze ons bespaard.
Ik leerde ook bij dat jongens en meisjes niet dezelfde woordjes horen te leren wanneer ze beginnen met lezen en schrijven. Gelukkig zijn er pientere firma’s die voor ons, onwetende ouders, hebben bedacht welke woordjes we aan onze zonen (piraat, brandweer, robot, auto, voetbal, …) en welke we aan onze dochters (prinses, pop, winkel, pony, schoen) dienen aan te leren. Je zal je maar vergissen en je kind levenslange schade berokkenen en zijn/haar genderidentiteit verstoren.

Enfin, alles gaat geweldig in vrouwenland. Gelijke rechten? Al laaaaang in the pocket. Sexisme? een randverschijnsel. Nergens voor nodig, al dat feministisch gezwets. 

woensdag 31 oktober 2012

KINDERVRIJ!


Afgelopen week-end las ik in een niet nader te noemen krant een opmerkelijk artikel waarin iemand die zich vertegenwoordiger noemde van de toenemende groep kinderloze mensen aan het woord werd gelaten. Zelf noemen ze zich liever ‘kindervrij’ ipv ‘kinderloos’, zo deelde de dame mee. Dat vinden ze wat positiever klinken. Bij mij roept het achtervoegsel ‘–vrij ‘veeleer minder prettige associaties op. Doorgaans wil men vrij zijn van iets als dat iets schadelijk of op een andere manier negatief is: kankervrij, autovrij,  hormoonvrij. Maar laten we er geen semantische analyse van maken. De dame in kwestie wond er geen doekjes om: de alomtegenwoordigheid van kinderen is een pest. Ze pleitte ronduit voor meer kindervrije ruimte: kindervrije restaurants, kindervrije hotels, kindervrije weetikveels.

Nu hebben we ons allemaal al wel eens geërgerd aan kinderen, of het nu de onze zijn of die van een ander. Wie heeft er nog nooit op een bus/trein/vliegtuig gezeten, knarsetandend, met in een permamente kramp gekromde tenen, vurig hopend dat er asap een einde komt aan de teringherrie, het gejengel, het oorverdovende gekrijs van een of meer kinderen waar we node een vervoermiddel mee moeten delen.
Net zoals we allemaal wel eens hopeloos geïrriteerd raken aan de kassa van de supermarkt terwijl het besje voor ons in de rij tergend traag en niet gehinderd door enig inlevingsvermogen in ons nijpende tijdgebrek en stuiterende ongeduld een voor een haar eurocenten uit de beduimelde portemonnee vist en in de hand van de beleefde kassierster legt.
Net zoals we allemaal wel eens vloeken in de richting van die uitzinnige voetbalsupporters die hun vreugde over de overwinning van hun ploeg met ons menen te moeten delen door middel van oorverdovend getoeter en gejoel, bij voorkeur om 23u ‘s avonds, als de kinderen, jawel dat addergebroed, horen te slapen.
Of zoals de alleenstaanden onder ons wel eens hun wenkbrauwen fronsen en geërgerd hun blik afwenden bij het aanschouwen van kleffe, blindverliefde stelletjes die net niet aan het copuleren slaan naast ons op de bank in het park.
Zoals de vermoeid zwalpende, slonzige jonge moeders onder ons wel eens afgunstig loeren naar de strak in vel en outfit zittende jonge vrouwen die fit en ongehinderd door enig slopend nageslacht door het leven dansen, en dat met een afgunstigmakend gevuld sociaal leven op de koop toe.
De lijst valt aan te vullen tot een ellenlang register van grote en kleine ergernissen van de ene bevolkingsgroep omtrent gedragingen van de andere.
Ergernis is in. Ergernis is big business. Ik pleit overigens schuldig: ik kan me met regelmaat geweldig en ongegeneerd ergeren een aan variatie van gedragingen die in deze samenleving gangbaar blijken te zijn.

Maar ik vrees de dag waarop iemand oproept om winkels, restaurants, hotels te vrijwaren van bejaarden/Nederlanders/kale mannen met een bierbuik /mindervaliden/lager opgeleiden/tieners/mensen met een Antwerps accent/NVA’ers/ikroepmaarwat.

Het staat ons vrij ons te ergeren aan eender welke laag van de samenleving, al valt er meer dan een kanttekening te plaatsen bij het veralgemenen van specifieke eigenschappen naar een hele bevolkingsgroep. ‘Alle Nederlanders zijn luid’ is al net zo’n idiote stelling als ‘Alle mannen houden van voetbal’ of ‘Vrouwen kunnen niet kaartlezen’. Kinderen zijn vervelend en storend is dus zonder meer een kortzichtige en veralgemenende uitspraak. Maar goed, aangezien ergernis een nationale hobby is geworden staat het iedereen dus vrij om zich zoveel en zo vaak te ergeren als hem of haar goeddunkt. Zelfs luidop. Zelfs in de media, sociale en reguliere. Kijk eens aan, wat een overvloed aan kanalen om al die bijtende irritatie te uiten en te delen.
Oproepen om publieke ruimte te vrijwaren van een welbepaalde bevolkingsgroep daarentegen is niet een maar ettelijke stappen te ver. Niemand heeft het recht om te eisen waar en wanneer een welbepaalde bevolkingsgroep zich mag en vooral niet mag bevinden.

Terug naar de kinderloze, excuseer kindervrije eisen:
Ik vraag me af wat dit soort uitsluiting een samenleving bijbrengt. Dat de behoeften van een bepaalde groep mensen die van de andere groep kunnen verdrukken? Vooral als de verdrukte groep onmondig en weinig weerbaar is? Dat we allemaal maar in ons eigen hoekje moeten gaan zitten, gezellig onder gelijkgezinden, met dezelfde noden, wensen en aspiraties?

Het meest bizarre aan deze oproep tot meer kindervrije ruimte is volgens mij wel dit:

1. Kinderen zijn gewoon mensen. Onder een welbepaalde leeftijdsgrens, dat klopt. Maar wel degelijk mensen. Ze hebben dus rechten, mensenrechten. Discriminatie en uitsluiting kunnen dus ook niet t.a.v. kinderen, ook al zijn ze een makkelijke prooi, want niet stemgerechtigd, onmondig en vrij weerloos in hun doen en laten.

2. Ieder van ons is ooit een kind. Ook diegenen die nu zo luid roepen dat ze kinderen vervelende mormels vinden. De kindertijd is een fase in elk mensenleven. Kind zijn maakt deel uit van het leven, net zoals oud worden en sterven. Kinderen groeien op tot volwassenen. We kunnen maar hopen dat ze opgroeien tot verstandige, evenwichtige, verantwoordelijke, solidaire volwassenen. Ik durf betwijfelen of we hen die eigenschappen meegeven door hen te leren dat ze op heel wat plaatsen niet gewenst zijn.

Van een empathische en solidaire maatschappij mogen we verwachten dat ze inspeelt op de noden van al haar leden. Laten we noden en behoeften niet verwarren met ergernissen en louter egoïstische motieven.
Van kinderen wordt verwacht dat ze het overgrote deel van de tijd op school netjes stilzitten en luisteren. Voor wie dat niet lukt is er Ritalin en het clb. Buiten de schooluren mogen ze zich onder mekaar en onder toezicht bezighouden in de opvang, in de jeugdbeweging of de speeltuin (als ze geen buurtbewoners hinderen tenminste).  Daarbuiten zijn ze een last, een bron van ergernis, en kunnen ze op bijzonder weinig empathie rekenen. Onze jongste en kwetsbaarste burgers krijgen steeds minder ruimte, ruimte om te spelen, te dollen, te joelen…om dingen te doen die gezonde kinderen doen. Een dergelijk verzoek om meer kinderloze ruimte getuigt dan ook van een verbijsterend gebrek aan begrip, empathie en solidariteit.

Nog even dit: Onze samenleving vergrijst. De kinderen van nu betalen straks hopelijk ons pensioen. We kunnen maar hopen dat ze daar nog zin in hebben eens het zover is. Wie weet starten ze wel een actiegroep die eist dat die vervelende bejaarden eindelijk eens zelfbedruipend worden.

zondag 7 oktober 2012

Het glazen plafond is een mythe (die je met vakkundig gemanicuurde en gelakte nagels wegkrabt)


Ik hou oprecht van het concept krant. Als ik op zaterdagochtend loom m’n ogen open is ‘joepie, de weekendkrant’ vaak het eerste wat me te binnen schiet. Dat verlangen staat vaak in schril contrast met de ontgoocheling, en zelfs de onversneden ergernis, die mijn krantenpret met enige regelmaat vergalt.

Het was weer van dattum gisteren. De Morgen Muze kwam aandragen met een ‘special’, gekopt ‘de slimste meisjes van de klas’. Binnenin liet de subtitel weinig aan de nieuwsgierigheid over: ‘Het Glazen Plafond? Daar moet je doorheen kijken. De combinatie werk-prive? Als je echt wil, kan alles.’ Kijk eens aan. Zo leert een mens nog eens wat bij, nog  rozig en halfmurw van de slaap en op een nuchtere maag.

Laat ik nu altijd gedacht hebben dat een carriere op topniveau en een nest kinders niet meteen bij mekaar passen als de Gucci-pumps en het gladgebrushte kapsel van Victoria Beckham. Oh onvergeeflijke dwaling.
Dat hele glazen plafond is een mythe, pure fictie, ons in de strot geramd door een stel sikkeneurige vrouwen met premenstrueel syndroom en veel noten op hun zang.

Hoe dat dan concreet in z’n werk gaat, dat hele opklimmen op die wankele en torenhoge carriereladder, daarover vertellen een handvol slimme, want hoogopgeleide dames met ‘ambitie’.
Ik gooi willekeurig wat tips op tafel: huishoudelijk werk uitbesteden zodat je ‘quality time’ kan doorbrengen met je kinderen wanneer je niet aan het werk bent.
Ik vraag me altijd of mensen dat ook zo uitleggen aan hun kroost: ‘Kom jongens, allemaal even stoppen met gamen/lezen/tv-kijken! Mama en papa gaan even wat quality time met jullie doorbrengen. ‘ ‘Wat is dat, quality time?’ ‘Dat is de tijd die we vrijmaken in onze agenda om gezellig te doen met jullie, onze kinderen.’  ‘Oh. Moet dat echt nu? Ik ben net aan het winnen.’ De term is al helemaal lachwekkend als je hem toepast op baby’s, peuters, zieke of hulpbehoevende kinderen. Over dat uitbesteden van de huishoudelijke romslomp wil ik ook iets kwijt:  Hoe leren we onze kinderen meewerken, verantwoordelijkheid nemen, hun eigen troep opruimen, als we hen meegeven dat opruimen/stofzuigen/de was doen iets is wat je aan de iets minder fortuinlijke Olga/Samira overlaat, dat dat activiteiten zijn om op neer te kijken?

Een van de pientere dames liet zich ontvallen dat ze het zo jammer vindt dat er zo weinig vrouwen aan de top staan in de academische wereld. ‘Als ik naar m’n jongere collega’s kijk ben ik verbijsterd hoeveel belang zij hechten aan het moederschap. En hoeveel tijd ze erin steken.’ Sta me toe zelf even verbijsterd te zijn over zoveel egocentrisch gezwets. Nee, laten we vooral geen belang hechten aan softe onzin zoals het moederschap en aan onze kinderen. Die mormels moeten zichzelf maar grootbrengen. Een bijzondere theorie in een samenleving vol sleutelkinderen, tienerzelfmoord en psychische problemen bij kinderen en jongeren. Belang hechten aan status, wedijver en individuele ontplooïng mag dan weer wel.  En waarom zou je überhaupt kinderen willen als je er geen belang aan hecht?

Een paar van de  dames in kwestie roepen vrouwen onrechtstreeks op om zich vooral niet te veel bezig te houden met hun kinderen. ‘Quality time’ is het toverwoord (eentje waar ik net niet van moet braken, maar gelukkig had ik nog maar een hap of twee van m’n boterkoek binnen). ‘Als moeder moet je mikken op individualiteit, zelfredzaamheid en zelfstandigheid.’  Nee, echt? Alsof de meeste moeders niet willen dat hun kinderen zelfredzaam en zelfstandig worden. De vraag is alleen hoe je van kinderen zelfstandige en zelfredzame mensen maakt en – niet geheel onbelangrijk – wanneer? Een baby van 3 a 4 maanden oud, die IS niet zelfstandig, noch zelfredzaam. Of zag u al een zuigeling uit z’n bed kruipen om zichzelf een boterham te smeren en z’n tanden te poetsen? Zo’n wurm kan zich niet voortbewegen, kan niet praten, zich niet aan- of uitkleden en plast en kakt waar het zich bevindt, en dan hebben we het over zelfredzaamheid en zelfstandigheid. We maken onszelf iets wijs als we beweren dat baby’s het prima zonder hun moeder afkunnen. Daar zijn ze van nature namelijk niet toe voorbestemd.

Moeders willen hun kind wel loslaten, en willen zich wel degelijk ontplooien, maar graag wanneer het kind en zijzelf daar klaar voor zijn. En dat is niet 16 weken na de geboorte zoals de wet en de heersende cultuur hier voorzien. Heel wat moeders gruwen intuïtief bij de gedachte hun hulpeloze baby achter te laten bij een vreemde. Maar ze moeten niet zo flauw doen, iedereen doet het, het doet de economie draaien en het is zogenaamd goed voor de sociabilisering en de ontwikkeling van het kind. Als we dat geloven, dan moet er iemand de Noorse of Zweedse  vrouwen dringend eens vertellen dat ze hun kinderen ernstig tekort doen door hen een heel jaar lang bij hun moeder te laten blijven voor die weer aan het werk gaat.
Moeders willen echt wel uitgedaagd worden op hun werk, maar niet ten koste van de levenskwaliteit van henzelf en van hun kinderen. Ja, nanny’s en oma’s kunnen ook kapotte knieën verzorgen, koorts meten, voetbalmatchen bijwonen en boontjes leren doppen. Maar net al die dingen maken ouders van ons en zorgen ervoor dat we een hechte band ontwikkelen met onze kinderen.  Met overbezorgdheid of verwennerij heeft dat niets te maken. Verwennerij is wat ouders doen wanneer ze hun kinderen overstelpen met overbodige materiële rommel. Bergen speelgoed, merkkledij, dure pretparkuitjes moeten het gebrek aan tijd en onverdeelde aandacht vaak compenseren. Maar kinderen hebben nu eenmaal aandacht en tijd nodig, of we dat nu handig vinden of niet.
Zolang er van ouders wordt verwacht dat ze alleen maar meetellen in de wedren als ze van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat beschikbaar zijn en bereid zijn om om 18u te vergaderen zal er weinig of niets veranderen aan de participatie van vrouwen in de academische wereld.

Een paar bedenkingen:
De meeste van deze vrouwen geven toe dat de combinatie werk/gezin een uitdaging is, vooral organisatorisch en logistiek.  ‘Meehollen in de prestatiementaliteit van de academische wereld is lastig’ (en dat ligt vast niet alleen aan de torenhoge pumps van de dames).
Ik geloof het best, dat het lastig is. En wat, beste hoogopgeleide en slimme dames, doen jullie concreet om dat soort obstakels uit de weg te ruimen? Om de weg vrij te maken voor andere vrouwen met overactieve hersens en aspiraties? Om een mentaliteitswijziging op gang te brengen? Naast zeuren dat er te weinig vrouwen zijn die het aandurven of die zich in dergelijke bochten willen wringen…Niets. Moraal van jullie verhaal: niet zeuren, doe gewoon zoals de mannen.

Heeft er al eens iemand van die slimme dames bedacht hoe we vrouwen zouden kunnen helpen en steunen in hun academische aspiraties? Of denken ze dat vrouwen die het moederschap wel laten doorwegen in hun keuzes gewoon te dom zijn voor het wereldse denken?
Dit stuk, dat een aantal vrouwen portretteert die er volgens hen en volgens hun eigen normen in slagen om gezin en carriere te combineren, schetst in geen geval de dagelijkse realiteit waar veel vrouwen mee worstelen. En het helpt hen al helemaal niet vooruit.

Ik krijg echt acute diarree en Tourette van dat hele of/of-discours. Hoezo carriere of kind? Hoezo de combi kan enkel als je je gedraagt zoals uitgerekend die mannen die er niet over denken hun mentaliteit te wijzigen in het voordeel van moeders EN kinderen. Veel vrouwen willen EN een aanwezige en toegewijde moeder zijn, van hun kinderen genieten EN zich ontplooien. Maar dat wordt hen onmogelijk gemaakt door idiote, maar vastgeroeste marktmechanismen, neoliberaal denken en kortzichtig paternalistisch gedachtengoed.

Geef vrouwen de kans om op een rustige en uitgebalanceerde manier moeder te worden en te recupereren van die fysieke en mentale aardverschuiving in hun leven. Ze worden echt niet dommer of minder geëngageerd door een kind te baren. Hun hersenen komen heus niet mee naar buiten met de placenta. Veel vrouwen worden net stressbestendiger, rustiger en genuanceerder wanneer ze moeder worden. Vaardigheden die hen op diverse terreinen van pas kunnen komen. En nee, Voka en Unizo, een jaartje weg van de werkvloer is niet nefast voor de economie. Bij mijn weten gaat het meer dan behoorlijk met de economie in de Scandinavische landen. Moeders die tijd en ruimte krijgen voor kinderen en gezin voelen zich beter in hun vel, hebben minder stress en zijn minder vaak afwezig.

Geef kinderen de kans om op een rustige en geborgen manier op de wereld te komen, zich goed te hechten aan hun ouders en aan hun eigen tempo en vanuit hun vertrouwde basis de wereld te ontdekken. Dat geeft hen vertrouwen, in hun omgeving en in zichzelf…en laat dat nu net onmisbare elementen zijn voor een gezonde ontwikkeling en een optimale geestelijke ontplooïng.

Win/win dus.

Sta me toe nog even in te gaan op het cliche dat doorgaans wordt opgeworpen wanneer het gaat over verlenging van het bevallingsverlof. Het cliche dat stelt dat moeders vereenzamen en niet kunnen wachten om weer aan het werk te gaan. Wel…dat cliche bevat heel wat waarheid. Als je moeders een armetierige 16 weken gunt om op adem te komen terwijl de rest van de wereld, inclusief haar partner, verder rondrent in het rad, dan is de kans reëel dat ze na een paar weken tegen de muren oploopt van eenzaamheid. Een samenleving die moeders en kinderen omarmt en koestert en ruimte voor hen creëert te midden van het leven en de anderen, ipv alleen in hun eigen huisje, dat hebben moeders nodig om het isolement tegen te gaan.  Dat is allesbehalve een samenleving die geïrriteerd met de tong klakt wanneer een kind lawaai maakt, of die moeders die hun kind de borst willen geven in een tearoom of restaurant wegsturen of naar de wc verbannen. Er is geen enkele aanneembare reden waarom een moeder en haar baby alleen thuis zouden moeten zitten, eenzaam en afgesloten van het 'echte' leven.

Misschien kan er iemand eens onderzoeken wat moeders EN de minst weerbare leden van onze samenleving, kinderen, echt nodig hebben om in balans te zijn en om zich vanuit die balans ten volle te kunnen ontplooïen.
Een samenleving is maar zo beschaafd als de manier waarop ze omgaat met de noden van haar individuele leden, in het bijzonder de kwetsbaarste. 

Laten we aub een handvol atypische voorbeelden niet als norm beschouwen en ons op het valse idee brengen dat niets ons in de weg staat en het dus enkel en alleen aan onszelf te danken hebben als het ons, gewone stervelingen, niet lukt om 'de top' te bereiken zonder ons gezin en onszelf tekort te doen.













vrijdag 14 september 2012

Wat weet de wetenschap?


Ik struikel de laatste tijd in de media iets vaker dan me lief is over het woord wetenschap. Niet dat ik in se iets tegen het woord heb. Hoewel woorden die eindigen op -schap zelden veel lol beloven (gramschap, burgerschap, ouderschap, om er maar een paar te noemen). Maar als argument in discussies allerhande is het veelal waardeloos. Een visie als onzin wegzetten omdat ze niet wetenschappelijk zou zijn, dat is zoiets als een ziek mens opensnijden  en beweren dat hij niets mankeert omdat er niets te zien valt daarbinnen. Een - overigens wetenschappelijke - praktijk die in een niet zo ver verleden gerespecteerd en gangbaar was.

Blijkbaar hebben sommigen onder ons zo'n behoefte aan houvast in de tastbare vorm van bewijzen en onderzoeksresultaten allerhande, dat iedere stelling die niet meteen te bewijzen valt, of gewoon beroep doet op gezond verstand en logisch denkvernogen, door hen wordt afgedaan als lekengezwets.

Toch zijn er voor heel wat dingen die ons leven bepalen en sturen geen onomstotelijke bewijzen of glasheldere onderzoeksresultaten terug te vinden. 
Onze politieke voorkeur wordt niet wetenschappelijk gestuurd. Ideologieen vallen niet te bewijzen. Dat maakt ze evenwel niet waardeloos. Dat armoede en hongersnood onrechtvaardig zijn, dat gevoel komt voort uit het geweten, niet uit wetenschap. 
Kunst, literatuur, cultuur in al haar vormen heeft niets met wetenschap vandoen, en blijft er bij voorkeur ver van weg.
Filosofie, ooit een van de nobelste vormen van intellectuele ontwikkeling, wordt door heel wat wetenschappers als betekenisloos beschouwd omdat filosofische antwoorden en stellingen niet empirisch zijn aangetoond.
Menselijke relaties hebben geen wetenschap vandoen om te bloeien of te falen.

Het wetenschappelijk denken vormt slechts een relatief klein onderdeel van het menselijke denken in en over de wereld.
Wetenschap helpt ons bepaalde gebeurtenissen en mechanismen verklaren. Wetenschap probeert een antwoord te bieden op de 'hoe'-vraag. Het 'waarom' blijft buiten beeld. De essentie van het menszijn, hoe en waarom we leven, dat valt met geen wetenschap te beschrijven.

Wetenschappelijke waarheden zijn ook nooit absoluut. Er blijven onnoemelijk veel vragen onbeantwoord. Veel antwoorden blijken in de loop van de geschiedenis achterhaald of ronduit fout.

Wetenschap heeft ook niets uitstaans met waarden en normen.Toch hebben we waarden en normen nodig en vormen ze een essentieel onderdeel van ons menselijke zijn.

Als iemand als Paul Verhaeghe onze samenleving bekritiseert, dan doet hij dat vanuit een noodzaak, een drang om gedachten te formuleren. Zijn betoog is een vraag, een aanklacht...geen wetenschappelijke studie. Hij pretendeert ook nergens wetenschap te bedrijven wanneer hij stelt dat onze samenleving ziek is. Zijn ideeën van tafel vegen omdat ze niet wetenschappelijk zijn aangetoond, dat is dus zoiets als je bord preisoep terugsturen naar de keuken omdat ze niet naar tomaten smaakt.

woensdag 22 augustus 2012

Terug naar school!

Al zolang ik me iets kan herinneren wat vaagweg op een herinnering lijkt, heb ik een uitgesproken hekel aan de doorgrondelijke wegen van de middenstand, die ergens halverwege de zomervakantie abrupt oprispen, als een te lang dwarsgezeten boer, zuur ruikend en zonder een zweem van opluchting.

Overal waar er iets te verkopen valt dat geen houdbaarheidsdatum behoeft, stuit de argeloze vakantievierder op semi-jolige en bijwijlen ronduit aggressieve "Terug Naar School"-kreten. De hardwerkende vlaming en z'n gebroed moeten er zonder dralen van overtuigd worden dat het weldra over en uit is met het boomhutten bouwen en slopen, raketijsjes lebberen, rosé slurpen en schaamteloos nietsdoen.
Heeft u zich net, na lang aarzelen, die gedurfde zwembroek met oranje olifanten en een abonnement op het gloednieuwe en peperdure openluchtzwembad aangeschaft, en daar staat men al te roepen dat de zomer op z'n einde loopt. Terwijl u over het tuinpad wandelt om even het plonsbadje op te pompen, blijven de eerste vergeelde herfstbladeren aan uw teenslippers plakken. Het barbecuestel staat onaangeroerd en nog even verroest als vorig jaar in het berghok, de tuintafel moet nog geolied en u ging écht nét het muskietennet ophangen. Dan wordt u genadeloos meegedeeld dat het eigenlijk al bijna niet meer hoeft. Dat u zich de moeite misschien kan besparen... voor die paar schamele weken die er nog resten van deze zoveelste langverwachte zomer. Want September nadert.

Wie in september wenst mee te tellen in onze onvermoeibare samenleving, die gaat bij voorkeur voor nieuw, in het bijzonder voor de nietsvermoedende kindertjes waarvoor moeite noch uitgave ons te veel is: nieuwe jas (waar het kind zich op 1 september een beroerte in loopt te zweten, maar passons), nieuwe tas (de oude kan écht niet meer, want Justin Bieber staat er op met kort haar, stel je voor), nieuwe schoenen (essentieel, want men staat bij voorkeur stevig in z'n schoenen, zo aan het begin van een nieuw schooljaar). En als we dan toch bezig zijn, waarom dan geen nieuwe auto, nieuw bankstel, nieuwe handtas voor de immer zwoegende ouders? U heeft het verdiend, toch?

Teneinde alle Vlamingen tijdig te voorzien in deze basisbehoeften, dienen er drastische middelen te worden ingezet. Uitstalramen en reclameborden, zelfs bussen en trams schreeuwen het uit: Terug Naar School!!!". Kwestie van dit belangwekkende nieuws duidelijk tot ons allen, ook u, luie donder in uw hangmat, te laten doordringen.
Tenzij u zich hebt weten verschansen bij een natuurvolk diep in de Afrikaanse jungle, hebt u geen enkel alibi meer om te lanterfanten en kan u het genieten nu wel vergeten. Met een zucht hijst u zich op uit uw luie stoel, legt u de zomerthriller waarin u net halfweg was opzij, en laat u zich vertellen wat er nog allemaal moet gebeuren, vooraleer ieder gezinslid weer fris en net in de pas kan lopen. Kinderen laten zich gelaten meeslepen door overvolle en gonzende winkelstraten, betreden pashokjes zoals een terdoodveroordeelde de executiekamer: wanhopig, maar berustend.
Stapels schoolboeken sluipen ongewenst, maar niet te stuiten, de huizen binnen. Tenten worden opgeborgen, strandstoelen dichtgeklapt.
Met een genadeloze klap, klapt meteen ook de zomer dicht.








dinsdag 31 juli 2012

Seksisme: hot in the city en daarbuiten


Seksisme is een hip topic. Tenminste als je de media wenst te geloven. En wensen we niet allemaal de media te geloven, gewoon voor het gemak, omdat vertrouwen meestal aangenamer en beter voor de gemoedsrust is dan wantrouwen?

De docu “Femme de la Rue”, afstudeerproject van cineaste Sofie Peeters, ging uitgebreid over de tongen en oogstte uitgesproken en vaak heftige reacties.
Het thema (“Seksime en sexuele intimidatie op straat in Brussel”) werd prompt dankbaar in beslag genomen en uitgebuit door zowel rechts als links, voor zover die termen nog veel inhoud dienen.

Alles is vast al gezegd en geschreven en ik heb niet de pretentie daar iets substantieels aan toe te kunnen voegen.  Bovendien bleek een aanzienlijk deel van de respons van dermate laag allooi dat ik ze graag en gretig vergeet.

Twee dingen echter vielen mij in het bijzonder op:

1. De arrogantie die mensen al te vaak vertonen wanneer ze voor anderen menen te moeten uitmaken wat die anderen als bedreigend, storend of beledigend mogen ervaren. Met goedmoedig relativerende gemeenplaatsen alla “Ach, het is vast allemaal zo erg niet.” Of “Mogen we nu al niet meer naar de vrouwtjes kijken  en hen complimenten geven?” geven mensen aan weinig of geen begrip te kunnen opbrengen voor het feit dat veel vrouwen en meisjes zich dagelijks in hun vrijheid belemmerd en aangetast voelen. Wie zich ergert aan gratuite opmerkingen op straat is een flauwe trees, niet assertief of gewoon preuts. Wie zich onveilig voelt overdrijft.
Nu heb ik persoonlijk  nog maar weinig last ondervonden van grove vrouwonvriendelijkheid  (iets waar mijn aura van ambetant wijf met grote bek en mijn notoire vuurspuwende blik vermoedelijk voor iets tussenzitten). Maar dat betekent niet dat ik niet kan begrijpen of inzien hoe intrusief  en ronduit aanvallend dergelijk ongewenst gedrag kan zijn, zeker voor wie het dagelijks moet ondergaan.
Die hele houding van “Het is allemaal zo erg niet.” doet me wat denken aan de manier waarop veel goedbedoelende ouders/grootouders/verzorgers reageren met “Het is niks.” of “Het is niet erg.” wanneer een kind valt of zich stoot. Alsof de pijn of de schrik van het kind niet legitiem zou zijn . Alsof een kind zelf niet mag en kan bepalen wat hij of zij erg vindt.
Betutteling is meestal goedbedoeld, maar mist elk troostend of helend effect. Bovendien geeft het gesus de boodschap mee dat je vooral niet op enige empathie hoeft te rekenen en dat je gevoel geen bestaansrecht heeft.

2. De voorspelbare, maar desondanks schokkende suggestie dat meisjes en vrouwen dat soort vrouwonvriendelijk gedrag uitlokken door “met een air op straat te lopen” (ik citeer maar wat),  zich uitdagend te kleden of in de "verkeerde" buurten rond te hangen.
Vrouwen worden anno 2012 dus geacht in coltrui en lange broek en met de blik zedig neerwaarts gericht over straat te schuifelen, en dan nog enkel in de "juiste" buurten (hoe lang voor iemand een app bedenkt die een actueel overzicht biedt van wat dan precies de geschikte buurten zijn om in rond te lopen). Anders gedragen ze zich blijkbaar aanstootgevend en geven ze aanleiding tot grof taalgebruik, gescheld en intimidatie. Niet in Pakistan, Afghanistan of Iran, maar in het hart van vrij en democratisch Europa. Zozo. Een zelfzekere houding, luchtige zomerkleding en gewoon onbezorgd en goed in je vel over straat huppelen is voorbehouden aan personen van het mannelijke geslacht, zo blijkt. Daar zijn dus ettelijke decennia vrouwenstrijd aan voorafgegaan, aan dat soort diepe en doordachte conclusies. Een vrouw zou van minder moedeloos worden. 

Ik spreek me niet uit over hoe we dit soort seksime dienen aan te pakken. Repressie lijkt me zinloos en zelfs contraproductief. Bovendien zit seksisme zo diep verankerd in de samenleving (niet enkel de islamitische),  dat het complexe en doordachte langetermijnstrategieën vereist, geen oorlogstaal. 

Maar ik moet bekennen: ik ben pessimistisch gestemd. Het ziet er niet naar uit dat dat pessimisme weldra de benen neemt. Zolang mensen als Paul Van Driessche straffeloos collega’s mogen bepotelen en intimideren en daarvoor beloond worden met een nieuw en royaal betaald postje zie ik weinig reden tot optimisme. Zolang we het normaal vinden dat meisjes  én jongens van veertien zich spiegelen aan de denigrerende pornocultuur die de jongerencultuur doorspekt en zelfs domineert ben ik weinig hoopvol.
We zijn terecht geschokt door de gewelddadige moord op een aantal homo’s, maar vergeten dat er jaarlijks duizenden vrouwen aangevallen en verkracht worden, niet zo zelden met de dood tot gevolg. Alles went, helaas.

dinsdag 26 juni 2012

ONDERWIJSHEISA.


Was het een slimme strategische zet van minister Smet om een onderwijshervorming aan te kaarten, plompweg en pal in een economische crisis die mensen angstig en behoudsgezind naar hun hebben en houden doet grijpen? Een ding is zeker: het is tijden geleden dat een soft en weinig begeesterend onderwerp als onderwijs de gemoederen zo wist te verhitten.
De nota in kwestie moet wel bijzonder controversieel zijn, gezien het tumult en het gekrakeel vanuit elke denkbare politieke en sociale hoek. Maar wie had gehoopt op een gewaagd en radicaal plan van onze onderwijsminister is eraan voor de moeite.

Bij het lezen van de nota valt daar weinig spectaculairs in te ontwaren. Dat kinderen doorgaans op twaalfde niet zo goed weten wat ze de rest van hun leven willen doen (een uitzondering hier en daar niet te na gesproken) dat kan toch geen enkel redelijk mens betwisten? Dat het vanuit die optiek misschien niet zo gek is om het kiezen voor een bepaalde richting nog een jaartje uit te stellen, kan bezwaarlijk als onlogisch, laat staan revolutionair bestempeld worden.
Zelf sta ik intussen lang genoeg in het onderwijs om gemerkt te hebben dat er wel degelijk een "watervalsysteem" bestaat, wat ervoor zorgt dat heel wat jongeren geen keuze maken op basis van hun talenten en interesses. Het aso wordt als het summum, het hoogste na te streven goed beschouwd, niet enkel door kinderen en hun ouders, maar ook door heel wat leerkrachten. Ouders en leerkrachten willen kinderen vaak koste wat kost in dat aso houden, ook al wordt het kind daar doodongelukkig en kan het zich er niet ten volle ontplooien. Wie durft beweren dat dat niet gebeurt, of een randverschijnsel is, die is van slechte wil of gewoon blind...of heeft nog nooit een school van binnenuit gezien.

Schoolmoeheid is een toenemend probleem, eentje dat alle lagen van de samenleving aantast. Een op de zes jongeren verlaat momenteel de middelbare school zonder enig formeel getuigschrift en, wat erger is, zonder enige notie van wat zijn of haar mogelijkheden zijn. Dat zijn feiten. In een dergelijke context staan roepen dat het onderwijs geen hervormingen nodig heeft, is een slag in het gezicht van al deze jonge mensen die hun plek niet vinden en die aan hun lot worden overgelaten zonder dat ze daarvoor de zelfredzaamheid konden ontwikkelen.

Ons onderwijs zou gelijke kansen moeten bieden, maar faalt falikant op dat gebied. Onze maatschappij is in een sneltreinvaart geëvolueerd tot een kennismaatschappij, die andere en diversere eisen stelt aan wie haar bevolkt. Toch is ons onderwijssysteem niet fundamenteel veranderd. De nadruk ligt nog steeds op kennisoverdracht. De leerplannen en –doelen bepalen de koers. In een maatschappij waarin kennis verouderd blijkt van zodra ze gedrukt staat, volstaat diezelfde kennis niet langer om overeind te blijven en mee te kunnen. Wie in deze samenleving z’n weg wil vinden heeft zelfredzaamheid nodig, ondernemingszin, flexibiliteit, zelfvertrouwen...en voldoende inzicht in de eigen vaardigheden en talenten.

Evalueren staat in ons onderwijs gelijk aan meten, vergelijken en selecteren. Individuele vorderingen en niet meetbare groei tellen nauwelijks mee. Evaluatie komt neer op het benadrukken van tekorten, of aantonen wat iemand niet deed of niet kan, en dat binnen een context van abstract denken, een vaardigheid die veel kinderen of jongeren in mindere mate beheersen en die slechts een fractie weergeeft van iemands mogelijkheden.

Is het dan zo gek om ons onderwijssysteem eens onder de loep te nemen en in vraag te stellen? Onderwijs dient niet enkel om kinderen en jongeren naar het hoger onderwijs of een bepaald beroep te leiden. Het moet ook en vooral evenwichtige, solidaire en zelfredzame volwassenen voortbrengen.
Onderwijs zou een weerspiegeling moeten zijn van de samenleving en haar noden, een veilig kader waarbinnen elk kind zich ten volle kan ontplooien, geen eiland in een oceaan vol piraten.

Wat vooral opvalt in het hele debat is de haast irrationele angst voor verandering. Dat soort behoudsgezindheid valt deels te verklaren door de huidige economische en idelogische crisis. In tijden van onzekerheid houdt men vast aan wat men heeft en kent. Maar uit deze angst afleiden dat er geen verandering nodig is, getuigt van weinig inzicht in wat er werkelijk leeft in het onderwijs. Leerkrachten worstelen wel degelijk met het huidige systeem en de gevolgen ervan. De wildgroei aan denktanken, alternatieve scholen en helaas ook uitgebluste leerkrachten en leerlingen, getuigen van een steeds duidelijker nood aan verandering. Deze noodzaak negeren zal die niet doen verdwijnen.
De weerstand tegen elke vorm van hervorming wordt vaak kracht bijgezet met resultaten en cijfers. Onze jongeren “presteren” namelijk uitstekend, zo blijkt uit Europese cijfers. De vraag is of dat volstaat, of dat werkelijk alles is wat we van ons onderwijs verwachten: dat het jonge mensen doet presteren. Nergens ter wereld presteren werknemers als in Japan, en nergens ter wereld plegen er zoveel werknemers zelfmoord.
Als we onderwijs belangrijk vinden, mogen we dan niet verwachten dat het meer oplevert dan cijfers en meetbare resultaten?

De grote afwezigen in de discussie zijn zij om wie het draait: de kinderen en de jongeren zelf. We gaan er blijkbaar van uit dat zij niet in staat zijn om iets zinnigs bij te dragen aan een debat over hun eigen leven en toekomst. Als dat al zo is, dan is dat omdat we hen niet de tools, het zelfvertrouwen en de kracht bieden om hun zeg te doen en hun kritische mening te uiten.
Volgens minister-president Peeters mag het debat over onderwijs niet op straat gevoerd worden. Een opmerkelijke uitspraak. Het is net dat soort neerbuigende houding, “het onderwijs van de onderwijsspecialisten”, dat van ons onderwijs een wereldvreemd gebeuren maakt. Onderwijs is van en voor iedereen en gaat dus ook iedereen aan. Wie denkt dat enkel pedagogen en andere academici iets zinnigs te vertellen hebben over onderwijs, die dwaalt en bevindt zich in een ander, hopeloos achterhaald tijdperk.
Leren luisteren naar anderen is een van de nuttigste, maar ook zeldzaamste vaardigheden, ook al staat ze in geen enkel leerplan omschreven. Heeft ons onderwijs nood aan hervorming? Uiteraard. Zal deze bescheiden hervoming volstaan om een fundamenteel verschil te maken? Waarschijnlijk niet. Maar de prangendste vraag van al: hoe kunnen we, te midden van zoveel angst en terughoudendheid, tot een modern en aangepast onderwijs komen waarin iedereen een optimale kans krijgt? Een vraag waarop het antwoord zal uitblijven zolang er geen sereen en open debat mogelijk is.

zondag 13 mei 2012

Perverse moeders


Ik moest twee keer kijken of ik het wel goed gelezen had. “Borstvoeding geven aan een driejarige is pervers. Eens of oneens?” Dat bleek het thema van een zondags polletje dat kwaliteitskrant De Morgen op het net zwierde, kwestie van moeders te verblijden op hun heugelijke feestdag.

Geheel toevallig, maar toepasselijk, kreeg ik de titel van de poll onder ogen met een driejarige aan de borst. De driejarige in kwestie lag onverstoorbaar en argeloos te genieten terwijl ik een artikel zat te tikken aan de laptop. Slechts na een slordige vijf seconden had ik door dat men dus bij De Morgen graag wilde weten of ik perverse dingen deed met m’n kind of niet. Of meer bepaald, wat de mening daaromtrent is van de gemiddelde DM-lezer.

Gek genoeg voelde ik me op geen enkele manier persoonlijk aangevallen door dit soort tendentieuze en kortzichtige vraagstelling. Ik werd al evenmin bevangen door een vlaag van onzekere twijfel (“Help, doe ik iets verkeerd?”). Dat heb je met geïnformeerde mensen, die krijg je niet zomaar aan het wankelen. Wat ik wel voelde was irritatie, en nog wel van het scherpste soort.
Gezegend met een analytische geest wil ik bij elke zweem van ergernis meteen graag weten waar de ergernis in kwestie vandaan komt, en wie of wat haar oproept.
Sta me toe eerst even toe te lichten wat het adjectief “pervers” betekent: pervers_per` vers («Frans«Latijn) bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 1 verdorven; 2 verkeerd, tegennatuurlijk, onnatuurlijk; 3 behagen scheppend in abnormale lustbevrediging.
Over naar de poll dus. De Morgen slaat de bal hier op meerdere terreinen grondig mis.
Om te beginnen wordt er vanuit gegaan dat mensen überhaupt een mening dienen te hebben over de persoonlijke keuzes van andere mensen, terwijl dit keuzes betreft die niemand, tenzij henzelf, aangaan en die niemand schade berokkenen.
Ten tweede wordt er door de keuze voor het woord “pervers” al vanuit gegaan dat de mogelijkheid bestaat dat het borstvoeden van een driejarige verdorven, verkeerd, enz... is.
Van een krant, zeker een krant als De Morgen, verwacht ik informatie, geen ongegronde meninkjes allerhande, geen stemmingmakerij.
Ten derde heeft men het blijkbaar niet nodig gevonden om degelijk opzoekwerk te doen over het thema. Ach ja, ook een redacteur heeft vast wat anders te doen op een zondagochtend. Maar mocht men de moeite hebben genomen om een en ander op te zoeken en te lezen over langer borstvoeding geven dan in het Westen gebruikelijk is, dan zou men tot de vaststellling zijn gekomen dat de meerderheid van de moeders ter wereld hun kind jarenlang borstvoeden, heel gewoon, zonder daar al te zeer over na te denken, omdat het normaal is, omdat het kind er wel bij vaart, omdat het makkelijk is, omdat ze nooit wat anders hebben gezien, omdat het volstrekt natuurlijk is. Uitgaan van een opmerkelijk eng wereldbeeld, dat enkel de - vrij recente - moderne westerse cultuur als uitgangspunt neemt, is niet alleen kortzichtig, maar ronduit wereldvreemd.
Ik zou jullie kunnen overstelpen met wetenschappelijk onderzoek en informatie waarin wordt aangetoond dat de natuurlijke speenleeftijd van een mensenkind ergens tussen de 2,5 en de 7 jaar ligt, met een piek rond 3 à 4 jaar. Maar dat hadden jullie gewoon zelf even kunnen opzoeken. Jullie worden daar voor betaald. Ik niet.
Het zal me – om mijn favoriete uitdrukking van bij de noorderburen even te lenen – aan m’n kont roesten wat anderen vinden en denken over hoe ik m’n kinderen opvoed. Maar kunnen we op z’n minst deontologisch en wetenschappelijk correct blijven? Weet u wat pervers is: dat er jaarlijks miljoenen kinderen sterven van de honger. Dat talloze kinderen mishandeld, misbruikt, verhandeld worden. Dat is pervers. De liefdevolle en natuurlijke relatie tussen een moeder en haar kind pervers noemen, dat is perverser dan pervers.