biekesblog


dinsdag 26 april 2022

Gewichtloos

 Indrukwekkende Remco Evenepoel wint Luik-Bastenaken-Luik, Hermans en Van Aert op podium

Laatste keren zijn mijn minst favoriete keren. Laatste keren zijn de levende bewijslast van de eindigheid der dingen. Ze fluiten de laatste droeve noten van een liedje dat niet lang genoeg mocht duren en bovendien ratelt de presentator door de outro. Gelukkig doet de naam van het laatste grote obstakel in de laatste voorjaarsklassieker wild dromen van fabels vol wonderlijke wezens en sprekende dieren. La Roche aux Faucons torent streng boven een meander van de Ourthe uit. Aan de Noordkant stroomt een riviertje door het dal dat ondergronds verdwijnt, en zich diep onder de aarde, waar niemand het ziet, verenigt met de Ourthe. 

De rots dankt haar naam aan de slechtvalken die er zich een eeuw geleden kwamen settelen. Ik weet weinig over de slechtvalk, behalve dat het ‘s werelds snelste vogel is.

Het allersnelst is de valk wanneer hij zich naar beneden stort op een prooi, een buitengewoon aerodynamische manier van razendsnel vallen.

 

Vallen is het lelijkste facet van de wielersport, maar helaas onvermijdelijk. Wereldkampioen Julian Alaphilippe viel niet aan, maar hard neer en bleef vervolgens zenuwslopend lang tegen een boom liggen, een figurant in een bloederig decor vol gedeukt carbon en gehavende ledematen. Fabels zijn vaker wreed dan lieflijk, maar altijd is er een dappere held die boven de gruwel en zichzelf uitstijgt. Romain Bardet liet zijn eigen kansen en goede vorm liggen op het bebloede asfalt en dook zonder dralen de gracht in om de toestand van zijn landgenoot op te nemen. Als de koers niet wacht, dan wacht er iemand anders, iemand die weet wat belangrijk is.

Terwijl Juju als een zorgwekkend hoopje ellende werd afgevoerd, broedde Remco op een plan, het soort plan dat eigenlijk geen plan mag heten omdat het opzichtig blinkt van voorspelbaarheid, maar dat toch briljant blijkt omdat niemand erin slaagt het te saboteren. Iedereen weet dat hij daar en dan zal aanvallen, maar er valt niets aan te doen, want om een of andere reden klapwieken zijn vlerken sneller dan alle andere.

 

Vallen en vliegen zijn verwarrend verwant, beide een tijdelijke staat van gewichtloosheid. In Lombardije viel Remco als een steen de dieperik in. Ruim anderhalf jaar en ondraaglijk veel gezeur, gejeremieer en betweterij van God, klein Pierke en allerlei zelfverklaarde chefs later dwarrelde de ket lichtvoetig over de meet alsof die daar alleen voor hem was gekalkt. Terwijl Remco de Brabançonne meezong, geflankeerd door 2 landgenoten, dacht ik vanzelf en onwillekeurig aan die andere eigenzinnige, grootgebekte en warmbloedige Belgische wereldburger die ons de dag voordien had verlaten. 

 

Avec leur coeur de vieille mémé

Avec leur esprit de l’air sauté

Ne les mettez pas dans votre jeu

Il y a pas de place pour eux

A eux je montre mon derrière

maandag 18 april 2022

De weg naar Roubaix

Boze Yves Lampaert ziet mogelijk podium in rook opgaan na botsing met  toeschouwer: “Het is een kalf, blijf dan thuis!” | Het Belang van Limburg  Mobile 

Bronchitis, ploeg in de strafhoek, een malcontente baas, vermanende journalisten met altijd maar weer diezelfde lastige vragen, en dan krijgt je vrouw corona, zodat je wekenlang op hotel moet en je je babyzoon alleen maar door het raam kan zien, en je op je verjaardag moederziel alleen in zo’n liefdeloze kamer zit, niet eens opgevrolijkt door je maatje Tim, want die zit ziek thuis. En dan is het eindelijk de dag des heren waarop het moet en zal gebeuren, want ergens moet toch een beloning wachten voor al die miserie, en laten het alstublieft geen paaseieren zijn, maar op z’n minst een vet boeket en een plaats op dat schavot in die afgeleefde piste.

En je trapt, en je hapt en je zwiept en je zwalpt, maar lossen ga je niet doen, dedju, en ze gaan je moeten wurgen om je tegen te houden, want dat podium lonkt en wacht en zingt als een sirene in je oren, en het is daar en nergens anders dat je moet zijn. En je dokkert, en je dendert en je davert over die smerige stenen, harder dan ooit.

En van alle dingen die kunnen fout lopen, nog maar eens een platte band of een ketting met kuren of leeglopende benen of God weet welke ellende een mens allemaal tegenkomt daar in die Noord-Franse velden, is dit het alleronnozelste. Wat doet die mens daar in de weg, enfin, in jouw weg, de weg naar Roubaix nota bene?


Wat denkt die mens, of eerder waarom denkt die niet en waarom moet hij uitgerekend daar staan en op jouw pad met z’n armen staan fladderen alsof er geen legioen vermoeide troepen aan een rotvaart voorbij zal komen draven, half blind van het stof en het zweet? Waarom zit hij niet thuis in de zetel met een taartje, ingedommeld om wakker te worden wannneer de winnaar met een luide bel over de meet glijdt? Supporters zijn tof, maar soms ook even niet.

En je hapert, en je kukelt voorover als een wilde kleuter op een schommelpaard, en je stuitert met al je ruggenwervels over die klotekasseien en lap, weg is dat podium. De sirenen zwijgen. Er is alleen nog geroep en gelal en het geluid van wielen over kinderkopjes en terwijl je vloekend rechtkrabbelt en terug op je fiets sukkelt rijdt Dylan Van Baarle alleen naar die lelijke, maar prachtige piste en vlamt die vervelende superman van een Van Aert met die gechronometreerde Zwitser in z’n kielzog naar de rest van het podium.


Al die moeite, al die ellende, al dat geploeter voor niks. Geen feest in Izegem of Ingelmunster. Geen bloemen voor Astrid. De weg naar Roubaix stopte aan afrit 10, die nergens heen leidt.

Kansen zijn karig als zonnebloemolie in oorlogstijd. En als ze weg zijn komen ze nooit meer terug.

Ruis

Remco Evenepoel verbaast met zijn uiterlijk: "Met het esthetische aspect  zijn wij niet bezig" | Redactie24 

Ik vermoed dat Belgische coureurs door collega’s van elders al eens benijd worden om hun natuurlijke habitat. Een heel seizoen kunnen koersen op een afstandje van niks, een supportersclub in het café van de neef van de bomma en altijd blije mensen die je aanmoedigen. Een habitat waar een Noor of een Rus alleen maar van kan dromen. “Wat doe jij precies? Wielrennen? Nee, maar wat doe je écht?”

Die vruchtbare humusrijke grond heeft helaas ook nadelen. Van zodra je blijk geeft van bovengemiddelde aanleg is het hek van de dam en lig je permanent onder een vergrootglas. Waar en hoe lang je traint, wat je eet, met wie je date en met welke auto je rijdt: elk facet van je monotone bestaan wordt een zaak van staatsbelang die collectieve aandacht opeist. Fietstalent wordt in geen tijd publiek bezit. Ongevraagde adviezen vliegen je om de oren als spervuur. Iedereen weet beter dan jij wat je moet doen en hoe je dat het best aanpakt. 

 

Zelfs de zegen van een onbesproken aanloop kreeg het jongetje Remco niet cadeau. Vijf jaar geleden pas ruilde Remco Evenepoel z’n voetbalschoenen voor een setje klikpedalen. Een jaar later werd hij twee keer wereldkampioen met een verbluffende voorsprong op de rest. Helaas. Het land stond op z’n kop, de camera’s draaiden overuren, een nieuwe vaderlandse tourwinnaar was opgestaan. Overal waar Remco startte moest en zou hij winnen. Van groeien in de luwte kon geen sprake zijn.

Wie met zoveel verwachting op de schouders fietst kan alleen maar verliezen. 

Hij kan niet sturen. Hij kan niet dalen. Hij is niet weerbaar genoeg. Hij denkt niet na. Hij zou beter eendagskoersen rijden. Een afknapper. Over het paard getild (de ironie). Over geen enkele coureur zijn meer brutale en gratuite meningen gevallen dan over het wonderkind uit Schepdaal. Want natuurlijk won Remco niet overal en altijd. Natuurlijk maakte Remco fouten. Natuurlijk zat het soms eens tegen of had hij een slechte dag. Natuurlijk viel het kostuum dat hem was aangemeten veel te groot uit, en niemand koopt nog op de groei. Boven het Vlaamse maaiveld wacht de zeis.

 

Dat Remco de ronde van het Baskenland niet heeft gewonnen kan me weinig schelen. Want daar reed geen wispelturig en overschat jongetje. Daar reed een man die zich kundig en beheerst door duizelingwekkende bochten naar beneden wierp en dapper z’n beste benen pijn deed in de steilste wedstrijd van het jaar. Een feest voor het kritische oog en het wild pulserende wielerhart. Alles deed Remco juist. Chefs wielrennen en analisten die het beter weten zijn vooral ruis in de verte. Ik wens Remco een paar oerdegelijke oordopjes.

dinsdag 5 april 2022

Calamiteiten

 Indrukwekkende Tadej Pogacar boos op zichzelf na Ronde van Vlaanderen:  'Maar Mathieu was heel goed en we waren aan elkaar gewaagd' | Wieler Revue

Koers is de meest oneerlijke sport ter wereld. Daar neem ik geen woord van terug.

Een koers is geen wedstrijd, maar een odyssee vol calamiteiten: lekke banden, kettingbreuken, in de weg wapperende jasjes en vlaggen, overstekende honden, verstopte vluchtheuvels, windstoten en andere onnozelheden met meer impact dan wenselijk en waardig is.

 

Wat als de auto van de koersdirecteur niet schielijk over de fiets van Jesper Skibby rijdt? Wat als de derailleur van Museeuw niet blijft haperen? Wat als de Leeuw van Vlaanderen niet in het decor wordt gereden door die idioot van een Bruno Boscardin? Wat als Frank Vandenbroucke niet tegen de grond kletst in de eerste bocht van De Muur? Wat als Fabian Cancellara niet over een weggegooide bidon buitelt? Wat als Greg, Olli en Peto niet aan de jas van Bas blijven haken ? Wat als Julian Alaphilippe niet tegen een stilstaande motor knalt? Wat als Lotte Kopecky geen kettingpech krijgt aan de voet van de Oude Kwaremont? Wat als Sep niet valt, en valt, en valt, en nog een keer valt? Wat als Wout van Aert geen stom virus opdoet 3 dagen voor de Ronde? Wat als Christophe Laporte niet in een gracht duikt op een hoogst onfortuinlijk moment?

We zullen het nooit weten. Hoe de dingen hadden kunnen lopen blijft voor altijd verstopt in de plooien van het lot, waar stof samenklit tot spijt.

 

De weg naar roem en glorie gaat niet over rozen, maar langs venijnige doorntakken. Een prikje en alle hoop vervliegt als pollen in de lente. 

Ach, niets is voor altijd. Wie weet nog hoe Pol Deman de allereerste Ronde van Vlaanderen won? Later werd Pol werd levenslang geschorst omdat hij meereed met een wagen in plaats van zelf te trappen. Alsof zoveel karma niet volstond werd Pol tijdens de Grooten Oorlog betrapt als spion en kreeg hij de doodstraf. Maar Pol overleefde de oorlog, werd behangen met medailles en eretekens en kreeg zowaar zijn koerslicentie terug, waarna hij Parijs-Roubaix en Parijs-Tours won. Karma neemt rare bochten en soms haar tijd, maar vergeet niet. Vergeten is voor mensen.

 

Alle voorbeschouwingen, wenskaarsen, schietgebeden en offers aan Onze Lieve Vrouw van de Heilige Spaak ten spijt bleef ook deze uitgave van de Ronde niet gespaard van goddeloze onvoorzienigheid en coups de théatre die we achteraf bekeken feilloos hadden kunnen voorzien.

De swing en schwung van het Sloveense wonderkind, het geknars van de kasseien onder de daverende wielen van Mathieu Van der Poel: stonden ze niet in de sterren geschreven?

Overmacht laat zich niet bedwingen door karma of calamiteit. Overmacht kijkt rond, haalt rustig adem en vertrekt zonder groetjes. Ze schokschoudert niet, maar glijdt door het decor waarin iedereen figurant wordt. Ze wint niet, maar verplettert, tenzij ze wacht tot het te laat is.


Kruip op de tank, spreek tot het volk
Zwaai met de vlag, bundel de strijd
Grijp dan je kans, grijp naar de macht
Maak een steen van je hart en regeer als een man
Maar wacht niet te lang
Jongen waar wacht je op
Wacht niet te lang

(‘Wacht niet te lang’, Gorki)

De grijns van de toekomst

 Winnaar Biniam Girmay zou Gent-Wevelgem eigenlijk niet eens rijden |  Sportnieuws

Elk jaar dezelfde vraag van de koersleken in mijn directe omgeving: Hoezo Gent-Wevelgem start niet in Gent? Voor eens en voor altijd: Van 1934 tot 2002 lag de start wel degelijk in Gent, tot een eerbiedloze onverlaat in een vlaag van verstandsverbijstering besloot dat het onooglijke Deinze geschikter was. Als je eenmaal begint te morrelen aan tradities is het hek van de dam en kan je net zo goed de hele boel overhoop gooien, dus sinds 2020 vertrekt het peloton in Ieper. Erg veel doet het er voorts niet toe. Wat telt zijn de Moeren, de Kemmelberg en de wind.

Of er wind staat en hoeveel en van waar hij komt is een van de prangendste kwesties omtrent Gent-Wevelgem, een koers met een bewogen windgeschiedenis. De stormeditie van 2015 staat in het koersgeheugen gegrift, met renners die als dorre bladeren de gracht in geblazen werden tijdens hun doortocht door de Moeren. 

Elke fatsoenlijke voorbeschouwing op G-W vereist dus een blik op de weersvoorspellingen. Die stelden bij voorbaat teleur: de wind gaf niet thuis. Geen waaiers in de Moeren. Maar ach, in een streek die oorlog ademt en vrede predikt vecht je misschien beter zonder valse wapens.

 

Alles aan de Westhoek ademt dingen die voorbij zijn maar nooit vergeten worden. Vlaamse velden vol verlies en verdriet.

Midden in die velden reed snotneus Biniam Girmay. Nog niet zo lang geleden een bevlogen jongen die de onverharde wegen van Asmara, Eritrea onveilig maakte met z’n mountainbike. Vandaag een instantheld op Vlaamse kasseiwegen. In geen tijd veroverde Bini menig koershart door redelijk onvoorbereid, schijnbaar per abuis, maar pertinent voorin te eindigen in ongeveer elke onverkende en onbekende voorjaarskoers.

Lustig en gezwind dokkerde Bini over kasseien en hellingen die hij nog nooit van dichtbij had gezien, nauwelijks onder de indruk van de Vlaamse koersgekte en de heldenstatus van zijn collega’s, even blij als oplettend.

 

Je wist dat die grote zege eraan zat te komen, dat het een kwestie van tijd was. Niet of, maar wanneer?

Vandaag, was het antwoord. Want waarom zou je wachten om te doen waartoe je bent voorbestemd? Nu is vaak het juiste moment.

En wat een moment zou het worden. De beste ploeg van het voorjaar kloppen in een zenuwslopende sprint, in een koers waar je eigenlijk niet aan mee zou doen, maar je was hier nu toch. Van “ooit een steengoede renner worden” naar “een steengoede renner zijn” terwijl je met je ogen knippert.

 

Natuurlijk is het baanbrekend dat een renner van kleur en uit een continent zonder klassiekers een grote koers wint. Maar misschien moeten we Biniam Girmay niet omhangen en bevangen met een lading symboliek en verantwoordelijkheid waar hij niet voor gekozen heeft. Rolmodel word je soms tegen wil en dank. Ik kan alleen maar denken aan al die eenzame maanden, ver weg van huis en thuis, die de achttienjarige Biniam doorbracht in Zwitserland, moederziel alleen op een kamertje; een leven van slapen, eten, trainen en missen, op repeat; en hoe zoveel gemis en hardnekkigheid vandaag eindelijk loonden. In de podiumgrijns van Biniam lag de toekomst van de koers verscholen.

zondag 20 maart 2022

Levensverachting

Matej Mohoric taken to hospital after bike snaps in two in 'awful crash' at  Giro d'Italia on Stage 9 - Cycling video - Eurosport 

In 1920 won voormalig textielarbeider en worstelaar Gaetano Belloni, de Italaanse Poulidor avant la letttre, de wielerwedstrijd Milaan-San Remo met 2 uur voorsprong op de nummers 2 tot en met 5.

Belloni fietste zonder rechterduim en -wijsvinger vermits hij beide lichaamsdelen kwijtraakte in een fabrieksongeval. Vandaag zou Gaetano al lang een hyper-innovatieve prothese hebben gehad, eentje met extra-grip en vernuftige opties tegen allerlei ongemakken inzake doorbloeding, lichaamstemperatuur en transpiratie-afdrijving.

Voor alles lijkt vandaag een oplossing te bestaan. Anti-lekbanden, ijsvesten, softshell windstoppers, windtunnelonderzoek, lizard skins stuurlint en elektronische deraiilleurs. Innovatie en techniek verhelpen elk koerseuvel, van zodra iemand begrijpt dat winnen niet alleen met de benen gebeurt.

Zo wordt verteld dat Constante Girardengo tijdens Milaan-San Remo ergerlijk lang met een weerspannig vastgevroren wiel klungelde en uit woede z’n fiets tegen de grond kwakte en een kruis in de grond tekende als teken van opgave. De verlossende snelspanner liet niet lang op zich wachten, met dank aan een andere Italiaanse renner, Tullio Campagnolo, die het gehannes met wielen zo beu was dat hij zwoor zelf een handiger systeem uit te dokteren, een belofte die hij plechtig nakwam.

 

Net als je denkt dat alles zo onderhand wel is utgevonden, komt er iemand met een nieuwe gekkigheid op de proppen. Zo verscheen Matej Mohoric aan de start in Milaan met een ‘dropper post’, een snufje uit het mountainbiken, dat een renner toelaat om met een druk op de knop de zadelhoogte aan te passen. Als het zadel zakt kan je er ver achter gaan hangen om je zwaartepunt te verplaatsen. Bovendien kan je met zo'n dropper veel lager op je fiets gaan zitten, wat aerodynamischer is in de afdalingen. 

 

Ook wanneer hij zonder dropper koerst kijk ik met tegenzin en roffelend hart naar een dalende Matej Mohoric. Vorig jaar kukelde Matej in de Giro op spectaculaire wijze over kop in een scherpe bocht tijdens het afdalen van de Passo Godi. Even later werd hij per brancard weggevoerd. Sommige mensen leren uit de gevolgen van hun roekeloosheid. Anderen zijn immuun voor angst of wanen zich onsterfelijk.

Ook zondag, tijdens de krankzinnige afdaling van de Poggio, ging het twee keer bijna mis. Terwijl Matej rakelings langs een muur scheerde prevelde ik een schietgebedje voor de mensen die van hem hielden en deze zelfmoordactie ongewild aanschouwden. Dit is doodsverachting, bedacht ik. 

Koersen doe je om te winnen, maar welke prijs is de zege waard? Een vinger? Een vinger een een duim? Een jaar revalideren? Een gebroken huwelijk? De slapeloze nachten van je moeder? Op de beurs der zeges overstijgt de vraag het aanbod permanent, een garantie op woekerprijzen. 

 

Geen enkele slimme uitvinding of hoogtechnologische innnovatie beschermt een mens tegen het noodlot van een gemiste bocht, een confrontatie met een muur of een wenkend ravijn.

Wie de dood veracht, veracht vooral het leven.

maandag 14 maart 2022

Pogalyps

 Tadej Pogacar is klaar voor 2022: “Als ik in de Ronde van Vlaanderen een  kans krijg, dan pak ik hem” | Wielrennen | hln.be

Wielrennen wordt tegenwoordig uitgedrukt in wattages en VO2 max-scores. De hoeveelheid energie die een renner kan leveren per tijdseenheid, het volume zuurstof dat een renner kan transporteren en metaboliseren per minuut inspanning: op basis van staalharde data schatten we het potentieel van een wielrenner. De prestatie van vandaag voorspelt de mogelijke prestaties in de toekomst.

Die toenemende verwetenschappelijking en statistificatie verdeelt de meningen, tussen zij die wielrennen zomaar een sport vinden en zij die in de koers een hybride kunstvorm zien.

Hoeveel heroïek blijft er over van een exploot wanneer het in tabellen en grafieken belandt? Hoe onverschrokken is de held(in) met de blik gefixeerd op het fietscomputertje?

Lijden is een onmisbare factor in de appreciatie. Diep gaan, labeuren, sloven, baggeren, jakkeren, ploeteren, stuk gaan willen wij zien. De smarten van een renner worden niet gemeten of vergeleken, hoogstens gesmaakt.

 

Renners die niet lijden zijn een aberratie, een aanfluiting van de edele essentie van de wielerkunst. Ze bieden een ander, minder doorleefd, voornamelijk beleefd esthetisch genoegen dan de zwoegende stoempers die kwijlend en grimassend over de meet komen, waar goddank iemand klaarstaat om hen op te vangen voor zij uitgedoofd ter aarde storten. Renners die niet lijden verpesten de sfeer nog voor het feest ontaard is.

 

Onder alle niet-lijdende wielrenners in mijn geheugen is er geen die met zulk aanstootgevend gemak rondtrapt als het zondagskind Tadej Pogaçar, de zoon van Pippi Langkous en Huckleberry Finn. Alles aan Tadej roept ontsteltenis op: de schijnbare achteloosheid waarmee hij uithaalt, het plukje haar dat steevast weerspannig ontsnapt uit zijn aerodynamische helm, de grijns van een kwajongen die net belletje trek deed bij de bitsige buurvrouw die verdwaalde ballen lek prikt. Tadej koerst niet, maar speelt.

Tadej zou even schattig en vermakelijk kunnen zijn als een kwispelende puppy, als hij niet zo onheilspellend was.

Onheil kondigt zich zelden aan als een afzichtelijk monster, maar komt onuitgenodigd binnen als een charmante stofzuigerverkoper. Je opent de deur en het is al te laat. 

 

De data, statistieken en grafieken van Tadej tonen zijn potentieel aan de hand van een steile opwaartse curve. De puppy wordt een meute hongerige bloedhonden. De kwajongen wordt een straatbende. De stofzuigerverkoper worden drie stofzuigerverkopers.

Er is niets aan te doen”, verzuchtte de commentator gelaten, toen de schavuit een tandje bijstak zonder te ademen en zijn speelkameraadjes zieltogend achterliet.

Dingen waaraan niets te doen valt zijn noodlottig. Noodweer; een epidemie; de zeven plagen van Egypte; de sirenen, heksen en eenogige reuzen die Odysseus belaagden: allemaal noodlot.

Tadej Pogaçar is noodlot op twee wielen; aangekondigd, voorspeld en voorzien, maar niet op legale of moreel acceptabele wijze af te weren. In noodlot valt enkel te berusten.

 

 

zondag 6 maart 2022

Monumentaal

 Strade Bianche féminines : Lotte Kopecky l'emporte + classement complet 

Al jaren wordt er gedisputeerd over de vraag of de Strade Bianche al dan niet een monument mag heten. Het zal je wat. Monumenten zijn restanten van een verleden dat nooit meer terugkomt, waaraan niets meer valt te verhelpen.

Terugkijken helpt een mens niet vooruit, helemaal niet op de fiets. Wat baat het terug te denken aan die lekke band op 36 km van het Piazza del Campo, die weerspannige ketting aan de voet van de Oude Kwaremont, die leegloper en die veel te grote reservefiets in de finale van je allereerste Parijs-Roubaix, die valpartij in Tokio? Waarom zou je graaien in die grabbelbak vol rampspoed en tegenslag in je geheugen?

Vandaag kijk je vooruit, naar het roomkleurige grind waar je tubes wonderlijk ongehavend over heen rollen, alsof je zit te zwiften; naar het wiel van de taaiste tegenstand.

 

Ze zeggen dat je een sprinter bent, dus je naam ontbreekt in de lijstjes met topfavorieten. Ze zeggen dat die laatste strook te steil is voor jou. Ze zeggen dat je het eenzame uithangbord bent van het vaderlandse vrouwenwielrennen, woorden die als een molensteen om je nek hangen. Ze zeggen zo veel. Zelf zeg je doorgaans niet zo veel, want er wordt al genoeg gezegd en soms het stomste eerst. 

 

Al wat vandaag telt is dat wiel. Dat zwiepende, zwierende, striemende wiel van die pezige vrouw voor je, die Marvel-heldin die alles al gewonnen heeft en maar niet wijken wil; die nooit geklopt wordt bergop; die Colombiaanse cols bedwingt zoals Pacman koekjes weghapt. Haar wiel is het centrum van je universum-voor-één-dag.

En de cipressen schudden van nee en knikken van ja in de voorjaarswind die het stof tot in je longen jaagt, en het regent drieste demarrages, maar jij blijft onverstoorbaar zitten waar je zit, achter dat wiel. Tot er niemand meer is behalve jij en dat op hol geslagen wiel dat de Via Santa Caterina bestormt alsof de weg niet stug omhoog loopt, maar gemoedelijk glooit. En oh, wat zou je graag gaan liggen want je kan niet meer, maar je mag niet liggen, want je moet trappen, en je klampt en je bijt en je stampt, en Anna schreeuwt je trommelvlies aan flarden tot je hoofd suist, en je dijen janken, en het is niet meer ver, maar wel nog vreselijk hoog, en daar is de bocht, en je weet niet waarom maar je neemt hem langs de juiste kant, en de mensen roepen, maar je hoort ze niet, en plots is het weg, dat wiel. Plots is er niets meer behalve die prachtige reusachtige schelp van een plein die zich als een vriendelijke hand voor je opent en waar je schreeuw galmt als de klokken van de Torre della Mangia die Pasen en Kerstmis tegelijk luiden.

Eindelijk mag je gaan liggen.

Helden

 ImageNiets annonceert de nakende lente en een langverwacht nieuw seizoen als een peloton popelende renners in het Kuipke, waar hun namen weerklinken als kerkklokken op een hoogdag.

Geen doeltreffender remedie tegen weltschmertz en moedeloosheid dan het smachten naar de eerste blijde intrede van een kolonne wielrijdende helden. Nooit hou ik meer van Vlaanderen dan op dit soort dagen, wanneer onooglijke steenwegen en hobbelige kasseistraten voor één dag gewijde grond worden, waar morgen alweer een tractor of een mestkar overheen dendert.

 

Zelfs koersfans die stellig beweren dat slecht weer het koersverloop bevordert juichten stiekem toen ze de zon over paraat gehelmde kruinen zagen schijnen. Niet omdat wij zo innig meeleven met verkleumende renners, maar omdat een volksfeest beter gevierd wordt op straat dan in een schemerige huiskamer. Met autokoffers en campers vol proviand en gelegenheidsmeubilair trokken feestvierders naar de Haaghoek, de Leberg en de Kapelmuur. Ze pleurden een afgedankt neplederen bankstel of een klaptafel op de stoep, gaven thermossen lauwe koffie, stukken taart en frisse pintjes door. Op het terras van café Den Drijhaard in Brakel verbroederden luidruchtige studenten met minzame zeventigers die zich de Omloop Het Volk nog herinneren. Kinderen dartelden als bedrijvige bijen door het gewoel in piepkleine Jumbo-Vismatruitjes.


Wie nooit naar de koers gaat begrijpt niet waarom mensen naar de koers gaan. Waarom zou je een comfortabele sofa en de koelkast binnen handbereik ruilen voor een tochtig gehucht om een meute op hol geslagen fietsers in een flits voorbij te zien razen? Waarom zou je zoveel moeite doen om zo weinig te zien? De essentie is niet wat er te zien valt, maar wat haast tastbaar in de lucht hangt, als pollen en stuifmeel: goesting. De goesting om te leven, om even ergens volmaakt content te zijn, om met een wildvreemde te praten, om samen vriendschappelijk een van de heerlijkste bijkomstigheden van het leven te fêteren.

 

En zo riepen wij luid en eensgezind: “Allez Tiesj!”, een leuze die naadloos overging in “Allez Victor”, uitbarstte in een oorverdovend “Allez Wout”, en nog genoeg adem vond voor “Allez, Lotte!” en “Allez Annemiek!”. Allemaal helden voor één dag.

Onze helden kunnen fictief, dood of levend zijn. Doorgaans vertonen ze moed, talent of bravoure in hun daden, liefst ook in hun spreken en denken. Altijd vertellen ze iets over onszelf, over onze wensen, dromen en verlangens.


Niet elke held is een winnaar. Niet elke winnaar wordt een held. Wat van mensen helden maakt is hoe ze obstakels overwinnen en wat ze ons vertellen. Een wereldleider zet zijn status in om te vernietigen en te heersen. De held kijkt omhoog, kust een paar geliefden, erkent de relativiteit van de triomf en herkent de essentie van het bestaan. Echte helden weten immers wat belangrijk is: het leven, de liefde en de vrede. 

vrijdag 21 januari 2022

Een jaar met Beltran


 Ik zocht geen hond want ik had er al één, en zorgen deed ik al genoeg. Maar algoritmen trekken zich niets aan van wat je zoekt of net niet. Zo kwam het dat ik op een grauwe decemberdag onverhoeds in twee treurige zwarte ogen keek en verloren was.

Ik weet niet waarom ik als een brokstuk van een rotswand voor hem viel. Waren het de rossige lange oortjes? Was het de smekende blik? Het aandoenlijke schuine kopje? Of het feit dat iemand hem na 10 jaar zonder pardon uit het huis had gezet?

Drie keer klikte ik hem weg. Drie keer zocht ik hem terug om onbestemde redenen.

Ten einde raad legde ik de kwestie voor aan de gezinsraad, behalve uit mezelf enkel bestaande uit twee zonen die van ons huis al lang een complete kinderboerderij hadden gemaakt, als het aan hen had gelegen.

Na kort en verschroeiend efficiënt beraad kwam de gezinsraad tot de unanieme conclusie dat er geen contra’s waren. Dat hij oud was vond niemand een bezwaar.

 

Met roffelend hart stuurde ik een bericht naar de mevrouw van de vzw die thuisloze honden plaatst. Dat wij hem heel graag wilden. Vier uur later een bericht: dat hij al gereserveerd was. Mijn ontgoocheling verraste zelfs mij. Om 23u ’s avonds een nieuw bericht: dat men bij nader inzien van mening was dat hij bij ons gelukkiger zou zijn dan bij de andere kandidaat, die alleen in een appartement woonde. Ik deed m’n best het sneu te vinden voor mijn tegenkandidaat, maar dat mislukte. 

Pas toen drongen de consequenties van mijn coup de foudre tot mij door. Wat als het arme beest getraumatiseerd was? Wat als hij het hier niet leuk vond? Wat als we elkaar niet lagen? Wat als hij een asociaal en bijtgraag mormel bleek te zijn?

Vier weken later pas mochten wij ons naar Tilburg begeven om de kleine asielzoeker op te halen, een zee van tijd om te piekeren en te panikeren.

 

Die zaterdag regende het onophoudelijk en de lucht was honderd soorten grijs. De spanning hing als smog in de auto. We praatten weinig, want opwinding beneemt een mens de adem.

We reden verkeerd en stonden een half uur lang op de foute plek te wachten. Toen we hem uiteindelijk vonden zat hij, veel kleiner dan verwacht, in een verroest kooitje op ons te wachten. Open ging het kooitje, zodat we hem zachtjes konden aaien en sussen. Wat was hij klein. En aandoenlijk vooral. Als een hoogbejaard mevrouwtje reed ik naar huis, alsof ik de overdonderde nieuwkomer op de achterbank wilde ontzien.

 

24 uur later had ik een schaduw, die mij ook vergezelde wanneer de zon niet scheen. Alsof hij gewoon besloten had mij blind te vertrouwen en zijn leven en welzijn in mijn handen te leggen. Alles vond hij prima, zolang ik binnen z’n gezichtsveld bleef. Dus zeulde ik elke avond een zwaarlijvige teckel de trap op om hem naast mij in bed te installeren, waarna hij meteen als een blok in slaap viel, z’n spitse grijze neus in m’n oksel. 

Na 6 weken was hij z’n overgewicht en z’n doffe vacht kwijt. Na 2 maanden blafte hij voor het eerst, een hilarisch blafje dat zelfs de kat niet imponeerde. Na 3 maanden zeulde ik hem op m’n rug mee de trein op, naar kantoor, waar hij meteen op zoek ging naar voor het grijpen liggende lunchpakketten en op de vloer plaste, mankementen die hij compenseerde met charme en innemendheid.


Uren bracht hij door op de schoot en in de armen van vrienden, ook van diegenen die niets hadden met honden, maar voor hem spontaan een uitzondering maakten. Hij spendeerde veel te veel tijd in de kille gang van ons huis, geduldig en hardnekkig wachtend tot ik terug zou komen van de winkel, een vergadering, een sportles. Ik begon me te haasten wanneer ik zonder hem weg was, omdat de gedachte aan hem zonder mij niet klopte. Ik oefende me in slow walking, een ware opdracht voor iemand met veel tempo en weinig geduld. Hij bleek even koppig als snoezig, even contrair als aanhankelijk. Ik hou van de rondedansjes waarmee ik begroet word aan de voordeur, van de knorgeluidjes die hij maakt wanneer hij het naar z’n zin heeft, van zijn maffe sprongetjes wanneer hij eten krijgt, van hoe hij zijn kopje tegen mijn schouder legt wanneer ik hem naar buiten draag, zelfs van zijn onnavolgbare gave om altijd en overal in de weg te zitten zodat ik over hem struikel. Mensen die hun hond innig graag zien waren om meewarig mee te lachen, tot nu. 

 

Vandaag is hij een jaar bij ons en niemand weet nog hoe het leven was zonder hem, alsof hij altijd al bij ons hoorde. Hij is mijn vijfde ledemaat, mijn buddy, mijn geluksbrenger. Ik negeer zijn artrose, de ruis in z'n hart en zijn gebit als een vergeten kerkhof, verdring de gedachte aan de korte tijd die mij met hem rest; tijd als een kostbaar, maar fragiel cadeautje, waar ik elke dag dankbaar voor ben.