biekesblog


dinsdag 31 juli 2012

Seksisme: hot in the city en daarbuiten


Seksisme is een hip topic. Tenminste als je de media wenst te geloven. En wensen we niet allemaal de media te geloven, gewoon voor het gemak, omdat vertrouwen meestal aangenamer en beter voor de gemoedsrust is dan wantrouwen?

De docu “Femme de la Rue”, afstudeerproject van cineaste Sofie Peeters, ging uitgebreid over de tongen en oogstte uitgesproken en vaak heftige reacties.
Het thema (“Seksime en sexuele intimidatie op straat in Brussel”) werd prompt dankbaar in beslag genomen en uitgebuit door zowel rechts als links, voor zover die termen nog veel inhoud dienen.

Alles is vast al gezegd en geschreven en ik heb niet de pretentie daar iets substantieels aan toe te kunnen voegen.  Bovendien bleek een aanzienlijk deel van de respons van dermate laag allooi dat ik ze graag en gretig vergeet.

Twee dingen echter vielen mij in het bijzonder op:

1. De arrogantie die mensen al te vaak vertonen wanneer ze voor anderen menen te moeten uitmaken wat die anderen als bedreigend, storend of beledigend mogen ervaren. Met goedmoedig relativerende gemeenplaatsen alla “Ach, het is vast allemaal zo erg niet.” Of “Mogen we nu al niet meer naar de vrouwtjes kijken  en hen complimenten geven?” geven mensen aan weinig of geen begrip te kunnen opbrengen voor het feit dat veel vrouwen en meisjes zich dagelijks in hun vrijheid belemmerd en aangetast voelen. Wie zich ergert aan gratuite opmerkingen op straat is een flauwe trees, niet assertief of gewoon preuts. Wie zich onveilig voelt overdrijft.
Nu heb ik persoonlijk  nog maar weinig last ondervonden van grove vrouwonvriendelijkheid  (iets waar mijn aura van ambetant wijf met grote bek en mijn notoire vuurspuwende blik vermoedelijk voor iets tussenzitten). Maar dat betekent niet dat ik niet kan begrijpen of inzien hoe intrusief  en ronduit aanvallend dergelijk ongewenst gedrag kan zijn, zeker voor wie het dagelijks moet ondergaan.
Die hele houding van “Het is allemaal zo erg niet.” doet me wat denken aan de manier waarop veel goedbedoelende ouders/grootouders/verzorgers reageren met “Het is niks.” of “Het is niet erg.” wanneer een kind valt of zich stoot. Alsof de pijn of de schrik van het kind niet legitiem zou zijn . Alsof een kind zelf niet mag en kan bepalen wat hij of zij erg vindt.
Betutteling is meestal goedbedoeld, maar mist elk troostend of helend effect. Bovendien geeft het gesus de boodschap mee dat je vooral niet op enige empathie hoeft te rekenen en dat je gevoel geen bestaansrecht heeft.

2. De voorspelbare, maar desondanks schokkende suggestie dat meisjes en vrouwen dat soort vrouwonvriendelijk gedrag uitlokken door “met een air op straat te lopen” (ik citeer maar wat),  zich uitdagend te kleden of in de "verkeerde" buurten rond te hangen.
Vrouwen worden anno 2012 dus geacht in coltrui en lange broek en met de blik zedig neerwaarts gericht over straat te schuifelen, en dan nog enkel in de "juiste" buurten (hoe lang voor iemand een app bedenkt die een actueel overzicht biedt van wat dan precies de geschikte buurten zijn om in rond te lopen). Anders gedragen ze zich blijkbaar aanstootgevend en geven ze aanleiding tot grof taalgebruik, gescheld en intimidatie. Niet in Pakistan, Afghanistan of Iran, maar in het hart van vrij en democratisch Europa. Zozo. Een zelfzekere houding, luchtige zomerkleding en gewoon onbezorgd en goed in je vel over straat huppelen is voorbehouden aan personen van het mannelijke geslacht, zo blijkt. Daar zijn dus ettelijke decennia vrouwenstrijd aan voorafgegaan, aan dat soort diepe en doordachte conclusies. Een vrouw zou van minder moedeloos worden. 

Ik spreek me niet uit over hoe we dit soort seksime dienen aan te pakken. Repressie lijkt me zinloos en zelfs contraproductief. Bovendien zit seksisme zo diep verankerd in de samenleving (niet enkel de islamitische),  dat het complexe en doordachte langetermijnstrategieën vereist, geen oorlogstaal. 

Maar ik moet bekennen: ik ben pessimistisch gestemd. Het ziet er niet naar uit dat dat pessimisme weldra de benen neemt. Zolang mensen als Paul Van Driessche straffeloos collega’s mogen bepotelen en intimideren en daarvoor beloond worden met een nieuw en royaal betaald postje zie ik weinig reden tot optimisme. Zolang we het normaal vinden dat meisjes  én jongens van veertien zich spiegelen aan de denigrerende pornocultuur die de jongerencultuur doorspekt en zelfs domineert ben ik weinig hoopvol.
We zijn terecht geschokt door de gewelddadige moord op een aantal homo’s, maar vergeten dat er jaarlijks duizenden vrouwen aangevallen en verkracht worden, niet zo zelden met de dood tot gevolg. Alles went, helaas.

dinsdag 26 juni 2012

ONDERWIJSHEISA.


Was het een slimme strategische zet van minister Smet om een onderwijshervorming aan te kaarten, plompweg en pal in een economische crisis die mensen angstig en behoudsgezind naar hun hebben en houden doet grijpen? Een ding is zeker: het is tijden geleden dat een soft en weinig begeesterend onderwerp als onderwijs de gemoederen zo wist te verhitten.
De nota in kwestie moet wel bijzonder controversieel zijn, gezien het tumult en het gekrakeel vanuit elke denkbare politieke en sociale hoek. Maar wie had gehoopt op een gewaagd en radicaal plan van onze onderwijsminister is eraan voor de moeite.

Bij het lezen van de nota valt daar weinig spectaculairs in te ontwaren. Dat kinderen doorgaans op twaalfde niet zo goed weten wat ze de rest van hun leven willen doen (een uitzondering hier en daar niet te na gesproken) dat kan toch geen enkel redelijk mens betwisten? Dat het vanuit die optiek misschien niet zo gek is om het kiezen voor een bepaalde richting nog een jaartje uit te stellen, kan bezwaarlijk als onlogisch, laat staan revolutionair bestempeld worden.
Zelf sta ik intussen lang genoeg in het onderwijs om gemerkt te hebben dat er wel degelijk een "watervalsysteem" bestaat, wat ervoor zorgt dat heel wat jongeren geen keuze maken op basis van hun talenten en interesses. Het aso wordt als het summum, het hoogste na te streven goed beschouwd, niet enkel door kinderen en hun ouders, maar ook door heel wat leerkrachten. Ouders en leerkrachten willen kinderen vaak koste wat kost in dat aso houden, ook al wordt het kind daar doodongelukkig en kan het zich er niet ten volle ontplooien. Wie durft beweren dat dat niet gebeurt, of een randverschijnsel is, die is van slechte wil of gewoon blind...of heeft nog nooit een school van binnenuit gezien.

Schoolmoeheid is een toenemend probleem, eentje dat alle lagen van de samenleving aantast. Een op de zes jongeren verlaat momenteel de middelbare school zonder enig formeel getuigschrift en, wat erger is, zonder enige notie van wat zijn of haar mogelijkheden zijn. Dat zijn feiten. In een dergelijke context staan roepen dat het onderwijs geen hervormingen nodig heeft, is een slag in het gezicht van al deze jonge mensen die hun plek niet vinden en die aan hun lot worden overgelaten zonder dat ze daarvoor de zelfredzaamheid konden ontwikkelen.

Ons onderwijs zou gelijke kansen moeten bieden, maar faalt falikant op dat gebied. Onze maatschappij is in een sneltreinvaart geëvolueerd tot een kennismaatschappij, die andere en diversere eisen stelt aan wie haar bevolkt. Toch is ons onderwijssysteem niet fundamenteel veranderd. De nadruk ligt nog steeds op kennisoverdracht. De leerplannen en –doelen bepalen de koers. In een maatschappij waarin kennis verouderd blijkt van zodra ze gedrukt staat, volstaat diezelfde kennis niet langer om overeind te blijven en mee te kunnen. Wie in deze samenleving z’n weg wil vinden heeft zelfredzaamheid nodig, ondernemingszin, flexibiliteit, zelfvertrouwen...en voldoende inzicht in de eigen vaardigheden en talenten.

Evalueren staat in ons onderwijs gelijk aan meten, vergelijken en selecteren. Individuele vorderingen en niet meetbare groei tellen nauwelijks mee. Evaluatie komt neer op het benadrukken van tekorten, of aantonen wat iemand niet deed of niet kan, en dat binnen een context van abstract denken, een vaardigheid die veel kinderen of jongeren in mindere mate beheersen en die slechts een fractie weergeeft van iemands mogelijkheden.

Is het dan zo gek om ons onderwijssysteem eens onder de loep te nemen en in vraag te stellen? Onderwijs dient niet enkel om kinderen en jongeren naar het hoger onderwijs of een bepaald beroep te leiden. Het moet ook en vooral evenwichtige, solidaire en zelfredzame volwassenen voortbrengen.
Onderwijs zou een weerspiegeling moeten zijn van de samenleving en haar noden, een veilig kader waarbinnen elk kind zich ten volle kan ontplooien, geen eiland in een oceaan vol piraten.

Wat vooral opvalt in het hele debat is de haast irrationele angst voor verandering. Dat soort behoudsgezindheid valt deels te verklaren door de huidige economische en idelogische crisis. In tijden van onzekerheid houdt men vast aan wat men heeft en kent. Maar uit deze angst afleiden dat er geen verandering nodig is, getuigt van weinig inzicht in wat er werkelijk leeft in het onderwijs. Leerkrachten worstelen wel degelijk met het huidige systeem en de gevolgen ervan. De wildgroei aan denktanken, alternatieve scholen en helaas ook uitgebluste leerkrachten en leerlingen, getuigen van een steeds duidelijker nood aan verandering. Deze noodzaak negeren zal die niet doen verdwijnen.
De weerstand tegen elke vorm van hervorming wordt vaak kracht bijgezet met resultaten en cijfers. Onze jongeren “presteren” namelijk uitstekend, zo blijkt uit Europese cijfers. De vraag is of dat volstaat, of dat werkelijk alles is wat we van ons onderwijs verwachten: dat het jonge mensen doet presteren. Nergens ter wereld presteren werknemers als in Japan, en nergens ter wereld plegen er zoveel werknemers zelfmoord.
Als we onderwijs belangrijk vinden, mogen we dan niet verwachten dat het meer oplevert dan cijfers en meetbare resultaten?

De grote afwezigen in de discussie zijn zij om wie het draait: de kinderen en de jongeren zelf. We gaan er blijkbaar van uit dat zij niet in staat zijn om iets zinnigs bij te dragen aan een debat over hun eigen leven en toekomst. Als dat al zo is, dan is dat omdat we hen niet de tools, het zelfvertrouwen en de kracht bieden om hun zeg te doen en hun kritische mening te uiten.
Volgens minister-president Peeters mag het debat over onderwijs niet op straat gevoerd worden. Een opmerkelijke uitspraak. Het is net dat soort neerbuigende houding, “het onderwijs van de onderwijsspecialisten”, dat van ons onderwijs een wereldvreemd gebeuren maakt. Onderwijs is van en voor iedereen en gaat dus ook iedereen aan. Wie denkt dat enkel pedagogen en andere academici iets zinnigs te vertellen hebben over onderwijs, die dwaalt en bevindt zich in een ander, hopeloos achterhaald tijdperk.
Leren luisteren naar anderen is een van de nuttigste, maar ook zeldzaamste vaardigheden, ook al staat ze in geen enkel leerplan omschreven. Heeft ons onderwijs nood aan hervorming? Uiteraard. Zal deze bescheiden hervoming volstaan om een fundamenteel verschil te maken? Waarschijnlijk niet. Maar de prangendste vraag van al: hoe kunnen we, te midden van zoveel angst en terughoudendheid, tot een modern en aangepast onderwijs komen waarin iedereen een optimale kans krijgt? Een vraag waarop het antwoord zal uitblijven zolang er geen sereen en open debat mogelijk is.

zondag 13 mei 2012

Perverse moeders


Ik moest twee keer kijken of ik het wel goed gelezen had. “Borstvoeding geven aan een driejarige is pervers. Eens of oneens?” Dat bleek het thema van een zondags polletje dat kwaliteitskrant De Morgen op het net zwierde, kwestie van moeders te verblijden op hun heugelijke feestdag.

Geheel toevallig, maar toepasselijk, kreeg ik de titel van de poll onder ogen met een driejarige aan de borst. De driejarige in kwestie lag onverstoorbaar en argeloos te genieten terwijl ik een artikel zat te tikken aan de laptop. Slechts na een slordige vijf seconden had ik door dat men dus bij De Morgen graag wilde weten of ik perverse dingen deed met m’n kind of niet. Of meer bepaald, wat de mening daaromtrent is van de gemiddelde DM-lezer.

Gek genoeg voelde ik me op geen enkele manier persoonlijk aangevallen door dit soort tendentieuze en kortzichtige vraagstelling. Ik werd al evenmin bevangen door een vlaag van onzekere twijfel (“Help, doe ik iets verkeerd?”). Dat heb je met geïnformeerde mensen, die krijg je niet zomaar aan het wankelen. Wat ik wel voelde was irritatie, en nog wel van het scherpste soort.
Gezegend met een analytische geest wil ik bij elke zweem van ergernis meteen graag weten waar de ergernis in kwestie vandaan komt, en wie of wat haar oproept.
Sta me toe eerst even toe te lichten wat het adjectief “pervers” betekent: pervers_per` vers («Frans«Latijn) bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 1 verdorven; 2 verkeerd, tegennatuurlijk, onnatuurlijk; 3 behagen scheppend in abnormale lustbevrediging.
Over naar de poll dus. De Morgen slaat de bal hier op meerdere terreinen grondig mis.
Om te beginnen wordt er vanuit gegaan dat mensen überhaupt een mening dienen te hebben over de persoonlijke keuzes van andere mensen, terwijl dit keuzes betreft die niemand, tenzij henzelf, aangaan en die niemand schade berokkenen.
Ten tweede wordt er door de keuze voor het woord “pervers” al vanuit gegaan dat de mogelijkheid bestaat dat het borstvoeden van een driejarige verdorven, verkeerd, enz... is.
Van een krant, zeker een krant als De Morgen, verwacht ik informatie, geen ongegronde meninkjes allerhande, geen stemmingmakerij.
Ten derde heeft men het blijkbaar niet nodig gevonden om degelijk opzoekwerk te doen over het thema. Ach ja, ook een redacteur heeft vast wat anders te doen op een zondagochtend. Maar mocht men de moeite hebben genomen om een en ander op te zoeken en te lezen over langer borstvoeding geven dan in het Westen gebruikelijk is, dan zou men tot de vaststellling zijn gekomen dat de meerderheid van de moeders ter wereld hun kind jarenlang borstvoeden, heel gewoon, zonder daar al te zeer over na te denken, omdat het normaal is, omdat het kind er wel bij vaart, omdat het makkelijk is, omdat ze nooit wat anders hebben gezien, omdat het volstrekt natuurlijk is. Uitgaan van een opmerkelijk eng wereldbeeld, dat enkel de - vrij recente - moderne westerse cultuur als uitgangspunt neemt, is niet alleen kortzichtig, maar ronduit wereldvreemd.
Ik zou jullie kunnen overstelpen met wetenschappelijk onderzoek en informatie waarin wordt aangetoond dat de natuurlijke speenleeftijd van een mensenkind ergens tussen de 2,5 en de 7 jaar ligt, met een piek rond 3 à 4 jaar. Maar dat hadden jullie gewoon zelf even kunnen opzoeken. Jullie worden daar voor betaald. Ik niet.
Het zal me – om mijn favoriete uitdrukking van bij de noorderburen even te lenen – aan m’n kont roesten wat anderen vinden en denken over hoe ik m’n kinderen opvoed. Maar kunnen we op z’n minst deontologisch en wetenschappelijk correct blijven? Weet u wat pervers is: dat er jaarlijks miljoenen kinderen sterven van de honger. Dat talloze kinderen mishandeld, misbruikt, verhandeld worden. Dat is pervers. De liefdevolle en natuurlijke relatie tussen een moeder en haar kind pervers noemen, dat is perverser dan pervers.

zaterdag 21 april 2012

MOEDERS EN SCHULDGEVOEL, EEN GOUDEN DUO


Vrouwen, in het bijzonder die met kinderen, zijn ontzettend goed in het “zichzelf een schuldgevoel (laten) aanpraten". Om de één of andere, tot nader order ononderzochte reden, blijven de meeste mannen daarvan gespaard.
Hoe krijg je nu zo’n schuldgevoel? Waar komt het vandaan? Waar dient het voor (uitgaande van de optimistische veronderstelling dat alles wel ergens toe dient, op de één of andere manier)? En vooral: hoe raak je er zo snel mogelijk weer vanaf?
Uiteraard willen we allemaal een geweldige, ik corrigeer: “een perfecte moeder” zijn voor onze kroost. Alleen willen de meningen en ideeën over hoe je die perfectie bereikt wel eens verschillen.
Van zodra je zwanger wordt slaat de angst meedogenloos toe: “Ga ik dat wel kunnen? Ga ik een goede moeder zijn? Ga ik dat kind wel graag zien?” enz. Goedbedoelde adviezen en tips vliegen je om de oren. Nog voor de foetus in je buik goed en wel is ingenesteld, moet er al worden gepland, gepiekerd, geflipt: natuurlijke bevalling of epidurale, borst of fles, onthaalmoeder of crèche of meteen maar thuisblijven, buggy x of y, ... elke keuze betekent meteen ook een statement, houdt onontkoombaar een waardeoordeel in. Want wie bewust voor de natuurlijke bevalling kiest, vindt de epidurale bevallers vast watjes die niets over hebben voor hun kind. Wie buggy x koopt ipv buggy y vindt y dus slechter. Wie voor de draagdoek gaat vindt buggies onzin.
Zo is het altijd wat. Alsof het allemaal nog niet moeilijk en verwarrend genoeg is, heeft letterlijk iedereen wel een (al dan niet gefundeerde) mening over al deze vraagstukken, en meent die mening ook te pas en te onpas en vooral ongevraagd te moeten meedelen.
Zodra het wurm in kwestie eindelijk geboren is, worden de keuzes nog verscheurender, want veel concreter: De borstvoeding blijkt niet zomaar vanzelf te verlopen: toch maar overstappen op de fles? Baby-lief slaapt niet door: laten huilen, inbakeren of toch maar lekker bij mama in bed? Ook daarover blijkt iedereen wel een mening te hebben, om ter stelligst. Als je kruimel mee in bed neemt krijg je hem er noooooooit meer uit (iedereen kent blijkbaar talloze pubers die nog elke nacht tussen mama en papa in bed liggen.). Als je hem laat huilen (want bij K&G zeggen ze dat je hem anders verwent) bloedt je moederhart en zit je zelf mee te janken.

Van zodra je moeder wordt, ben je kwetsbaarder dan ooit. Zo’n kind is een achillespees. Objectieve en correcte informatie over ouderschap blijkt bovendien een stuk schaarser en lastiger te vinden dan info over pakweg de opwarming van de aarde. Er blijken strekkingen en tendenzen te bestaan in het ouderschap, gaande van het zogenaamde "natuurlijk ouderschap" over het mainstream opvoeden tot de conditionerende variant van de drie RRR-en (rust, regelmaat, reinheid).

Een van de standaard "schuldgevoelens" bij jonge moeders gaan over "het mislukken van de borstvoeding". Als borstvoedingsdeskundige krijg ik vaak gezeur over me heen omtrent "schuldgevoel". Moeders voelen zich veelal al "aangevallen" omdat iemand anders een andere keuze maakt dan zij. Een vreemde reflex, als je erover nadenkt. Stel (echt gebeurd): je hebt ervoor gekozen om je kind de fles te geven. Je collega die borstvoeding geeft, verschijnt na 3 maanden op het werk met een kolf, en gaat in haar pauzes melk afkolven voor haar baby. Blijkbaar volstaat dat om jou in de verdediging te dwingen. Je begint excuses te verzinnen, uit te leggen waarom je geen borstvoeding geeft, ook al vraagt niemand jou om een verklaring of een toelichting van je keuze. Maar het simpele gegeven dat een vrouw een andere keuze heeft gemaakt, brengt je aan het wankelen. "Zij geeft borstvoeding, dus vindt ze dat vast superieur aan flesvoeding, dus vindt ze jou een minder goede moeder, want jij maakt minder goede keuzes voor je kind."
Je hoeft dus niet eens iets te zeggen of iets te doen om iemand "aan te vallen". Dat gaat helemaal vanzelf, door de keuzes die je maakt. Als je een bepaalde keuze hebt gemaakt, dan is het vervelend om te horen of om tot het besef te komen dat een andere keuze misschien toch beter was geweest. Dan krijg je dus last van cognitieve dissonantie. Ik verklaar: Een gevatte collega-moeder vatte het ooit op een forum van verwante zielen als volgt samen: (Let op, hier volgt een oefening in logica) 1. Borstvoeding is de meest ideale voeding voor een baby. 2. Een goede moeder wi het beste voor haar kind. 3. Je geeft je kind de fles. 4. Oops... Hoe kom je daar nu mee in het reine? Alsnog borstvoeding gaan geven en relacteren? Beetje laat en allesbehalve evident. Je kan ook stelling 2. gaan omdraaien, maar beweren dat een goede moeder NIET echt per se het beste wil voor haar kind, tja, dat gelooft geen mens en jijzelf ook niet. Dan blijft er maar één optie meer over: stelling 1 ontkrachten en beweren dat kunstvoeding net zo goed, zo niet beter is (ook al veeg je daarmee al het wetenschappelijk en ander onderzoek dat deze stelling ondersteunt gemakshalve van tafel). Of je gaat in de verdediging: je roept dat dit soort stellingen kwetsend zijn voor heel veel moeders en dus beter niet geuit worden. Struisvogelstrategie dus: wat ik niet zie of hoor bestaat niet.
Terwijl het allemaal vrij simpel is: moeders maken objectief gezien niet altijd de ideale keuzes voor hun kinderen, maar het zijn meestal wel keuzes die voldoen. Idealen zijn er om na te streven. Ze hoeven niet koste wat kost altijd bereikt te worden. Mensen kunnen niet altijd voor het beste kiezen, maar voldoende is toch prima? Moeten we allemaal per se met grootste onderscheiding afstuderen als master in het moederschap?

Ik denk dat we stiekem allemaal wel weten dat 5 dagen per week van ’s ochtends tot ‘avonds in de crèche zitten ver van ideaal is voor kinderen, dat kinderen idealiter de eerste levensjaren bij mama doorbrengen. Maar we leven nu eenmaal niet meer in stamverband, onze maatschappij is meedogenloos voor ouders en kinderen, en er moet brood op de plank en een dak boven het hoofd worden verdiend. Soms hebben moeders geen keuze. Of ze hebben wel de keuze, maar kiezen bewust voor een comfortabeler levensstijl omdat ze dat belangrijk vinden. Als ze die keuze voor zichzelf hebben afgewogen en daar perfect gelukkig mee zijn, wie kan er hen dan een schuldgevoel aanpraten? De meeste moeders (meer dan 80 % in Belgie) starten met borstvoeding omdat ze best wel weten dat dat de ideale voeding is voor zuigelingen (sorry voor wie de fles geeft of gaf, dat heb ik niet zelf bedacht, maar ontelbare wetenschappers en onderzoekers.), maar als je na een ontstellend falende begeleiding in het ziekenhuis met etterende kloven en jankend van de pijn zit te voeden, er na 2 weken nog geen enkele verbetering merkbaar is en je baby honger lijdt, dan is het niet zo gek dat je al snel naar die verlossende fles grijpt. Als je na een schamele 3 maanden thuis met je nieuwe baby alweer aan het werk moet, terwijl je nachten om de twee uur worden onderbroken, je lijf nog maanden nodig heeft om te recupereren, je baas al kregelig wordt van het woord "kolfrecht" en de onthaalmoeder die je op de valreep vond al weken zeurt dat ze niet van plan is om je flesweigeraar met een lepeltje te gaan voeden, dan is het niet zo vreemd dat je overstapt op de fles.
Vanwaar dan toch die reflex om in de de verdediging te schieten tegen de moeders die wel fluitend het kolfhok in en uit huppelen?

Kunnen we onze ergernis niet eens richten tot het beleid in de ziekenhuizen en in de consultatiebureaus, dat gaat van ronduit beschamend ondermaats tot aggressief opdringerig, maar zo zelden gewoon ondersteunt, motiveert en informeert?
Elke moeder die het beste heeft gedaan wat binnen haar mogelijkheden lag, die de keuzes heeft gemaakt die ze op dat moment kon maken met de informatie en de opties die ze tot haar beschikking had, zou daarmee in het reine moeten zijn. Die hoeft zich nergens door aangevallen te voelen, zich niet schuldig te voelen. En heb je niet je best gedaan? Heb je keuzes gemaakt zonder je goed te informeren, zonder je kritische geest te gebruiken of enkel “voor het gemak”? Wel dan...jammer dat je je schuldig voelt, maar volgende keer (volgende kind) beter dan maar. Niet pruilen, hop naar de volgende levensles. Wedden dat er zich iemand "aangevallen" of "schuldig" gaat voelen door dit stukje?

zondag 4 maart 2012

cupcakes en ambitie

Bijna internationale vrouwendag. En naar aloude gewoonte leest een mens wel eens wat over feminisme en genderkwesties in de pers. Een thema dat onze aandacht verdient, bij voorkeur het hele jaar door, maar bon, daarover hoort u me vandaag niet zeuren.
Met licht gespannen verwachting begon ik aan het het stuk van en met Gita Deneckere in DSMagazine. Mevrouw Deneckere is hoogleraar sociale en publieksgeschiedenis aan de UG. Een vrouw van de wereld dus, zou u denken.
Helaas wist mevrouw Deneckere opmerkelijk weinig zinnigs te vertellen over feminisme anno 2012. Veel verder dan wat gemeenplaatsen alla “Sommige vrouwen bakken liever cupcakes dan te bouwen aan een carrière.”. raakte ze niet. Oh ja, dat de vrouwenstrijd op wereldschaal bekeken moet worden en dat er nog veel onrecht tegen vrouwen te bestrijden valt. Tja, daar waren we zelf ook al eens opgekomen.

Maar wat is het in vredesnaam met die cupcakes dat sommige feministes zo hoog de (vooral niet zelfgenaaide) gordijnen in jaagt?
En vooral: waarom ontbreekt het zoveel feministes aan de nodige verbeelding om te begrijpen wat vrouwen drijft?
Als er één iets duidelijk blijkt uit wat mevrouw Deneckere vertelt, dan is dat volgens mij dat ze geen flauw benul heeft van hoe de gemiddelde vrouw denkt, wat ze wilt, wat ze belangrijk vindt.

Het stuk opent met de prangende vraag “Waar strijden feministes vandaag voor?” Welnu, vrouwen stoten blijkbaar niet door naar topfuncties. Dat nieuws kunnen we bezwaarlijk “heet van de naald” noemen. Het beruchte glazen plafond is zo oud als de vrouwenstrijd zelf. Maar op de vraag “Wat houdt hen tegen?” krijgen we alweer en helaas geen genuanceerd en diepgravend antwoord. Volgens Deneckere bekleden vrouwen geen topfuncties omdat ze worden tegengehouden door de heersende machocultuur, omdat ze bang zijn dat hun kinderwens hun carrière in gedrang brengt én...(tromgeroffel)...omdat ze liever cupcakes bakken. En wat erger is: op die manier houden die luie en leeghoofdige loeders de klassieke rolpatronen in stand. Zucht. Niet alleen lui en dom dus, maar een regelrecht gevaar voor de feministische strijd. En zo tonen vrouwen zich eens te meer mekaars ergste en wreedste vijand.
“Topfuncties” zijn dus het ultieme doel van iedere rechtgeaarde feministe. Wie geen topfunctie heeft, die loopt dus tegen dat glazen plafond aan of is gewoon lui. Of dom (maar dat wordt uiteraard niet gezegd, dat zou dan weer niet deontologisch zijn). Geen ander en heiliger doel dan de topfunctie. Geen efficienter manier om jezelf geestelijk te ontplooïen. Geen doeltreffender manier om bij te dragen aan onze samenleving. Iedereen weet toch dat ceo’s van banken en overheidsbedrijven deze functies louter en alleen ambieren om zich geestelijk te ontplooiën en om zich ten dienste te stellen van onze maatschappij. Ontroerend toch, zoveel diepgang en altruisme? Merken we niet dagelijks hoeveel beter onze samenleving is geworden van al die “topfuncties”?

Maar goed, hoe combineer je zo’n gewilde en noodzakelijke topfunctie met een nest kinders?
Aankaarten dat er weinig begrip is voor vrouwen met een gezin ... om dan in één adem doodleuk te vertellen dat ze zichzelf genoodzaakt zag om een wetenschappelijk artikel te schrijven toen ze net thuiskwam van de kraamkliniek met een pasgeboren baby. Tja. Daar help je vrouwen écht mee verder, met zo’n houding. Hoe triest als vrouwen in hun kraamweek aan de slag moeten om die zogenaamde “topfuncties” te kunnen en mogen ambieren. Zou u niet beter daartegen ten strijde trekken, beste mevrouw? U bent vast op de hoogte van het feit dat Scandinavische vrouwen van een bevallingsverlof genieten dat maar liefst 3 x zolang is als dat van hun Belgische zusters. Toch staan de Scandinavische landen geboekstaafd als de meest geëmancipeerde en zijn er nergens zoveel vrouwen voltijds aan de slag. Dat heeft alles te maken met de heersende mentaliteit die respect heeft voor het gezin en de noden van het kind én die vrouwen niet benadeelt omdat en nadat ze nu eenmaal kinderen krijgen.
Als de machocultuur en het gebrek aan begrip voor de noden van een gezin vrouwen remt, zouden we dan niet beter een poging doen om die cultuur en mentaliteit te wijzigen? In plaats van u druk te maken over vrouwen die andere, persoonlijke, en vaak gezinsvriendelijke keuzes maken omdat ze niet langer bereid zijn als hamsters in een rad rond te draaien...zou u uw pijlen niet beter richten op een wetgeving die vrouwen 16 weken na de geboorte van hun kind weer aan het werk dwingt, ook al is al lang bewezen dat een vrouwenlichaam een jaar nodig heeft om volledig te herstellen van een zwangerschap en bevalling? Zou u niet beter ten strijde trekken tegen een arbeidscultuur die over de noden van gezin en familie heenwalst? Wedden dat dat heel wat vrouwen zou helpen in hun persoonlijke ambities en aspiraties?

Volgens mij ziet u iets belangrijks over het hoofd. Namelijk dat het soort vrouwen dat u schijnt te vertegenwoordigen een minderheid uitmaakt. Of dacht u dat onze maatschappij voornamelijk bestaat uit academici, politici en ceo’s? U gaat lompweg voorbij aan het eenvoudige feit dat de doorsnee vrouw een bediende of een arbeidster is die werkt om den brode, bepaald niet bezig is met haar “zelfontplooïng” (het mantra van deze tijd) en al lang blij is als ze er überhaupt in slaagt haar kinderen op tijd van school te halen en degelijke nieuwe schoenen kan kopen wanneer de oude versleten zijn.
U beweert dat het niet onmogelijk is om gezin en carrière te combineren, mits een goede planning en hard werk. Vertelt u dat ook aan mensen die zich geen nanny kunnen veroorloven en die geen familiaal netwerk hebben om op terug te vallen? Aan de alleenstaande moeder (een groep die jaarlijks toeneemt en een groot aandeel van de nieuwe armen in ons land vertegenwoordig) die zich te pletter werkt om haar gezin een dak boven het hoofd te bieden? Aan de kassierster van de supermarkt? De onthaalmoeder die dagelijks kinderen opvangt van andere vrouwen maar haar eigen krooost nauwelijks te zien krijgt? Dat ze maar wat harder moet werken als ze een “carrière” wilt? Dat ze maar wat beter moet leren plannen? Dacht u werkelijk dat deze vrouwen bezig zijn met hun persoonlijke ontplooïng en intellectuele ontwikkeling? Dacht u niet dat zij andere dingen aan hun vermoeide hoofd hebben dan cupcakes en quality time?

Als vrouwen ervoor kiezen om deeltijds te gaan werken na de geboorte van hun kind(eren), dan noemt u dat “subjectieve factoren die niet zouden mogen doorwegen.”. Nu breekt mijn klomp. Ik mag het intens hopen, dat mijn kinderen “subjectieve factoren” zijn. Het zijn namelijk geen beursberichten of onderzoeksresultaten, maar levende individuen die ik samen met m’n partner bewust op de wereld heb gezet, dus enig verantwoordelijkheidsgevoel en – oh hoe triviaal en frivool – een dosis ouderliefde lijkt me op z’n plaats. Deze “subjectieve factoren” zouden dus niet zouden mogen doorwegen. Van wie niet? Waarom niet? Bepaalt u dat voor anderen, wat er wel en niet mag doorwegen in hun persoonlijke keuzes? Over betutteling gesproken.
U vergeet ook dat diezelfde kinderen die we per se willen geen accessoires zijn, maar levende wezens met noden en behoeften. Fijn hoor, vrouwenrechten, ik ben helemaal voor. Maar kinderen hebben ook rechten. Een liefdevolle opvoeding en wat aandacht lijken me een basisrecht. Ik vraag me af of kleuterinternaten en nanny’s aan dat soort basisrechten tegemoet komen, maar soit, ik dwaal af en sowieso mag ik dat allemaal niet luidop zeggen want wie daarover maalt is ouderwets, rechts en antifeministisch.
Ik vraag me wel eens af waarom we ze willen, die kinderen, als ze dan toch zo’n juk en last zijn, als ze ons intellectuele ontwikkeling in de kiem smoren en onze zelfontplooïng in de weg staan. Wat een verademing zou het zijn om eens te lezen dat kinderen krijgen een geweldig voorrecht is, dat het je rijker maakt als mens, dat het boeiend en leerrijk is en je ontplooïng net een geweldige boost kan geven. Zijn kinderen altijd leuk en makkelijk? Allesbehalve. Maar ze zijn een keuze en hebben ons als persoon en als samenleving ook zo veel te bieden. Ik snap ze niet, de feministes die een argeloos kind waar ze nota bene zelf voor kiezen als een soort aartsvijand van de vrouwenstrijd blijven beschouwen. Als er één iets is wat we hebben verkregen (mede of zelfs vooral dankzij het lucratieve aspect voor de farmaceutische industrie, maar kom), dan is dat dat we zelf verantwoordelijk kunnen zijn voor onze vruchtbaarheid en gezinsplanning. Wie geen kind wilt, die hoeft er dus gewoon geen te nemen. Wie er wel wilt heeft bij voorkeur realistische verwachtingen en relativeringszin en deelt de zorg met haar partner op de manier die best bij hun gezin past. Dus kunnen we eindelijk ophouden met dat idiote gezeur over die vervelende kinderen die onze carrière in de weg staan?

Als hoogleraar sociale en publieksgeschiedenis moet u toch al gemerkt hebben dat onze samenleving een ernstige crisis doormaakt. Een crisis die niet zuiver economisch is, maar ook ideologisch, die alle lagen en aspecten van onze maatschappij aantast. De vrije markt en het kapitalisme liggen onder vuur. Mensen protesteren, revolteren. Sommigen luid, anderen haast onmerkbaar. Dat doen ze onder meer door niet langer mee te draaien in de race, door niet langer te doen wat van hen wordt verwacht. Als u als hoogleraar niet ziet welke rebellie er vaak schuilt achter de keuzes van veel van de vrouwen die u zo misprijst, dan wordt het tijd eens uit uw boeken op te kijken. Is het al bij u opgekomen dat er mensen zijn die niet langer een radar wensen te zijn in een systeem waarin ze niet meer geloven, dat hen doet walgen, dat hun leven verarmt ipv verrijkt? Dat het concept “carrière” heel wat mensen, vrouwen én mannen, hoe langer hoe minder zegt? Dat heel wat mensen zich gegijzeld voelen door de vrije markt-economie en de prestatiemaatschappij? Dat “topfuncties” hen eenvoudigweg geen zak interesseren? Vrouwen trekken zich dus niet terug omdat ze denken dat alles bereikt is, maar omdat ze bewust kiezen voor andere waarden dan economische. Al dat niet onvoogd is.

Het zou u geweldig sieren en uw blik aanzienlijk verruimen om eens van uw pluchen toren neder te dalen en om u heen te kijken. Om eens te luisteren naar hoe mensen, en dus ook vrouwen leven, wat hen bezighoudt en wat ze nodig hebben.
Of lees eens een boek, als u daar tijd voor hebt. Ik kan u ten zeerste het werk aanraden van politiek ecoloog André Gorz, of van andere mensen met een maatschappijbeeld dat wél het belang inziet van tijd voor gezin en familie, dat niet uitgaat van werk als sleutel en inzet van een samenleving, maar als middel om tot een betere, duurzame en hechtere samenleving te komen. Want die steriele en kille maatschappij die u schetst en ambieert, daar wensen velen niet in te leven, met of zonder cupcakes.
U onderschat vrouwen als u pretendeert dat ze geen ambities hebben, alleen omdat het andere ambities zijn dan de uwe.

vrijdag 10 februari 2012

Waar is de schakelaar?

Ik heb een reputatie. Nu komen reputaties in soorten, maten en gewichten. Ik wil het hier enkel hebben over mijn reputatie als wervelwind, energieke tante, mevrouwtje-doet-het-al. Al mijn andere bedenkelijke ondertitels behandelen we later wel eens, indien en wanneer de nood zich voordoet. Op één of andere manier blijk ik mensen de indruk te geven dat ik barst, bruis, zelfs overloop van de energie en de daadkracht. Er is altijd wel ergens een "project" dat in de steigers moet worden gezet, want oh zo waardevol, boeiend, noodzakelijk. Altijd en alom zijn er mensen en plannen die mijn onverdroten inzet kunnen gebruiken. Op elke straathoek zie ik wel iets aardigs gebeuren dat mijns inziens beter, efficienter, anders kan, nee moet. Op zich niks mis mee, met dat soort tomeloze dadendrang...de mijne heeft al menig medemens en zelfs mezelf zo nu en dan een dienst bewezen.
Maar helaas komt dit soort dadendrang niet in een voordeelpakket, samen met lucratief denken, een gezonde dosis egoïsme en het vermogen om elk deelgebied van je leven een deelgebied van je hersens toe te wijzen, kwestie van focusversnippering te vermijden.
En dus ging deze week zomaar ineens mijn licht uit. Boenk. Had ik mijn factuur niet betaald? Deed de schakelaar het niet? Het werd pikdonker in mijn hoofd. Mijn gewrichten kreunden en kraakten. En ergens in mijn zere lijf moest een lek zitten langswaar elk restant energie sissend en sluipend naar buiten vluchtte.
Mijn huisarts was blij mij na jaren nog eens te zien. De vreugde van het weerzien was wederzijds. Na grondig, maar eenvoudig onderzoek zou de brave man me rustig en kordaat vertellen welk syndroom het mijne was en welke pil/prik/kuur er diende ingezet te worden teneinde deze hoogst irritante en onwelgekomen lethargie te bestrijden.
Niet dus. "Rusten. Je bent oververmoeid." Moest ik daar 36 Euro voor neertellen, voor dit soort vage en waardeloze diagnose? En rusten...hoe deed je dat? En hoe lang? En wie zou er intussen mijn leerlingen animeren, onze school runnen en bemannen, borstvoedende moeders in nood redden, kinderverzorgsters en ouders een draagdoek leren knopen, mijn huishouden bestieren, mijn kinderen toebrullen of ze nu aub zouden willen ophouden met elkaar te jennen, zich druk maken over wat er allemaal misgaat in de wereld? De huisarts?
Enfin, om een lang verhaal kort te maken: mijn leerlingen hebben mij naar alle waarschijnlijkheid niet gemist, onze school staat nog overeind, de moeders met tepelkloven en slecht groeiende babies hebben hulpvaardige collega's gevonden om hen uit de nood te helpen, mijn kinderen jennen elkaar net zoveel als vorige week en de wereld draait nog steeds vierkant. Over mijn huishouden zwijg ik wijselijk, maar dat is dan ook van ondergeschikt belang. Mijn man, arme, maar onvermoeibare strijder, blijft dapper overeind en ziet mijn lusteloosheid en deemoed geduldig aan, baken in de branding.
Om maar te zeggen: als het licht uitgaat is het niet geheel onverstandig om een tijdje in het donker te blijven zitten...voor je het weet wennen je ogen aan het duister en krijgt je dolgedraaide brein even rust.
Als het licht weer aangaat bent u de eerste die het hoort, beloofd.

zaterdag 28 januari 2012

Waarom? Daarom (dan toch).

Waarom? Daarom?

Ik staak maandag. Daarzie, ik durf het zeggen. Niet cool? Conservatief? Onverantwoordelijk? Tja... Het zal me worst wezen. Maar sta me toe mijn laattijdige beslissing even toe te lichten.

Met stijgende verbazing heb ik de debatten en de berichtgeving gevolgd over de “algemene” staking van 30 jan. Eerlijk, ik was helemaal niet van plan om te staken. Niet dat ik geen begrip kon opbrengen voor de verzuchtingen en zorgen van de vakbonden en de stakingsadepten. Je bent een kind uit een vakbondsnest of je bent het niet. Maar ik zag en zie staken niet langer als het meest efficiente drukkingsmiddel en volg de twijfels over de timing van en de communicatie rond deze staking. Twee jaar langer werken leek me in eerste instantie ook helemaal geen drama. Een storm in een glas water. Maar toen besloot ik het hele debat van wat nader te gaan volgen...en schrok ik me rot.

Wat me me meteen verbaasde en mateloos irriteert is de aggressieve toon van het hele debat.
Er wordt ons een generatiekloof aangepraat die er naar alle waarschijnlijkheid niet is. Er moet en zal gepolariseerd worden. Zogenaamd verantwoordelijke burgers staan met getrokken messen tegenover onverantwoorde kortzichtigen. Die arme nietsvermoedende babyboomers krijgen een hoop drek over zich heen. Het is allemaal hun schuld dat de jongere generatie het zoveel lastiger zal hebben. Het bestaansrecht van de vakbonden, ooit toch de bondgenoten van de brave, ploeterende werkmensch, wordt in twijfel getrokken. De overheid en de bedrijfswereld stonden erbij en keek ernaar...en slaakten af en toe een bemoedigend kreetje om de antistakingtroepen aan te moedigen. Zelfs uit zogenaamd sociaal-progressieve hoek klonk afkeurende taal.
Wederzijds begrip en respect waren en zijn nergens te bespeuren. Een hallucinant schouwspel.

De vraag die mij al die tijd in de greep hield bleef onbeantwoord: Hoe zijn we hier in vredesnaam beland?

Laten we eens kijken naar de ware aanleiding van al het tumult: de crisis en wat we ermee moeten of vooral niet moeten.

1. Er heerst crisis. Niet alleen hier, maar zowat overal in de westerse wereld. Economische crisis betekent strikt genomen “schaarste”. Als er schaarste is betekent dat dat er geen geld genoeg is voor bepaalde dingen. Welke dingen? Tja. Dat is een kwestie van prioriteiten, me dunkt. Nu vraag ik me ook af of die schaarste er werkelijk is. Ik lees her en der in betrouwbare bronnen dat miljardenbedrijven de afgelopen jaren massaal winst boekten. Nu ben ik geen econoom, maar is het naïef om ons af te vragen waar al die winsten dan naartoe zijn? En of het wel eerlijk is om van een economische crisis te spreken als enkel de onderste lagen van de maatschappelijke piramide geraakt worden?
Als ik me niet vergis werd ons sociale stelsel ingevoerd kort na WOII. Intussen is de welvaart ongeveer vervijfvoudigd. Maar er is zogenaamd geen geld om dat sociale stelsel in stand te houden. Ik ben sceptisch.

2. Het hele debat gaat over economische noden en motieven. De burger wil meer koopkracht, de bedrijven en de overheid willen economische groei. Is dat werkelijk wat onze samenleving nodig heeft...nog meer groei? Denken we dan werkelijk dat we tot in het oneindige kunnen groeien? Wie moet en zal er baat hebben van die groei? Hoe gaan we ervoor zorgen dat de extra’s daar belanden waar ze het hardst nodig zijn? Of blijven we het normaal vinden dat een eenoudergezin meer belastingen betaalt dan een miljardenbedrijf? Enne...hoezo meer koopkracht? Om wat te kopen? Nog een flatscreen? Nog een suv? Is het dan zo dwaas om te bedenken dat er misschien grenzen zijn aan het dwangmatige consumptiegedrag van de middenklasse? Wat met duurzaamheid en de zorgwekkende gevolgen van al dat hyperconsumeren op ons leefmilieu? Voor wie op en onder de armoedegrens leeft is koopkracht overigens een leeg en cynisch begrip.
Ik hoor te pas en te onpas dat Duitsland zo’n voorbeeldfunctie heeft op het gebied van economisch beleid. Over de hele legers armen die er intussen dagelijks aangroeien, daarover geen woord. Dat mensen er 2 jobs hebben om te kunnen overleven, o.a. bij gebrek aan een minimumloon, dat is een detail.

3. Voor de historici onder ons: economische recessie is een steeds terugkerend fenomeen. Na de recessie volgt er weer groei. Enz. Het is nooit anders geweest. Wat baat het om nu snel wat ingrijpende langetermijnoplossingen in te voeren om een crisis te bestrijden die binnen een paar jaar waarschijnlijk van de baan is? Paniek is zelden een goede raadgever.

4. Die zogenaamd broodnodige economische groei kan blijkbaar enkel verwezenlijkt worden als iedereen een betaalde baan heeft en houdt. Nu meen ik toch begrepen te hebben dat onze maatschappij massaal vergrijst. En dat de wachtlijsten in de zorgsector steeds langer worden. Een plekje vinden in een zorgtehuis is haast onbegonnen werk. Degelijk en voldoende personeel vinden om dit gestaag groeiende leger bejaarden te verzorgen is blijkbaar al even heikel. Dat laatste geldt evenzeer voor de kinderzorg; Een plekje in de kinderopvang dient gereserveerd te worden nog voor de conceptie.
Als iedereen massaal aan het werk moet, wie gaat er dan voor de kinderen en ouderen zorgen waarvoor er overduidelijk niet genoeg plaats is in de zorgsector? Getuigt het niet van een zorgwekkende onverschilligheid om uit te gaan van een socio-economisch model dat zijn kwestbaarste leden onderbrengt in tehuizen en opvangcentra? Ons land staat onderaan de Europese lijst wat zwangerschapsverlof betreft. Het tijdkrediet dat mensen in staat stelt om voor zieke ouders of kinderen te zorgen staat momenteel ter discussie.
Wat evenvaak vergeten wordt: de leefbaarheid van dit land is deels te danken aan talloze vrijwilligers die maatschappelijk relevant, maar onbezoldigd werk uitvoeren. Werk dat anders gewoon niet gebeurt, want economisch niet valabel.
Als we met z’n allen massaal en zo lang mogelijk voltijds aan het werk gaan, dan is er geen ruimte meer voor sociaal engagement, voor familiezorg, voor opvoeding, voor levenskwaliteit tout court. Ben ik de enige die dat soort steriele en economisch gestuurde samenleving een weinig opbeurend vooruitzicht vind? Welvaart of welzijn? Wat zal het zijn?
Wat niet in geld kan worden uitgedrukt heeft blijkbaar geen waarde...tot we het zonder moeten stellen?

Is het de taak van de vakbonden om zichzelf in vraag te stellen en opnieuw uit te vinden? Om constructief mee te zoeken naar creatieve en duurzame oplossingen? Om te durven afwijken van het uitgeholde anti-patronaatsdiscours? Jazeker.
Maar kunnen we het aub eens zijn over de noodzaak van sociale partners die ertoe doen? Of willen we terug naar af?
Het is de taak van overheid en bedrijfswereld om te streven naar en te ijveren voor een structureel andere verdeling van de welvaart ipv te roepen dat het geld op is terwijl er wraakroepende winsten worden vergaard en ceo’s zichzelf hallucinante bonussen uitkeren.
Het is de taak van elke mondige burger om mee te denken over en open te staan voor een ander maatschappijbeeld. Om de bereidheid te tonen om anders te gaan denken en leven. Want laat ons wel wezen: deze crisis is niet louter een economische. Maar ook een sociale, een maatschappelijke, een ideologische, een culturele en een ecologische. Met wat economische ingrepen hier en daar gaan we het niet redden.
Staken een druppel op een hete plaat? Misschien wel. Maar niet als je iets nuttigs doet met de extra tijd die op die manier vrijkomt: breng eens tijd door met je kinderen, bezoek een ziek familielid of vriend, doe geheel vrijwillig iets voor iemand anders, koop eens helemaal niets...of ga het debat aan, waar en met wie dan ook.

woensdag 5 oktober 2011

hippe cupcakes

Je vraagt je wel eens af waarom je het hebt, zo'n krantenabonnement, in tijden van eindeloze regeringsvormingen en tenenkrommende assisenprocessen. Maar zo nu en dan wordt je ontbijt verblijd met een stukje dat je even doet stoppen met kauwen op de rodevruchtenmuesli.
Ondergetekende stond een paar weken geleden in al haar (weliswaar aangeklede, geen paniek) glorie in de krant als intelligente, hoogopgeleide vrouw zonder ambitie, een titel waar ik nog over twijfel en die mijns inziens de lading, mijn lading dus, niet geheel en accuraat dekt. Maar soit, desalniettemin was het een fijn stukje, dat stof tot nadenken bood en de dames die men voor de kar had weten spannen nergens in hun (economisch waardeloze) waarde aantastte. Al heel wat tegenwoordig.

Eva Berghmans werkt bij een uitgeverij en heeft een column in diezelfde krant. Drukdrukdruk dus, het leven van deze dame. Maar in haar maatschappeljke relevantie en bezigheid niet te beroerd om het concept cupcakebakkende thuisblijfbabe even op de korrel te nemen. Even tussendoor, maar geheel voor alle duidelijkheid: ik heb niks met cupcakes. Als ik iets bak, dan is dat iets stevigs met chocolade, citroen of noten en vooral zonder weerzinwekkend pastelkleurig glazuur. Maar dit geheel terzijde. Volgens Eva Berghmans staan cupcakes symbool voor een belegen vrouwbeeld. Ha! Daar heeft u niet van terug, he? Dat een schijnbaar onschuldig en weerloos iets als een roze of gele, hapklare cupcake niet gewoon hip blijkt te zijn, maar veeleer vorm geeft aan een angstaanjagend kwalijke trend: de jaren '50 huissloor is terug!

"Vanuit je hippe huiselijke cocon zul je weinig impact hebben op de maatschappelijke structuren." stelt mevr. Berghmans stellig. Geen idee over welke hippe, huiselijke cocon ze het heeft, maar de mijne is het alvast niet. Met één enkel inkomen is er geen geld voor hip designmeubilair, zonder poetsvrouw en met een stel stormrammen van kinders in huis durft het met de huiselijkheid ook al lelijk tegenvallen. Maar de essentie van de quote: wie geen betaalde baan heeft, heeft geen impact op de maatschappelijke structuren. Daarzie. Een verwijt om u tegen te zeggen. Toch voor wie zoals ikzelf uit een sociaal nest komt, waar maatschappij en solidariteit altijd hoog in het vaandel hebben gestaan.
Wat een verspilling van talent. Hoe egoïstisch en asociaal van deze vrouwen om al hun onmisbare talenten en vaardigheden zomaar schaamteloos voor zichzelf en hun kroost te reserveren.

Nu moet ik altijd eens lachen als ik lees dat al die bakkende, naaiende, tuinierende huismoeders (waar, oh waar verstoppen ze zich, want ik ken er amper een handvol!?) ons maatschappijbeeld sluipenderwijs bedreigen. Terwijl hun mannen de wereld redden zitten zij thuis, nietsvermoedend cupcakes te bakken. Alweer even voor de duidelijkheid: mijn man redt de wereld niet. Hij organiseert alternatieve rock- en popconcerten. Aardig? Jazeker. Nuttig? Geen idee, maar als muziekfan vind ik van wel. Van levensbelang? Laten we het erop houden dat de meningen daaromtrent verdeeld zijn.
Laat ik even een rondvraagje doen: hoeveel mensen kent u met een maatschappelijk relevante baan of bezigheid? De CEO van Dexia? De jolige tv-kok? De voetbalverslaggever? De vastgoedmakelaar? De talloze opgejaagde bedienden die dagelijks onze snelwegen doen dichtslibben op weg naar hun baan als sales manager in de hoofdstad?
Hoe zit het nu echt met de maatschappelijke relevantie van de gemiddelde job van de doorsnee Vlaming? Zullen we daar eens een onderzoekje naar gooien? Het resultaat zou wel eens, net als de zomer dit jaar, flink kunnen tegenvallen. Tenzij we willen beweren dat het creëren en bevredigen van een schier eindeloos vat consumentenbehoeftes van de hoogste maatschappelijke relevantie is. Of het runnen van een fitnessclub voor overwerkte managers, het schrijven over de nieuwste modetrends, het invullen van andermans belastingformulieren, ... Ik noem maar wat. Hoeveel van alle betaalde jobs durven we echt en eerlijk maatschappelijk relevant noemen? En als het moet gaan over de impact die een individu heeft op de maatschappelijke structuren, sta me dan toe even ongeneerd in m'n vuistje te lachen. Welke impact heeft de gemiddelde hoogopgeleide dan wel op onze structuren? Zelfs diegenen die in deze structuren zetelen, die er zelf deel van uitmaken, blijken er bitter weinig impact op te hebben, als ik de media durf en mag geloven.

Verder is het Eva Berghmans blijkbaar ontgaan dat er in Vlaanderen een imposant leger van vrijwilligers rondloopt, bestaande uit gepensioneerden, deeltijds werkenden, ongeneeslijke altruïsten en ... jawel ... mensen zonder betaalde baan. Zullen we de maatschappelijke relevantie van het vrijwilligerswerk in Vlaanderen eens onder de loep nemen, nu we toch bezig zijn? Buurtwerk, integratie, ecologie, sociale cohesie, palliatieve zorg, ... het is slechts een greep uit het aanbod. Maatschappelijk irrelevant? Ik dacht het niet, nee. Maar wel onbezoldigd. Uitgevoerd door onder meer diezelfde "verwende prinsesjes" (zo misprijzend genoemd door journaliste Elma Drayer).

Kan er ook eens iemand mij uitleggen waarom ik maatschappelijk relevant bezig ben wanneer ik andermans kinderen opvoed en niet wanneer ik hetzelfde doe met mijn eigen kroost? Waarom kinderen opvoeden überhaupt niet relevant zou zijn? En vertel mij dan en passant wie er bedacht heeft dat je daar je hersens en talenten niet bij zou benutten. Iemand die nooit langer dan 24u na mekaar een kind van dichtbij heeft gezien?

Maar ik maak me druk, en dat is niet hip en huiselijk en het past al helemaal niet bij m'n interieur, dus laten we afronden.
Het bewust kiezen voor andere prioriteiten dan status, geld en een bedenkelijk soort identiteit (ik ben mijn job) lijkt me maatschappelijk net heel erg relevant, als blijkt dat journalisten allerhande, toch de graadmeters van wat relevant en opmerkelijk is, er artikels en columns aan menen te moeten wijden. En laat mij nu in alle rust en irrelevantie mijn vrijwilligerswerk doen en m'n kinderen leren dat ze lief moeten zijn voor anderen. Voor cupcakes bakken heb ik vooralsnog geen tijd.

vrijdag 13 mei 2011

ONDERWIJS ENZO

ONDERWIJS

Onlangs vertelde een collega-leerkracht me over de schoolervaringen van haar zevenjarige zoontje. Het kind blijkt nu al aan de hippe en virale ziekte ‘schoolmoeheid’ te lijden en sleept zich door het schooljaar heen met behulp van een aftelkalender, waarop hij elke avond met een onfatsoenlijk dikke en onuitwisbare zwarte stift een schooldag mag doorstrepen. We hebben het hier over een kind in het eerste leerjaar basisonderwijs. Als ik goed kan rekenen (er zijn redenen om daaraan te twijfelen, maar goed) heeft dat kind na dit schooljaar nog minstens elf jaar onderwijs te gaan voor hij uit z’n lijden wordt verlost...uitgaande van de boude veronderstelling dat niemand op het idee komt om hem een jaar van deze martelgang te laten overdoen, een geijkte strategie in ons land als ik de krant van vorige week dinsdag mag geloven (ons land scoort fenomenaal wat het aantal zittenblijvers betreft).
Het verhaal op zich raakte me, als moeder van twee kinderen. Ik kan niet anders dan meeleven met het arme kind. Je zal maar elke dag van je jeugdige leven doorbrengen op een plek en een manier waar je structureel ongelukkig van wordt. Maar wat me misschien nog het meest schokt in dergelijke gevallen zijn de reacties en meningen van grootouders, leraars, directies, buren en complete buitenstaanders, geen van allen gehinderd door enige empathie of respect voor het kind in kwestie. ‘Tja, dat hoort erbij’. ‘Hij/zij moet niet zo flauw doen.’ ‘Ze moeten zich maar leren aanpassen.’, enz...
Ik dacht meteen aan alle andere kinderen en jongeren in een vergelijkbare situatie. Mijn oudste neef is een onweerstaanbare, slimme, aardige en empathische knul van zestien. Niks mis mee, fijne kerel, hart van goud, intelligent, enz. Niettegenstaande al deze kwaliteiten zal hij dit schooljaar waarschijnlijk nog eens dunnetjes mogen overdoen aangezien hij ergens halverwege het schooljaar tot het besluit kwam dat het hem allemaal geen bal meer interesseerde, als het dat al ooit had gedaan. Is hij een uitzondering? Behoort hij tot een minderheid van weerbarstige en onaangepaste jongeren? De praktijk wijst m.i. in de richting van het tegendeel.
Tik voor de aardigheid eens ‘onderwijs’ in op de website van eender welke krant. De koppen die prompt opduiken als resultaat van je zoektocht zijn weing opbeurend. Een wilde greep uit het aanbod:

Uit een onderzoek van Jongeren en Gezondheid blijkt dat 7,5 procent van de 17-en 18-jarigen één keer per maand spijbelt.

Ruim 60 procent van de tieners heeft ooit te maken met schoolmoeheid. Ze zijn dan onverschillig tegenover al wat met onderwijs te maken heeft. Na gedragsproblemen zijn conflicten over de leerhouding de belangrijkste bron van problemen tussen jongeren, hun ouders en de school
Bijna 4.800 leerlingen zijn per schooljaar meer dan dertig halve dagen afwezig. Het aantal problematische spijbelaars is het vorige schooljaar toegenomen met 15 procent, of ongeveer 630 leerlingen. Dat blijkt uit cijfers van de Vlaamse minister van Onderwijs.

“Drie à vier kinderen per klas aan de rilatine

Gemiddeld drie of vier Vlaamse kinderen per klas die maandag de schoolbanken opzochten, hadden 's morgens het medicijn Rilatine geslikt. Rilatine werkt succesvol bij hyperkinetische of ADHD-kinderen, maar wordt ook meer en meer voorgeschreven als 'leerpil' voor kinderen die slecht meekunnen.”

“Recordaantal leerlingen van school gestuurd

BRUSSEL - Vorig schooljaar werden 1.531 leerlingen na een tuchtprocedure van school gestuurd. Dat is de helft meer in amper vier jaar. 150 van hen vinden geen nieuwe school meer.”

“Vier op de vijf jongeren gaan niet graag naar school

Slechts een op de vijf Belgische jongeren (21,6 procent) verklaart graag naar school te gaan. Dat blijkt uit een enquête van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bij 11-, 13- en 15-jarigen, zo melden de kranten van de groep Sud Presse.”

“Opnieuw meer spijbelaars ondanks spijbelactieplan
Ondanks het spijbelactieplan dat de Vlaamse regering in 2006 lanceerde, blijft het aantal geregistreerde spijbelaars jaar na jaar toenemen.”
"1 op 7 jongeren behaalt geen diploma secundair onderwijs

Zowat 180 jongeren en vertegenwoordigers van jeugdorganisaties uit Brussel en andere Europese hoofdsteden hebben op de Urban Youth and Europe Day gedebatteerd over hun noden, wensen en dromen met politici. Bij de start legde minister Pascal Smet (sp.a) nog eens de nadruk op het belang van onderwijs want in Vlaanderen en Brussel haalt 1 op 7 jongeren geen diploma secundair onderwijs.
Het aantal jongeren dat tweedekansonderwijs volgt, is op twintig jaar tijd explosief gestegen. Terwijl in 1988 slechts 0,8 procent van de leerlingen jonger was dan 21, is dat nu al 46 procent.

Het tweedekansonderwijs was oorspronkelijk bedoeld voor oudere mensen zonder diploma van het secundair onderwijs, om hen de kans te geven om toch nog dat diploma te halen. Tegenwoordig volgen ook veel jongeren dat type onderwijs. Vaak gaat het om zittenblijvers die zonder diploma het secundair onderwijs hebben verlaten.

“Vlaamse Studenten zijn intolerant

Het onderwijs in Vlaanderen scoort in vergelijking met andere Europese landen slecht op het aanleren van democratische en maatschappelijke attitudes. Dat bericht De Morgen vandaag op basis van een internationale vergelijkende studie waaraan in Vlaanderen de Vrije Universiteit Brussel (VUB) en Universiteit Antwerpen (UA) meegewerkt hebben.”

“Studenten slikken steeds meer pepmiddelen

Het aantal studenten dat naar geneesmiddelen grijpt om de tijd aan de universiteit door te raken, is de voorbije jaren sterk gestegen. Dat blijkt uit onderzoek van de universiteiten van Antwerpen en Gent. Bijna één op de veertien kan niet meer zonder een kalmeerpilletje, zeker niet tijdens de examens.”


Tot zover het belangrijkste en opmerkelijkste nieuws van het jaar over ons onderwijs.
Wat mij eindeloos verbaast, zelfs mateloos ergert, is de kortzichtige en gemakzuchtige houding die we met z’n allen aannemen als het over onderwijs gaat. Dat we het normaal vinden dat onze kinderen ongelukkig zijn op school en zich verveeld door de dagen heen slepen. Dat school enkel draaglijk blijft als je er vrienden hebt om mee samen te spannen. Dat het hele schoolsysteem blijkt te moeten bestaan uit twee “kampen”: de leerlingen enerzijds en ‘de vijand’: het systeem, gesteund door leerkrachten en ouders, anderzijds. Dat leren synoniem staat voor competitie, dwang, gevoelens van falen, angst, verveling, demotivatie. Dat kinderen en jongeren enkel leren om punten te scoren, om ouders en leraars tevreden te houden, omdat de wet hen dat voorschrijft, omdat het zo hoort, ipv om hun aangeboren nieuwsgierigheid te bevredigen, Dat niemand zich vragen stelt over het onrustbarend aantal gevallen van adhd, pdd, nos en andere hoogst besmettelijke leerstoornissen. Dat het onaantastbare systeem overduidelijk barsten vertoont, dat het niet meer werkt…tenzij je halsstarrig wilt blijven beweren dat bovenstaande cijfers en alarmerende signalen slechts voetnoten zijn, verwaarloosbare details.
Kunnen we niet eens even terug naar af? Meer bepaald naar de hamvraag: wat onderwijs moet zijn, welk doel ons onderwijs dient?
Laten we er voor het gemak even een meerkeuzevraag van maken:
a. Ieder kind helpen z’n/haar eigen talenten, persoonlijkheid en interesses ontdekken en optimaal ontwikkelen met respect voor het eigen ritme en de eigen persoonlijkheid. Kinderen en jonge mensen ondersteunen en begeleiden bij het opgroeien tot gelukkige, evenwichtige en verantwoordelijke volwassenen.
b. Ervoor zorgen dat elk kind en elke jongeren kan reproduceren wat wij, of althans een groep mensen, belangrijk vinden, los van wat ze daar zelf van denken, los van hun eventuele andere interesses en capaciteiten en dit aan een van buitenaf opgelegd ritme en op een van buitenaf opgelegde manier.

Voel je vrij om te antwoorden naar keuze.

Eens de hamvraag beantwoord, volgt de – veel complexere – vraag: hoe bereiken we dit vooropgestelde doel? En laat nu net daar het schoentje pijnlijk wringen. Onderzoek geniet minder aanzien en credibiliteit dan ooit, een gevolg van een overdaad aan onderzoek allerhande, een dichtbegroeid woud van informatie waarin niemand nog z’n weg vindt. Toch stemt het tot nadenken dat uitgerekend de academische wereld nalaat enig belang te hechten aan wat vrij recent en grondig onderzoek over leren en motivatie uitwijst. Namelijk dat mensen…en dus ook kinderen, elke leergierigheid verliezen onder dwang. Dat ‘moeten’ het ‘willen’ overstemt. Dat belonen (met een nieuwe psp of met goede punten, het maakt niet uit) niet het gewenste resultaat heeft wanneer het gaat over coginitieve kennis vergaren. Dat een mens het best, snelst, efficientst leert wanneer hij wilt leren, wanneer hij z’n natuurlijke en spontane nieuwsgierigheid mag volgen. Dat kinderen en jongeren structureel niet gemaakt zijn om een hele dag opgesloten te zitten in een stoffig lokaal om daar samen met een aantal – even onwetende - leeftijdgenoten in stilte en passief te luisteren naar wat hen wordt verteld, met wat geluk door iemand met enige kennis ter zake, met wat pech door een uitgebluste nitwit.
Ons onderwijssysteem zit dermate diep ingebakken in onze cultuur dat we niet meer in staat blijken om er kritisch naar te kijken, om ons een andere manier van onderwijzen in te beelden, om in te gaan op de noden van kinderen, jongeren én van een maatschappij die voortdurend in beweging en evolutie is.
Toch staat er bijvoorbeeld het volgende te lezen op de website van de Vlaamse Gemeenschap: “In de vakoverschrijdende eindtermen legt de overheid voor scholen een aantal opdrachten vast die ze voor onderwijs en samenleving belangrijk vindt. Zo vindt de samenleving het belangrijk dat de leerlingen burgerzin wordt bijgebracht, dat ze gezond leven en zorg dragen voor elkaar en hun omgeving.”
Toch durf ik ten zeerste betwijfelen of deze doelen daadwerkelijk worden bereikt. Sterker nog: ik ben er zeker van dat ze niet bereikt worden. Zoals uit diverse onderzoeken blijkt scoren Vlaamse studenteel ondermaats op het vlak van democratische attitude, burgerzin en solidariteit.
Uit de leerdoelen voor het secundair onderwijs valt af te leiden dat men van een zeventienjarige verwacht dat hij een eenvoudige conversatie kan voeren in het Frans. In alle scholen waar ik ooit heb lesgegeven (en dat zijn er best veel) was het merendeel van de studenten aan het einde van het laatste jaar niet in staat zich even voor te stellen in het Frans.
Op de vraag “Doet ons onderwijs wat het belooft?” kan je dus helaas niet anders dan volmondig “Neen” antwoorden. En dat maakt het schoolleed van zoveel kinderen en jongeren des te schrijnender. Als de lijdensweg een doel heeft en dat doel wordt bereikt, dan maakt dat het lijden voor velen draaglijk, het plaatst de inspanningen in een breder en waardevol perspectief. Als dat niet het geval is…dan rest er enkel een gevoel van doelloosheid, van verveling, van demotivatie.
Op de vraag “Bereidt ons onderwijs kinderen voor op de noden van de maatschappij?” is het antwoord wat complexer. Wat heeft onze samenleving nodig? Als je bedenkt dat onze maatschappij voortdurend en aan een duizelingwekkend tempo evolueert, dat jobzekerheid een schaars goed is geworden, dat media en sociale skills nog steeds aan belang winnen, dat de wereld door globalisering en innovatie steeds groter wordt…dan zou je daaruit kunnen afleiden dat een mens flexibiliteit, zin voor initiatief, ondernemingszin, nieuwsgierigheid en heel wat zelfvertrouwen nodig heeft om in dat soort samenleving overeind te blijven en zijn plaats te vinden. Geven we onze kinderen die vaardigheden mee? Praat eens met een gemiddelde zeventienjarige en de twijfel slaat toe: onzeker, besluiteloos, twijfelend over wat ze willen en kunnen …
Het is hoog tijd dat we ons afvragen wat we nu echt op lange termijn willen en verwachten van onze kinderen. En het wordt vooral tijd dat we daarnaar handelen. Als we onze maatschappij willen bevolken met solidaire, ondernemende, onafhankelijke, evenwichtige, empathische en sociaal vaardige volwassenen, dan is het noodzakelijk dat we onze kinderen de ruimte, de tijd, het kader en de mogelijkheid bieden om net deze vaardigheden te oefenen, om te leren vertrouwen op hun oordeel, op hun talenten en mogelijkheden.

dinsdag 8 maart 2011

vrouwendag: was will das weib?

Helaas, zoals elk jaar en zolang ik me kan herinneren valt er bitter weinig te lachen met het lot van de vrouw in de meeste uithoeken van de wereld.
Het doorbreken van het glazen plafond en quota voor vrouwen in raden van bestuur lijken triviale details naast wraakroepende feiten zoals het stenigen van vrouwen in bepaalde Islamitische landen, de massale en systematische verkrachting van vrouwen en meisjes in sommige Afrikaanse landen of de miljoenen vrouwen die op de vlucht zijn voor oorlog, honger, natuurrampen, politiek geweld.
Je zou als gezonde Westerse vrouw met dak-boven-het-hoofd, ledematen intact en mt voldoende brood mét beleg op de plank gegeneerd in een hoekje kruipen en blozend je mond houden wanneer het woord vrouwenrechten valt. En toch.
Ja natuurlijk, we hebben het goed. We hebben stemrecht, mogen studeren wat we willen, de job uitoefenen die we willen, kunnen zelf beslissen of en met wie we trouwen, samenleven of het bed delen, of we kinderen willen en zo ja, hoeveel en wanneer.We hebben zoveel opties dat de keuzestress ons zo nu en dan verlamt. Wat valt er dan nog te zeuren? Onder het aloude motto “Alles kan beter” zou ik durven zeggen: Heel wat!
Evenwicht...om maar eens wat te noemen. Evenwicht tussen werk en gezin, tussen ambitie en het moederhart, tussen professionaliteit en een bevredigend priveleven, tussen wat moet en wat mag, tussen erkenning en voldoening, tussen respect en appreciatie, tussen wat je kan en wat je wilt, ... tussen man en vrouw en soms daartussenin, het kind. Tussen de vergadering, de vaat en het verhaaltje moet er bij bij voorkeur ook nog verleiding, vriendschap en vrijetijdsbestedingen allerhande worden gepropt. Een mens, zelfs een vrouw, zou van minder gaan wankelen.
Ja, we hebben er veel rechten bijgekregen de afgelopen eeuw. Maar geen rechten zonder plichten. En laten we toegeven dat er iets schort met het evenwicht tussen vrouwenrechten en vrouwenplichten, al zijn veel van de plichten die ons zo belemmeren vaak slechts ongeschreven wetten. Probeer bij gelegenheid eens met wuivend okselhaar en riant begroeide melkwitte benen de straat over te steken in de zomer. Ja dat lukt...maar of het ook gewoon ongemoeid kan is zeer de vraag. Thuismoederen is uit de boze want asociaal en economisch onverantwoord. Je kinderen ‘vergeten’ opvoeden is ook geen optie, dus dat moet deels uitbesteed, maar aan wie in vredesnaam....gezien de wachtlijsten in de kinderopvang? Geen kinderen krijgen is dan weer egoistisch en onvolwassen. Je huis moet spic-en-span, je lijf moet strak en pront en in bed moet het knetteren want om elke hoek loert een jongere (en dus strakkere en vooral, vrije en ongedwongen) variant van jezelf.
Goed doen we het blijkbaar nooit, hoe hard we ook ons best doen. En onze meest meedogenloze rechters zijn we zelf.
Of we nu professioneel streven of moederen of beide, welke keuzes we ook maken, noodgedwongen of uit vrije wil, evenwicht willen we allemaal. En dat begeerde evenwicht, dat valt alleen te vinden met wat hulp, van elkaar en van mannen, de mannen die nog steeds het merendeel van de lakens uitdelen, de mannen die ons zo nu en dan eens zouden kunnen vertellen hoe geweldig goed we bezig zijn en dat we nu best even de boel de boel mogen laten want dat zij die was wel wegwerken, de mannen die zouden kunnen mee ijveren voor een andere arbeidsethiek, een leefbaarder en menselijker klimaat in bedrijven, in de politiek, in de hele samenleving. Wat ze daarvoor in ruil krijgen? Een massa evenwichtige en dus blije vrouwen, dat spreekt.