biekesblog


maandag 5 oktober 2020

Ogen te kort

 


Een beetje koersgek komt nergens aan toe in dit krankzinnige, samengebalde seizoen. Elke dag is er ergens koers. Elke dag valt er nog zoveel te verlangen. De was blijft liggen. Maaltijden blinken uit in eenvoud. Stofnesten dwarrelen vrijelijk door het huis. De kinderen houden zich in relatieve stilte bezig. Wanneer de avond valt zijn onze ogen moe van het kijken en registreren.

Het week-end kondigde zich aan als één langgerekt en uitputtend koersfeest. Ik noteerde start- en finishtijden van de laatste etappe van de BinckBank Tour, de proloog van de Giro, La Doyenne voor vrouwen en mannen en installeerde mijn laptop naast het tv-scherm, kwestie van niets te missen. Onzin, aangezien je sowieso altijd vanalles mist. De vrouwen startten zo ontieglijk vroeg dat ik nog aan het ontbijt zat terwijl Lizzie Deignan ontsnapte. Terwijl de wereldkampioen tijdrijden naar de zege brommerde kregen we reclame voor deodorant. Bovendien bleek het lastig focussen op de chrono in Italië, terwijl Mathieu van der Poel zichzelf succesvol uitperste op de muur van Geraardsbergen, als een fris limoentje boven een mojito.

Net zoals het niet lukte om tegelijkertijd ‘Hup Thomas!’ en ‘Oh nee!’ te roepen terwijl De Gendt lustig voor het Giropeloton uitreed en Greg Van Avermaet tussen Luik en Bastogne iets deed wat hij hoogst zelden doet: vallen. De man die altijd als een blok gewapend beton op z’n fiets blijft zitten, knalde op een verdoken verkeerseiland en brak drie ribben en verrekte z’n schouder, terwijl zijn speeltijd in Vlaanderen nog moest komen. Om je gouden helm van op te eten.

 

Nog geen kwartier later stapte het gedoodverfde witte konijn van de Giro van z’n fiets. Alexander Vlasov, door iedereen getipt als dé renner om in de gaten te houden, had last van maagproblemen. Wonderlijk hoe renners kunnen trappen met gebroken knieschijven en schouderbladen, maar grauwe dweiltjes worden als hun maag het begeeft.

 

Zekerheden zijn schaars geworden. Snotneuzen verschansen gevestigde waarden. Renners die niet gebouwd zijn om bergop te rijden bestormen hellingen als hemelbestormers. Alles en iedereen is in de war. Zelfs wereldkampioenen verliezen hun aplomb.

Julian Alaphilippe, voorts een geweldige coureur, zwalpte over de weg als een wielertoerist die een café te veel aandeed op zijn zondagse rondje, en bracht zijn collega’s topfavorieten Pogacar en Hirschi van hun stuk. Het was niet met opzet, maar wel erg dom. Nog dommer was het zegegebaar waarmee hij over de meet kwam terwijl hij langs rechts werd ingehaald door een foutloos sprintende Primoz Roglic, de Tourverliezer die een week geleden de kop van jut was in Vlaanderen omdat hij “onze Wout” niet aan de regenboogtrui had geholpen. Dat hij niet beter kon en zichzelf compleet had leeggereden had de gemoederen niet kunnen bedaren. Primoz was aangeschoten wild.

 

Ik hoorde Primoz een “onorthodoxe winnaar” noemen door twee commentatoren die in een parallel universum meeleefden met “die arme Alaphilippe” en zapte weg. De brede grijns op mijn mond was niet weg te zappen. Poëtische rechtvaardigheid voelt heerlijker dan nijd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten