biekesblog


maandag 22 april 2019

Bim Bam!



Zelden ontplooide een Paasdag zich in zoveel zomerse glorie. Het vooruitzicht van een rijkelijk Paasmaal, hoogzomerweer en een dag Hollandse koers, meer heb ik niet nodig om fluks uit de bedstee te springen. Dat de dag alsnog de hooggespannen verwachtingen ruimschoots wist te overtreffen, omdat iemand zich nergens wat van aantrok, dat kon ik bij de ochtendkoffie onmogelijk vermoeden. Er zou vandaag namelijk koersgeschiedenis geschreven worden.

Nu is wielrennen niet de meest voorspelbare sport van de wereld, maar er zijn wel degelijk een aantal wetten en regels die zich doorgaans laten gelden.
Het wonderkind dat gisteren vriend en vijand uit hun dak liet gaan maakt er een punt van om die wetten en regels straal te negeren. Hoezo, je kan niet aanvallen in de Amstel op 43 km. van de finish? Hoezo, je sprint niet van aan de kop? Hoezo, je maakt geen minuut achterstand goed op de kopgroep in de laatste 5 kilometer voor de finish? Hoezo, je kan niet snoeihard tegen het asfalt smakken en daarna gewoon even fris verder rijden?

Er was gisteren heel wat aan de hand, opmerkelijke feitjes die na een normale wedstrijd uitgebreid becommentarieerd zouden worden. Grootmeester Sagan die opgaf. Belgische hoop in bange Ardense dagen Wellens die van de fiets stapte. Wereldkampioen Valverde die in geen velden of wegen te bespeuren viel. Het stoere Education First. Het viel allemaal in het niets bij de gekkigheid van het veulen. Hij kon helemaal niet winnen. Het was veel te laat om nog te winnen. Maar toch deed hij het. Gewoon. Omdat hij daar zin in had. Omdat hij zich al snel verveelt in een normale koers. Omdat het sterker is dan hemzelf. Omdat hij niet denkt met z'n hoofd, maar met z'n buitenaardse benen, benen die hij onmogelijk stil kan houden. Aan het eind van een honderdtal onvergetelijke slotmeters sloeg hij zichzelf vol ongeloof op het hoofd. "Heb ik dit nou echt gedaan?". Wij vroegen ons precies hetzelfde af.

De Paasklokken klepperden glorieuzer dan fatsoenlijk was. In de buurt van commentaarhokken, radio- en tv-studio's allerhande werden schokgolven van 8 op de schaal van Richter opgemeten. Familieleden die uitbuikend waren ingedommeld, schrokken verdwaasd op uit hun verdiende middagdut. "Wat een mafkees", wist pa Van der Poel grijnzend uit te brengen, een zeldzame uiting van z'n ingehouden bewondering. José, die toch aardig wat koersontknopingen in z'n respectabele geheugen heeft zitten, mompelde "tjonge tjonge tjonge". Topcoureurs haalden opgelucht adem, als waren ze aan een dodelijke aanslag ontsnapt, omdat de nieuwe koersmessias de komende weken niet meer aan de start verschijnt. Wielercommentatoren wereldwijd werden gek of sprakeloos van opwinding. "Ik moet even gaan liggen", bekende een koerstwitteraar ontsteld.

Plots was niets nog hetzelfde. Het wielrennen was die dag heruitgevonden. Door een beginneling. Ploegleiders en koersdokters wereldwijd houden vandaag crisisberaad. Vertwijfeld staren ze naar hun trainingsschema's, beproefde tactieken en wattagemetingen. Iemand gooit zuchtend een hartslagschema in de papierversnipperaar. Iemand anders overweegt een overstap naar het turnen of het bobsleeën. Renners checken hun contracten op vroegtijdige uitstapmogelijkheden.
En Mathieu, die gaat nu gewoon lekker mountainbiken. Daar heeft ie geweldig veel zin in. Als Mathieu ergens zin in heeft, dan is niets onmogelijk.








 

woensdag 17 april 2019

Melkzuurrecord



Zelfs in een koersdevoot land als België zijn de liefhebbers van tijdritten schaars. Rijden tegen de klok heet saai, monotoon en slaapverwekkend. Zelf vind ik het een van de meest poëtische en heldhaftige disciplines op twee wielen. Doorgaans voel ik me vrij eenzaam in mijn tijdritenthousiasme.

Misschien dateert mijn afwijking van die ene zenuwslopende tijdrit uit 1989, die nog helder in m'n geheugen zit. Laurent Fignon verloor zijn Ronde van Frankrijk met 8 luttele tijdritseconden. Je kan een kop koffie inschenken in 8 seconden; "Hallo, hoe is het?" zeggen in 8 seconden. De meeste gedachten nemen meer tijd in beslag dan 8 seconden. Ik herinner me van die legendarische tijdrit vooral de verbijstering van publiek en commentatoren, en het ongeloof van de uitgeputte Fignon. Lemond, ritwinnaar en onvoorziene gele trui, zag er ergerlijk fris uit onder dat ridicule roze petje. Saai was het allerminst.

Wat tijdrijden uniek maakt is evident: je enige tegenstander ben je zelf. Er valt niemand anders iets te verwijten wanneer het niet loopt zoals verwacht. Tenzij je fiets het begeeft. Wie niet consistent snoeihard en ultra gestroomlijnd kan fietsen houdt zich best ver van het tijdrijden.
Toen Victor Campenaerts met veel bombarie aankondigde dat hij het werelduurrecord zou breken, ging er her en der een wenkbrauw omhoog. Victor wie? Het palmares van Campenaerts leest niet als een omnibus. Een etappe in de Ruta del Sol en eentje in de Tirreno Adriatico, niet toevallig allebei tijdritten. Twee keer Belgisch kampioen tijdrijden (een eitje) en twee keer Europees kampioen tijdrijden, niet eens tegen de groten der aarde.
Laten we wel wezen: Campenaerts is geen topcoureur. Dat weet hij zelf ook. Zijn vriend Jef Van Meirhaeghe wond er geen doekjes om: "Victor heeft geen koersverstand". Eerlijke vrienden zijn de beste.

Zijn werelduurrecord naast dat van Merckx leggen is zinloos en onnozel. Merckx was en blijft de beste wielrenner die ooit op een fiets heeft gezeten. Eddy won alles, overal, en had dat werelduurrecord helemaal niet nodig, zeker niet aan het einde van een jaar waarin hij de Tour, de Giro, de ronde van Lombardije, Luik-Bastenaken-Luik en nog een resem andere belangrijke koersen had gewonnen. Maar Eddy heette niet voor niets de kanibaal, en dus moest ook dat wereldrecord aan diggelen. Dat Eddy het werelduurrecord verbrak sprak vanzelf.

Victor Campenaerts is geen Merckx, en ook geen Wiggins. Victor is een eerder middelmatig renner, met bovenmatig veel branie en toewijding, die erin slaagt boven zichzelf uit te stijgen door harder te werken en meer af te zien dan de rest. En net daarom is zijn werelduurrecord mooier en glansrijker dan dat van Eddy en Sir Bradley. Omdat hij iets doet wat buitengewone discipline vraagt, wat zijn talent uitdaagt en tot het uiterste rekt. "Misschien zal dit het hoogtepunt van mijn carrière blijven", reageerde 'Vocsnor' zelf na zijn imposante exploot. Dat zou best kunnen. Maar misschien is dat niet erg. Misschien volstaat de herinnering aan dat ene memorabele en magische uur, waarin hij een werd met zijn fiets, half mens - half machine werd, en de grenzen van de pijn aftaste en overschreed.

Pijn is een belangrijk signaal van het menselijk lichaam. Pijn waarschuwt ons voor nakend gevaar. Wielrenners kunnen als geen ander pijn negeren, erdoor heen fietsen als door een vliegengordijn. In de laatste 10 kilometer beet Victor de vastberadene door de pijn van bijtend melkzuur, zoals een normaal mens door een te lang geroosterd stukje toast. Hij wist dat het hem zou lukken en draaide rondjes als een wasmachine op het droogzwierprogramma. Ik ijsbeerde nagelbijtend heen en weer voor het tv-toestel waar José en Renaat eerbiedig fluisterden. Ik vond het prachtig. Niet omwille van dat record, niet omdat het een Belg was die het flikte, maar omdat het die redelijk middelmatige Victor was die zichzelf en de verwachtingen overtrof, en die met matig talent en bovenmatige toewijding geschiedenis schreef.





maandag 15 april 2019

Een zondag in de hel



Wielerfans beheersen de kunst van het overdrijven. Een koers is niet spannend, maar episch. Renners zijn geen sterke atleten, maar helden. Paris-Roubaix is niet lastig, maar een hel.
We strooien gretig en zonder veel voorbehoud met hyperbolen en hoofdletters en genieten daar zichtbaar van. Wie ons droog en zakelijk op ons gebrek aan relativeringszin wijst, vinden we een droogkloot of spelbederver.
Voor geen enkele koers hebben we zoveel superlatieven veil als voor Paris-Roubaix, een ruim 250 km lange lijdensweg langs godvergeten Noord-Franse slaapdorpen en velden, over kasseistroken (secteurs pavés) waar een mens zich zelfs te voet slechts met moeite overeind houdt. De bonkige 'pavés du nord' hebben de reputatie even koppig en weerbarstig te zijn als de stugge Noord-Fransen zelf. 

Die ene heilige en langverwachte voorjaarszondag worden de uitgewoonde dorpjes van le Nord-Pas-de-Calais overspoeld door uitgelaten hordes Vlaamse koersgekken. Bescheiden volkscafés als Le Pavé of Café du Sport verdubbelen hun jaaromzet in een enkele namiddag. Boeren sakkeren omdat hun vers geploegde velden platgetreden worden door niets ontziende wielerfans.

Ik reis mee met Dominique en vrienden, ervaren Roubaix-pelgrims met goesting en opwinding en handig veel parcourskennis.
Eerste en obligate halte: het mythische bos van Wallers, waar zich de beruchte kasseistrook Trouée d'Arenberg verschuilt tussen de bomen. Hier brak Museeuw z'n knie en Gaumont z'n dijbeen. Van op afstand ziet de weg er onschuldig en idyllisch uit. Tot je de kasseien betreedt. Ik struikel drie keer over een lompe en dwarse steen en sla bijna m'n voet om in het gladde gat tussen twee kasseien. Ik wil niet eens weten hoe je hier overheen fietst. "Ik heb het vorig jaar geprobeerd, maar het is ondoenbaar. Fietsen doe je hier in de berm." verklaart Jef uit eigen ervaring. De kasseistrook wordt op dat vroege uur al omsingeld door reikhalzende koersfans, met vlaggen en petjes uit alle werelddelen. Barbecues worden aangestoken met een scheut benzine. Er wordt met coolboxen vol bier gesjouwd. Een man wappert optimistisch met een vlag waarop het hoofd van Oliver Naesen ons toegrijnst.



Er is geen tijd om te mijmeren, want de koers wacht niet. Op naar onze eerste post, een kasseistrook tussen hoger liggende velden, van waar je perfect zicht hebt op uit de bocht knallende renners. "Als de helicopter boven ons hoofd hangt komen ze eraan", zo leer ik. Radio Sporza heeft ons min of meer op de hoogte gebracht van de stand van zaken: er wordt belachelijk hard gevlamd, er wordt gevallen, er wordt lekgereden. Van in de verte zien we ze komen, tussen stofwolken, volgauto's en motoren. Loeihard vliegen ze de bocht om. Ik probeer te zien wie er in de kopgroep zit en spot Van Aert, Van Avermaet, Sagan, Vanmarcke en Stybar. Sep oogt gezwind. Ik krijg instant spijt dat ik hem na zijn mottige valpartij van een paar weken geleden zonder omwegen uit mijn Sporza ploeg heb gekegeld.



In een dorp van 3 straten, waarvan ik de naam ben vergeten, houden we halt voor de innerlijke mens. Wanneer we de deur van het dorpscafé openen, walmt de geur van braadworst en frieten ons tegemoet. Het café zit afgeladen vol West-Vlamingen, die daar samentroepen op uitnodiging van ex-renner Nico Mattan. Dampende schalen vlees en flessen wijn gaan in het rond; in de onooglijke keuken en achter de toog kunnen ze het tempo amper bijhouden. De 4 vaste stamgasten van het café verschansen zich in een tochtige hoek achterin het café, beduusd door zoveel Vlaams jolijt. Wij slaan een apero achterover en grissen een stuk lookworst en rillettes mee. Dan moeten we hoogdringend verder, weer de koers in.

Dominique blijkt een begenadigd rallyrijder. Jos kent het parcours als z'n broekzak en wijst blind de weg. We snijden bochten aan alsof er iemand ligt dood te bloeden op de achterbank en we op weg zijn naar de spoed. In de koffer rammelen de koffiemokken. Mijn maag ziet elke hoek van mijn buikholte. Rode lichten worden genegeerd wanneer Dominique besluit dat ze geen functie hebben. Spookrijden mag wanneer de nood hoog is. Treuzelende voorliggers halen we rechts in, door een keurig vers geploegd veld. Ik sla 7 keer m'n handen voor m'n ogen. Maar we zijn wel op tijd voor de volgende kasseistrook. Dat ik dringend moet plassen is bijzaak. Over de radio vernemen we dat Iljo Keisse tegen een verkeersbord is geknald. Exit Iljo. Even later komt Tiesj Benoot onzacht in aanraking met de achterruit van een ploegwagen. Exit Tiesj. Koersen is soms vooral een afvalrace.

Tijdens hun tweede passage zien de favorieten er een stuk minder fris uit. Bestofte tronies, de ogen diep in de kassen, blik op oneindig. Ik check of Sep er nog zit. Sep zit er. Hij zit prima. Ik juich. Als ik iemand die kassei gun, dan Sep Vanmarcke wel, de man die Murphy altijd en overal in z'n kielzog heeft. Ik zou die verrekte erekassei met m'n blote handen uit de grond wrikken om Sep ermee op het podium te zien staan.
"Die grote jongen van Quickstep die zo hard kan rijden, hoe heet die nu weer?" vraagt Jos. "Tim Declercq, ook wel eens 'de tractor' genoemd", antwoord ik stellig. "Nee, het is niet Tim Declercq", sputtert Jos. Ik weet heel erg zeker dat het Tim Declercq is en zou Tim tussen duizend andere renners herkennen, maar ik ben een vrouw, dus moet bewijzen dat ik weet waarover ik het heb. Mijn  antwoord wordt online gefactcheckt, en ik blijk zowaar gelijk te hebben. Uiteraard heb ik gelijk. Een tiental koersweetjes verder durf ik stilaan hopen dat ik volgend jaar weer mee mag. Maar er is geen tijd voor uitvoerige beschouwingen, want we hebben haast.



Het belachelijk hoge tempo eist z'n tol: renners zwalpen, smakken tegen de grond en geven op. Dominique besluit een tandje bij te steken en legt ons geheime traject af zonder te remmen. We kreunen in stilte op de achterbank. Niemand heeft honger. Ik moet nog steeds plassen, maar besluit dat te negeren. Parkeren waar het eigenlijk niet mag of kan, uit de auto springen, een sprintje trekken van zodra we de helicopter horen, post innemen, liefst in een bocht: het wordt snel routine. Ik ren over de veldwegen alsof er iets te winnen valt, en heb nog nooit zo vurig gewenst dat ik rechtstaand kon plassen.

Op onze laatste post is de kopgroep stevig uitgedund. Vooraan rijden Philippe Gilbert en Nils Politt. Ik staar als verdoofd naar de gebeitelde en gefocuste kop van Gilbert en vergeet een seconde lang waar ik ben. Een smak tegen m'n linkerhand, mijn telefoon die uit m'n hand wordt gekwakt, een paar meter verder de berm in. Ik hoor iets roepen in het Duits en zie nog net de rug van Nils Politt verdwijnen in de verte. Ik stond in de weg, zo blijkt. Pijnlijk gênant voor iemand die thuis steevast naar de televisie brult dat die dwaze toeschouwers uit de weg moeten. "Je had bijna het nieuws gehaald", lacht Dominique. Ik zou het mezelf nooit vergeven hebben als Politt door mijn schuld was gevallen. Van consternatie vergeet ik bijna te checken waar Sep zit. Sep zit goed. Sep is mee. Sep is een en al focus. Wout, die we collectief afgeschreven hadden na dubbele pech, komt op miraculeuze wijze aansluiten. Hij ziet eruit alsof hij uit een net belaagde loopgraaf komt: asgrauw en met lege ogen. Sagan, de rockgod der hedendaagse wielerhelden, trapt op automatische piloot en karakter verder, maar smacht zichtbaar naar de finish.



Laatste halte: een sportcafé in een dorp waar de kermis de koers doorkruist. We zien de Rwandese Joseph Areruya langskomen met een paar andere gedropte kompanen. Iedereen juicht voor Joseph. Ik vraag me af wat hij denkt, temidden van deze koersgekte, dokkerend over brute kasseien in een land waar geld genoeg is voor asfalt, maar waar kasseien erfgoed zijn.

Tijdens de zenuwslopende finale, die we gadeslaan zonder de lyrische snoeverijen van Michel en Karl, sneuvelen twee van mijn vingernagels en nip ik van een belachelijk groot uitgevallen picon-vin blanc in een bierglas. Een viertal Franse stamgasten zit rustig te kaarten, onverstoorbaar tussen de opgefokte Vlaamse koersfans. Ik vloek voor Sep met de kapotte fiets en voor Wout met de lege benen, en bid voor Gilbert, die vandaag nog een meter groeit in de ogen van wie hem al lang een grote meneer vond. 36 is hij, een leeftijd waarop een coureur aan zijn pensioen hoort te denken. Phil is nog lang niet klaar voor z'n pensioen. We brullen hem hem over de meet. Of er een Belg gewonnen heeft, wil een kaartende stamgast weten. We bevestigen. "Ha, c'est bien ça". De koers kan hem gestolen worden, zoveel is duidelijk.

Pas thuis zie ik de aankomstbeelden van de minder fortuinlijken van de dag. Vanmarcke is ontroostbaar. Van Aert kan amper nog spreken en valt van z'n fiets het gras in, zoals je drilpudding op een bord stort, happend naar adem. Reporters duwen genadeloos een microfoon onder hun neus en stellen vragen, en nog meer vragen, ook wanneer al lang duidelijk is dat er geen zinnige antwoorden zullen komen, dat er alleen onpeilbaar verdriet en uitputting te rapen vallen. Wat zou ik een feeks van een rennersvrouw of ploegleider zijn, zo eentje die aasgieren nijdig uit de weg duwt.
Gilbert spoelt het stof en het zweet van zijn pezige lijf in de legendarische douches van de velodroom van Roubaix. In geen enkele andere sport komen reporters op het idee vermoeide atleten te achtervolgen tot in de douches.
Terwijl ik een pondje Noord-Frans stof uit beide neusgaten snuit, bedenk ik dat de koersoverdrijvingen en -hyperbolen soms gewoon kloppen; dat de hemel van de een en de hel van de ander verdacht veel op elkaar lijken. Nog 364 dagen en ik mag weer mee.






maandag 8 april 2019

Een dag in de Ronde van Vlaanderen voor Vrouwen



Het is 06u20 wanneer mijn wekker afgaat, een onzalig uur op een zondag. Maar daarover hoort u mij niet klagen vandaag. Ik word ten laatste om 09u verwacht in het Bernarduscollege van Oudenaarde, het hoofdkwartier van de Ronde van Vlaanderen voor vrouwen, voor een dag in het kielzog van de koersdirecteur. 
 
De trein van Gent naar Oudenaarde is nagenoeg leeg, op wat Engels- en Spaanssprekende koersfanaten na. Terwijl ik nog maar eens de deelnemerslijst en het parcours overloop vang ik flarden op van verwachtingsvolle gesprekken over de koers der koersen, en over de buitensporige wielergekte in dit onooglijke stukje Europa. “This is my second time here, and believe me, they’re crazy as fuck about cycling in Flanders”, zweert een veertiger met een Amerikaans accent en een sweater met een fiets op.

Op de markt van Oudenaarde staan ploegbussen en –busjes klaar en worden de eerste pinten achterover gekieperd. Mijn maag krimpt samen en mijn hoofd verlangt vurig naar koffie. Die is vast makkelijk te vinden, maar ik herhaal het mantra “niet drinken, want in de koers is er is geen tijd om te plassen”.
Aan de ingang van het hoofdkwartier staat een potige kerel die er uitziet alsof je beter niet met hem in discussie gaat. Ik begroet hem zo hartelijk als ik op dit uur en zonder koffie kan opbrengen. 7 seconden later sta ik binnen, zonder pasje. De naam van de koersdirecteur uitspreken alsof je hem al jaren kent doet wonderen in dit soort omstandigheden.

De koersdirecteur in kwestie, Jo Gosseye, is een en al rustige bedrijvigheid, maar neemt de tijd om me warm te verwelkomen, me een pasje in de handen te duwen en me aan te wijzen met welke auto we straks vertrekken en wie de chauffeur van dienst is. Ik gris een koffiekoek van het ontbijtbuffet en kijk rond: de zaal is gevuld met politiemensen, hulpdiensten, motorrijders en fotografen, de onzichtbare pijlers van de koers. Aan de inschrijvingstafel komen ploegleiders en assistent ploegleiders hun ploeg aanmelden in al dan niet gebrekkig Engels. 

Tijd voor de briefing. Ik heb niets beters te doen dus laat me gewillig briefen. Het parcours wordt in detail overlopen en toegelicht, met extra aandacht voor mogelijke obstakels en probleemzones. Het heeft die nacht flink geregend in de regio, met glibberige kasseien als gevolg. Een aantal beruchte kasseistroken zijn bezaaid met meer gras dan kasseien, en dat betekent weinig meer of minder dan schuivers en valpartijen. Er loopt ook een spoorweg doorheen het parcours. Er wordt meegedeeld wanneer de trein langs rijdt en hoe lang de spoorweg dicht zal zijn. De kans dat renners en volgers voor een gesloten slagboom staan blijkt reëel. En dan is er nog het publiek, dat op sommige stroken zo dicht op elkaar gepakt staat dat het uitkijken wordt om niet over tenen, kindjes of hondjes te rijden. Ik slik dapper.

Tussen briefing en vertrek zit nog ruim de tijd voor een frisse neus, dus ik vervoeg de steward aan de ingang voor een babbel. Hoe lang hij daar moet staan, vraag ik. Tot negen uur vanavond, zo blijkt. Twaalf uur op post, zeurende passanten en opgewonden medewerkers trotserend: als ik bewonderd kon fluiten had ik het gedaan. We kijken samen naar de rensters die voorbij fietsen. Lotte Kopecky ziet er opmerkelijk ontspannen uit. De lange haren van Annelies Dom zitten in een prachtige hoge knot boven op haar vrolijk kletsende hoofd. Ik vraag me af hoe ze die knot straks onder haar helm gepropt krijgt, een vraag die onbeantwoord blijft.

“Die meisjes rijden voor een appel en een ei”, zegt de potige lieverd. “Schandalig”. Ik knik instemmend. “En altijd supervriendelijk, die meisjes”, zegt hij nog. “Terwijl die mannen hier paraderen alsof ze kweetnietwat zijn”. Hij zit al jaren in de koers. Zijn broer was coureur, maar won nooit wat. Als jonge snaak moest hij de koersfiets van z’n broer kuisen na de wedstrijd. Geen wonder dat dienstbaarheid en nederigheid de man als gegoten zitten. “Ik zou eigenlijk liever op de motor zitten in de koers”, bekent hij. Ik knik begrijpend. In mijn stoutste dromen dokker ik ook achter de brede rug van Renaat over de kasseien.

Rik, de chauffeur van de koersdirecteur, blinkt de motorkap en de bumper van de vuurrode Volvo op met een zakdoek, kwestie van het startsignaal proper en in stijl te geven. Sponsor Volvo wil vast geen stoffige of besmeurde auto in beeld zien.
Op de markt heeft zich intussen al behoorlijk wat publiek verzameld. Burgervader Marnic (de Marnic voor de vrienden) heeft z’n mooiste kostuum aan. De Belleman staat klaar. De ploegen en de rensters worden voorgesteld op het podium, zij het niet door populaire radio- en tv-presentatoren. Die hebben het te druk met de mannen in Antwerpen. Achter de rode Volvo verzamelt het peloton zich druppelgewijs. Ik spot Christine Majerus, de Luxemburgse kampioene, de Deense Christina Siggaard en Lotte Kopecky, onze eigen kanshebber voor vandaag.

 

Koersdirecteur Jo vraagt om de twee minuten hoe laat het is, kwestie van op tijd uit het dak te gaan hangen met z’n rode vlag. “Ligt mijn haar een beetje goed?” vraagt hij nog snel aan zijn vriendin Nicole, die naast me op de achterbank zit. Zijn haar ligt keurig, vind ik. Net als dat van Nicole, die er feestelijk en patent uitziet op deze hoogdag. Ik twijfel even over m’n eigen voorkomen: ik zie ik er uit alsof ik op scoutskamp vertrek, en zo voelt het ook. Radioverbindingen worden een laatste keer gecheckt. Het is tijd.
De Belleman oreert, de rode vlag zwaait, en daar gaan we; onder luid applaus. Ik werp een blik door de achterruit en krijg bijna een hartverzakking als ik zie hoe dicht de 142 rensters achter onze auto aan rijden. Een keer remmen en ze tuimelen in onze koffer. Ik bid in stilte tot de wielergoden dat er niet geremd wordt.

Pas 8 kilometer verder, op de Heirweg in Kruisem, begint de wedstrijd echt. Als een pijl uit een boog schiet onze auto vooruit, de rensters achterlatend voor hun calvarie van 160 kilometer. Tien minuten later: de eerste lekke band: Kopecky staat plat, zo vernemen we door de wedstrijdradio. Nu al? Dat belooft weinig goeds. Nauwelijks vijf minuten later: een eerste valpartij. Coryn Rivera, een van de favorieten, ligt erbij. Over en uit voor Coryn Rivera. De valpartijen volgen elkaar op. Ik heb nauwelijks de tijd om de rugnummers te zoeken op m’n lijst terwijl ze omgeroepen worden. "De rotonde in Zottegem is een typische valplek", zegt Jo, met de wijsheid van jaren koerservaring. "Daar gaan ze altijd tegen de grond".

Dringend radiobericht: de spoorweg is dicht. We moeten de kopgroep tegenhouden. De auto vertraagt, Jo gaat uit het dakraam hangen met z’n rode vlag en wappert waarschuwend. De drie ontsnapte rensters kijken verveeld en begrijpen nauwelijks wat er gebeurt, maar dat ze moeten vertragen is duidelijk. Van zodra de slagboom weer opengaat kunnen we verder. Het oponthoud is van korte duur.

We banjeren en dokkeren verder, over kasseien en asfalt, heuvel op, heuvel af, langs schilderachtige valleitjes, dicht opeengepakte meutes publiek en her en der een overbevolkte VIP-tent. Ik noteer waar ik volgens jaar wil staan: op de Taaienberg in Etikhove. Het is er schilderachtig mooi en er staat opmerkelijk weinig volk. Bovendien is er een café met een terras.

Intussen is de ongelukkige Alena Amialiusik na een val naar het ziekenhuis gebracht. Het lijkt me vreselijk, moederziel alleen in het ziekenhuis belanden in een land dat je niet kent en waarvan je de taal niet begrijpt. Even later telefoon voor Jo: het ziekenhuis van Geraardsbergen laat weten dat de ploegleider van Amialiusik contact met hen moet opnemen. Ze kunnen de renster niet officieel inschrijven aangezien ze geen papieren op zak heeft. Je rijdt geen koers met je paspoort of verzekeringsbewijs op zak. “Of er iemand goed Engels spreekt?” vraagt Jo, die opgroeide en naar school ging toen Engels geen prioriteit was. Ik beken dat mijn Engels prima is, en krijg de bedenkelijke eer om de ploegleider van Canyon/Sram te bellen. De man klinkt alsof hij ondersteboven in een zwembad hangt en zijn Engels is twijfelachtiger dan dat van Peter Sagan in de beginjaren van z’n carrière, maar hij sluit de conversatie af met “Yes, yes, yes, thank you”, dus ik ga er gemakshalve van uit dat hij me begrepen heeft.

Mensen doen gekke dingen in de koers. Oversteken, in de weg lopen, met vlaggen zwaaien, hun peuters niet bij de hand houden. Jo en Rik sakkeren opmerkelijk weinig. Ik bedwing de neiging om nu en dan m’n ogen dicht te doen.
Opeens rijden er twee auto’s en een busje tussen onze auto en de begeleidende politiewagen in. “Wie zijn dat?!” foetert Jo. “Die mannen moeten hier weg!” roept hij in de radio. “Het zijn er van ons” oppert Rik, wanneer we 'Ronde van Vlaanderen' en 'Flanders Classics' lezen op de zijkant van de wagens. “Van de mannen, ja!” dondert Jo. “Die hebben hier niks te zoeken!”. Met nijdige armgebaren en geclaxonneer worden de wagens zonder pardon uit de koers gezet. Wanneer we hen voorbijrijden bedenkt Jo luidop dat het wel eens de grote baas zou kunnen zijn. Grote baas of niet, je rijdt niet ongestraft en ongevraagd door zijn vrouwenkoers. Punt. Ik maak een flauw grapje over een C4 die morgen klaarligt op het bureau van Wouter Vandenhautte. Goddank kan hij ermee lachen.

De wedstrijd in detail volgen is onbegonnen werk. Verschillende stemmen buitelen over elkaar heen op de radiokanalen, de ene al opgewondener dan de andere. Terwijl het op televisie lijkt alsof er nauwelijks wat gebeurt, gebeurt er elke 3 minuten iets. Aanvallen, lekke banden en technische problemen bij de vleet. Ploegleiders en fotografen krijgen elk half uur een bolwassing omdat ze zich niet aan de afspraken houden. In al die commotie is het zaak de blik keurig op de weg voor ons te houden om niet kotsmisselijk te worden op de bochtige en hellende wegen van de Vlaamse Ardennen. Het flesje cola in mijn overlevingspakket blijft onaangeroerd. Niet drinken, niet drinken, dreint het in mijn hoofd. Ik had beter mijn koersbroek aangetrokken, voor het geval ik in m’n broek moet plassen.

Op de Oude Kwaremont breekt de wedstrijd helemaal open. Europees kampioene Bastianelli, Annemiek Van Van Vleuten, de Deense Cecilie Uttrup Ludwig en de Poolse Niewiadioma schudden de tegenstand af en vormen een ijzersterke kopgroep. Mijn favoriete Marianne Vos blijft achter met een lekke band. Ik vloek, niet voor het eerst vandaag. “Bastianelli wint, die heeft veruit de snelste benen” orakel ik luidop. “Jij volgt het echt wel, precies?” vraagt Jo. Ik voel me betrapt als hardcore-koersfanaat.

Met de eindmeet in zicht begin ik - met kurkdroge mond - te verlangen naar een wc. Nog even volhouden. Een paar minuten voor de eindsprint tussen Van Vleuten en Bastianelli parkeert Rik de auto achter de finish. We stappen uit en terwijl ik snel naar de finish wandel komen ze verschroeiend hard aangestormd. Indrukwekkend om een zegesprint frontaal te aanschouwen. Over de meet springen verzorgers en ploegleiders uit alle hoeken. De Franse kampioene Aude Biannic staat ontroostbaar te huilen, de rest van het Movistar team bemoedigend om haar heen. Cecilie Uttrup Ludwig, die derde werd, rijdt met een grijns van oor tot oor voorbij, dolgelukkig, zoals later zal blijken in het vrolijkste en memorabelste koersinterview ooit. “It was sooo much fun. I felt like a dead fish, but it was really cool”, vertelt Cecilie, die de tijd van haar leven had vandaag.




Ons rest enkel nog de auto keurig terug te brengen naar het hoofdkwartier, waar een wc, koude pintjes, worstenbroodjes en een groot scherm voor de finale van de mannen ons opwachten.
We zijn net op tijd om de bovenmenselijke Mathieu van der Poel op verdacht knullige wijze tegen de vlakte te zien gaan, en op nog onwaarschijnlijker wijze weer vooraan te zien verschijnen, alsof iemand hem naar de kop van de wedstrijd heeft geteleporteerd. Nicole volgt angstvallig de avonturen van haar grote favoriet Peter Sagan. Ik weet vrijwel zeker dat het Sagan niet wordt vandaag, maar waag het niet dat luidop te verkondigen. Koersverwachtingen sla je niet ongestraft aan diggelen.
Het wordt de bizarste finale in jaren. Wereldkampioen Valverde rijdt op z’n 38ste z’n eerste Ronde van Vlaanderen, zonder parcoursverkenning, en dokkert met z’n Movistar-kompanen over de kasseien alsof hij nooit iets anders heeft gedaan. Sep Vanmarcke, die ik vorige week genadeloos uit m’n Sporza-ploeg flikkerde na de zoveelste val met blessures, rijdt met z’n tong uit z’n mond aan kop alsof iemands leven ervan af hangt. De volstrekt onbekende Dries Van Gestel van opleidingsploeg Sport Vlaanderen-Baloise trapt lustig mee met de topfavorieten. Van der Poel lijkt van staal. 

En dan schiet Bettiol weg. Een outsider, die weliswaar een prima voorjaar achter de rug heeft, maar door haast niemand, ook door hemzelf niet, tot de kanshebbers werd gerekend. De gedoodverfde favorieten blijven verdwaasd achter en kijken naar elkaar. Het is gedaan, zoveel is duidelijk. De vogel is gaan vliegen. Michel en José stamelen verbijsterd. Nicole is ontroostbaar. "Er komen nog kansen voor Sagan", probeer ik bemoedigend. Jo zet een ijskoud pintje voor m’n neus en haalt z’n schouders op. “Weet je wat het is met die mannen? Die rijden niet. Het is allemaal tactiek en naar elkaar kijken, en dan is het ineens te laat. De vrouwen, die rijden gewoon, zonder al dat gezever. Geef mij maar de vrouwenkoers. Schol.”




















--> -->

dinsdag 2 april 2019

Autist!

"Ik wil volgend jaar stoppen met breakdance op woensdag." De onaangekondigde melding van de oudste slaat mij uit m'n lood. Hoezo stoppen met breakdance? Hij is gek op breakdancen. Hij doet het al bijna vier jaar en komt nu en dan trots een nieuwe, met bloed, zweet en tranen ingeoefende 'move' tonen. Hij is nog nooit met tegenzin naar de les vertrokken. Dacht ik.

"Waarom wil je stoppen?", wil ik oprecht graag weten. "Ze maken opmerkingen." "Wat voor opmerkingen?" "Als ik even niet oplet of verstrooid ben roepen ze meteen wat ik moet doen, alsof ik stom ben." "Wie doet dat?" "De andere kinderen". Het blijft even stil. Ik zoek naar de juiste woorden, in de hoop dat die bestaan. "Ik snap dat dat vervelend is. Heb je hen al eens gezegd dat je hun opmerkingen niet fijn vindt?" "Duh! Nee, natuurlijk niet. Dat helpt toch niet!" "Misschien helpt het wel. Misschien weten ze gewoon niet dat jij er last van hebt?" "Nee." Ik zucht, omdat ik het patroon herken. Als de opgeving hem niet omarmt, dan sluit hij zich af of loopt hij weg. Hij gaat niet in gesprek, hij vecht niet terug. Hij verdwijnt. Hij geeft het op. Hij ziet er de zin niet van in, van al dat communiceren en proberen. Zijn besluit staat vast.
"Zal ik eens met de leraar praten?", opper ik voorzichtig. "No way! Dan denken ze allemaal dat ik een klein kind ben!" Ik bijt op m'n tong. "Weet je, ik heb gewoon het gevoel dat ze mij niet respecteren zoals ik ben." Pijnlijke stilte. Ik zwijg. Omdat ik weet dat hij wellicht gelijk heeft.

"Waarom ben jij zo raar?" hoorde ik ooit een vriendje van een buurjongen ongegeneerd in zijn gezicht gooien. De jeugdbeweging, kampjes allerhande, schooluitstappen in groep: het viel hem niet mee. Hij wil andere dingen, hij begrijpt de gebruiken en de codes niet, hij vindt het gedoe. Hij vindt het makkelijker op z'n eentje, zonder verwachtingen die hij toch niet kan inlossen. Thuis, op school, bij z'n familie is het veilig. Daar hoeft hij niemand te zijn die hij niet is. Elders is het erop of eronder. Vaker eronder dan erop.

Ik had geen etiket nodig om te weten dat hij wat apart was. Een aparte peuter, een aparte kleuter, een apart kind en nu dus een aparte tiener. De diagnose sloeg niet in als een bom, maar bevestigde gewoon dat ik niet gek was.
"Maar hij is zo open en lief en spontaan!" roepen mensen verbaasd als ik het terloops vertel, wanneer het relevant is. Alsof ASS aan de buitenkant zit. Alsof elk kind met ASS Rainman is. Alsof hij niet gewoon hij is, en dus sowieso uniek. De clichés over autisme zijn talrijk en onnozel en doen vaak weinig ter bevordering van het collectieve begrip. Ja, hij is spontaan en openhartig. Ja, hij houdt van knuffelen en kust de mensen die hij graag ziet uit vrije wil. Ja, hij kan empathisch zijn. Ja, hij heeft humor en begrijpt ironie. Nee, hij is geen hypergefocuste nerd die alle cijfers na de komma van het getal pi uit het hoofd kent.

Sinds kort heeft hij een smartphone. In tegenstelling tot z'n leeftijdgenoten gebruikt hij die niet om te chatten, maar vooral om z'n huisdieren te fotograferen en sites vol gekke dierenfilmpjes te volgen. Terwijl ik op m'n werk zit komt er een hartje en een virtuele kus binnen in mijn Instagram-berichtenbox. Als ik thuiskom zit hij zich te bescheuren bij een filmpje van een kat die de roekeloze sprong waagt van de sofa naar de kast, en ergens tussen de twee meubels in naar beneden stort. Ik kijk net iets te lang naar hem, omdat ik het niet laten kan, omdat hij mij blij maakt.

Later wordt hij hondenoppas, zegt hij. Honden begrijpt hij, in tegenstelling tot de meeste mensen.  Bovenal lijken de honden hem ook probleemloos te begrijpen.

Ik denk dat hij zich wel redt, op zijn manier, ondanks het eeuwige en onverbeterlijke vergeten, het opgewonden fladderen en het buitensporige tateren, de blinde vlekken en de maffe obsessies. Maar het zou wel helpen als de wereld af en toe wat minder genadeloos was voor wie niet standaard is. Tot het zover is, ga ik toch maar eens met die dansleraar praten.

donderdag 28 maart 2019

“It’s just a bike race”


Het gebeurt wel vaker dat koersfilmpjes viraal gaan. De schertsende fratsen van Peter Pan Sagan bijvoorbeeld, zijn vaker wel dan niet bovengemiddeld populair bij wielerfans. Een wheelie hier, een plagerig uitwijkend voorwiel daar, het publiek lust er pap van.
In de categorie “niet leuk” zien we monstercrashes en duizelingwekkende valpartijen langskomen, de ene al griezeliger dan de andere. Vallen suckt, maar geen koers zonder valpartij.  Oh, wat zien we ze stiekem graag tegen het asfalt smakken, die renners. Zolang het maar niet fataal afloopt. Koersfans zijn latente sadisten. Hoe wij ontspannen achterover leunend, met koffie en taart of een biertje, naar lijdende, strijdende en vallende mensen zitten staren op een vrije dag: het heeft iets verdachts.

Zolang ik me herinneren kan wordt er breed en hard gevallen in de koers. Een gladde of wiebelende kassei, een steentje op de weg, een uitwijkende beginner, een moment van onoplettendheid, een competitieve elleboog, en smak: daar liggen ze weer. Een moment van verbazing, een binnensmondse vloek of twee, een snelle check-up van de fiets, een duwtje in de rug en de koers gaat verder. Wie niet verder kan wordt afgevoerd en opgelapt. Pech gehad. Zoals dat gaat.

Wie overeind blijft haalt opgelucht adem, dankt de koersgoden omdat hij er niet bij lag, en rijdt behendig om de ongelukkige vallers heen. Verder, altijd maar weer verder. Geen tijd te verliezen.

Veel van wat je je kinderen leert lijkt waardeloos in de meedogenloze wetten van de koers. Elkaar helpen, zorg dragen voor een ander: daar is geen tijd voor, met 250 kilometer te trappen aan een rotvaart, met een nerveuze ploegleider in je oren en maar drie plaatsen op het schavot in het verschiet. De finish wacht niet. Zelfs niet wanneer een renner die even voordien onderuit ging voor z’n leven vecht. De ongeschreven regels van het wielrennen staan nergens in steen gebeiteld, maar worden zelden in vraag gesteld.

Zo nu en dan zien we een renner die lak heeft aan geplogendheden en gebruiken, aan do’s and don’t’s; eentje die beseft hoe relatief twee wielen en een ruiker bloemen zijn in de context van het echte leven. Het soort renner die je gretig aan je kinderen presenteert als rolmodel voor hoe je hoopt dat zij zich zullen gedragen.

Michael Hepburn is een uitstekend baanwielrenner en tijdrijder. Niet het soort renner waar wielerfans zich opgewonden rond verdringen. Geen ultrabehendige speelvogel, noch imposante puncher en al helemaal geen victoriekraaier. Michael is het soort renner de “It’s just a bike race” onder z’n Twitterprofielfoto heeft staan, een wijs mantra dat we al eens durven vergeten in het heetst van de wedstrijd.
Uitgerekend Hepburn ging viraal, omdat hij na het nipt ontwijken van een snoeiharde crash in de driedaagse Brugge-De Panne niet geroutineerd doorreed, maar afstapte, z’n fiets keurig aan de kant zette, de fiets van een ongelukkig gevallen collega trok, en de verdwaasde collega uit z’n onrustwekkende foetushouding rechtop zette om te checken of hij ok was. Het leek zo doodnormaal, hoe hij dat deed. Maar we wisten allemaal dat het bijzonder was. Pijnlijk bijzonder.

In gedachten zag ik de gezichten van minder fortuinlijk gevallen renners als een diavoorstelling voor m’n netvlies glijden. Ik dacht aan Parijs-Roubaix, de koers der koersen, waar zo intensief gevallen wordt dat niemand kan bijhouden wie waar tegen de vlakte gaat; waar Michael Goolaerts nooit meer aan de start zal verschijnen. Ik ben vergeten hoe vaak er in het commentaarhok werd gezegd dat het allemaal relatief was, maar weet wel dat de wedstrijd altijd doorging. De wedstrijd gaat altijd door. Tot iemand beslist dat hij niet meedoet met die onzin, omdat er iemand in nood is. Tot iemand rustig, maar beslist afstapt en het welzijn van een collega nu even belangrijker vindt.

Michael Hepburn heeft gisteren de koers niet gewonnen. Daar lag hij vast niet wakker van. Hij won wel het hart van heel wat koersfanaten. Blijkbaar zijn we toch niet zulke onverbeterlijke sadisten. Alleen moet iemand ons daar af en toe even aan herinneren. Iemand als Michael bijvoorbeeld.












dinsdag 5 maart 2019

'Het is koers!' for dummies


Koers voor dummies


Of u daar nu blij of wanhopig van wordt, het koersseizoen is geopend. Vanaf nu valt er elke week wel een wielerwedstrijd te bekijken, te analyseren, te becommentariëren of te mijden. Koersfanaten ontwaken uit hun winterdepressie. Wie de koersliefde niet deelt, ondergaat de wielergekte gelaten. Meestal valt de koersheisa vrij vlot te ontwijken. Behalve op de Hoogdag der Vlaamse Hoogdagen: de Ronde van Vlaanderen en in juli, wanneer het peloton drie weken lang door Frankrijk sjeest en iedereen, zelfs de buurman met z’n Clubsjaal die geen kasseistrook van een col kan onderscheiden, ‘s avonds naar Karl kijkt in Vive le Vélo.

Wees niet bang om toe te geven dat u er niets van snapt, beste koersleek. U bent niet de enige. De meeste mensen snappen geen hol van de geschreven en ongeschreven wetten van de koers, maar doen gewoon alsof.  Het goede nieuws is: dat mag. Koers is geen wetenschap. De koers lost geen wereldproblemen op en levert geen innovatieve inzichten over mens en samenleving (hoewel). Koers is Shakespeariaans drama en emotie, veel theater, wat sjans en een tikje strategie.

Mocht u ondanks alle waarschuwingen toch inzicht willen krijgen in de regels van de koers, omdat u argeloos verliefd werd op een koersfanaat, omdat u indruk wil maken op de koersgeobsedeerde schoonfamilie, of omdat u de diepere gronden van deze bizarre pijler der Vlaamse identiteit wilt begrijpen, dan is deze handleiding voor u. Maar kom niet klagen wanneer u de regels schaamteloos met de voeten ziet treden op televisie.

Koers is een feodale sport.
Geen feodaler sport dan het wielrennen. De koers kent een strikte hiërarchie, waarin rangen en standen de gang de loop der dingen bepalen. Bovenaan de pyramide staat het geld: de sponsors en geldschieters weten dat er zonder hen niet gekoerst wordt, dus trekken ferm aan de lakens. De manager van de ploeg wikt, weegt, scout, kiest, zet in. Wie kopen we en wie laten we gaan? Wie is kopman/vrouw in welke wedstrijd? De ploegleider is het brein achter tactiek en strategie, en verdeelt de rollen van de dag. De kopman of -vrouw is het goudhaantje, de voorman (m/v/x) op de werkvloer. Hij (zij verdient sowieso belachelijk weinig) verdient veel meer, ontvangt de bloemen en de kussen, gaat met de aandacht en de prijzen lopen. 
Onderaan staat de knecht, de waterdrager, de working class hero van het peloton vol matig betaalde arbeiders. Hij of zij houdt de kopman/vrouw uit de wind, staat z’n/haar fiets af wanneer de kopman/vrouw pech heeft, verdeelt eten en drinken, wacht binnenvettend op de achtergebleven leider.
Dromen doet hij/zij zelden. Hij/zij kan van alles wat, maar niets echt goed genoeg. Hij/zij blinkt nergens in uit. De koers is een job, een stiel. Knechten winnen zelden. Maar als ze winnen, dan zijn we even blij als zijzelf. Winnende knechten zijn als groene spechten: zeldzaam en dus bijzonder. 
Straffe kopmannen en -vrouwen kost natuurlijk wel wat, soms meer dan ze waard zijn, maar als je je kopman/vrouw slim kiest levert die overwinningen en aandacht op, iets waar de sponsor blij van wordt. Ploegen zonder toppers winnen zelden en hebben veel minder geld te besteden dan de koningsploegen, die de overwinningen aan elkaar rijgen en met een ploegbus rondrijden die meer kost dan een villa met zwembad in Brasschaat. Meer geld betekent natuurlijk ook dat je betere, en dus duurdere, renners kan kopen. Die dan weer meer winnen. Enzoverder. Niet eerlijk, zegt u? Niemand zei dat koers eerlijk is. 

Koers is een ploegsport
Aan een wielerwedstrijd nemen ploegen deel. Zover was u wellicht al. Hoe zo'n ploeg is samengesteld hangt af van het geld dat de ploeg ter beschikking heeft. Dat gaat van heel erg veel tot net genoeg om te mogen meerijden. Een slimme manager stelt z'n ploeg zo samen dat er van alles wat inzit: sprinters, beukers, klimmers, tijdrijders (zie verder). Het is zaak je ploeg zo te leiden dat de renners een moord willen plegen voor ploegwinst. Divagedrag en egogezeik zijn enkel toegestaan voor de onbetwiste kopman/vrouw, tenminste zolang die wint. Het is dus heel normaal om een hele dag aan kop tegen de wind in te stampen om op een 100 meter voor de finish je kopman/vrouw te lanceren en met de kassei/beker/bloemen/premie aan de haal te zien gaan. De premie wordt netjes verdeeld. Wielerknechten zijn geen idioten.
Ook ploegleiders zijn geen idioten. Zij willen vooral hun ploeg zien winnen. Welke renner wint is van ondergeschikt belang. Als de duurbetaalde kopman (nogmaals: kopvrouwen zijn hooguit betaald, maar nooit duur betaald) een mindere dag heeft, tegen de vlakte gaat of een snotvalling heeft, dan zal een beetje ploegleider al snel overgaan naar plan B, C of zelfs D. Tenzij er geen plan is. Dan rijdt iedereen maar wat in het rond en bidt men in de ploegauto tot de wielergoden.

Koers is een individuele sport
“Jamaar, daarnet zei je dat koers een ploegsport is?” Precies. Dat is het ook. En ook een individuele sport. Niemand zei dat koers eenvoudig is.
Al die ploegen bestaan elk natuurlijk uit individuen, waarvan er maar eentje winnen kan. Gezellig samen trainen, grappen en grollen: allemaal goed en wel, maar in het zicht van de finish telt enkel de eeuwige roem. Renners die ‘s ochtends bij de havermout nog vastberaden leken zich het melkzuur uit de oren te trappen voor hun kopman/vrouw, durven zich wel eens bedenken wanneer ze plots, per abuis, mee voorop raken en hun kopman/vrouw in geen velden of wegen te bespeuren is. 
Winnen doe je alleen, of je nu met 3 of met 8 ploegmaats aan de start komt, of die zich nu voor jou uit de naad rijden of niet. Op het bovenste schavot is er maar plaats voor een. Verliezen doe je trouwens ook alleen: een renner is zelden zo eenzaam als wanneer hij/zij verliest waar hij/zij had moeten winnen. De stilte van de ploegleider en de ploegmaats spreken boekdelen en snijden dieper dan verwijten. “Als je wint, heb je vrienden”, zong Henny Vrienten. Als je verliest, is het je eigen schuld.

Aanvallen doe je niet om te winnen
Huh? Waarom vallen renners aan als ze toch niet kunnen winnen? Uitstekende vraag. Niemand zei dat koers logisch was. In de meeste wielerwedstrijden zal er na een uurtje keuvelend fietsen een groepje renners ontsnappen uit het peloton en vooruit gaan fietsen. Doorgaans zijn dat renners zonder enige winstkans. Een renner die de wedstrijd kan winnen blijft slim in het peloton zitten. Ontsnappen heeft geen zin, want van zodra hij/zij wegspringt krijgt hij/zij het halve peloton (behalve de eigen ploeg) achter zich aan. Bovendien duurt zo’n wedstrijd toch al snel een uur of vijf, dus het is niet per de hardrijder die wint, maar wel degene die aan het eind nog fris genoeg is om een tandje bij te steken. Doseren is cruciaal. De mindere goden mogen best even hun kans wagen, naar hun ouders, lief of bomma wuiven, de sponsor paaien, zich een half uurtje een held wanen. Die pakken we straks wel, denken de ploegen die voor winst gaan. Is dat niet zinloos en belachelijk, denkt u nu? Dat zou kunnen, maar niemand die daarom maalt. Er gebeurt tenminste wat, er is tijd voor een dutje, en als de sponsor, het lief en de bomma blij zijn, dan wij ook.

De sterkste wint niet per se
Sterk zijn is goed. Slim zijn is beter. Lang genoeg afwachten en de sterke mannen gewiekst verschansen door je te verstoppen, te doen alsof je niet in vorm bent en dan als een pijl uit een boog weg te schieten wanneer niemand het verwacht: dat mag. Niet eerlijk? Zeiden we al dat koers niet noodzakelijk eerlijk is?

In de koers rijden treintjes
Neenee, de NMBS doet niet mee. Die zou sowieso buiten tijd arriveren. Een treintje is een groepje renners van dezelfde ploeg (herkenbaar aan dezelfde schreeuwerige truitjes) die een ernstige kans maakt om de wedstrijd te winnen omdat ze het juiste soort renner(s) bij zich hebben voor dit soort wedstrijd (zie punt 6.). Van zodra het over en uit is met de zinloze ontsnappingen en de dappere of overmoedige vluchters zijn gepakt (of "opgeraapt), breekt de koers open. Dit is het moment waarop u best wakker wordt. Michel en José roepen nu “het is koers” of “het spel is op de wagen” en de ploegen die strijden om winst gaan treintjes vormen: keurig achter elkaar rijden, tempo rijden, elkaar netjes afwisselend aan kop. Dat afwisselen is belangrijk, want wie aan kop rijdt vangt de meeste wind.

De ene renner is de andere niet
Het is niet omdat een renner de Ronde van Vlaanderen wint, dat hij ook de Ronde van Frankrijk kan winnen. De winnaar van Parijs-Roubaix is niet dezelfde als die van een Touretappe op Alpe d’Huez. Ooit was dat anders, in de tijd van Eddy en Roger, maar in koerstermen heet dat vervlogen tijdperk de oertijd. Als u een beetje hebt opgelet, dan hebt u gemerkt dat er heel verschillende renners rondfietsen in het peloton van vandaag. Bonkige reuzen van 80 kilo en iele sprinkhanen van 50 kilo. Het spreekt voor zich dat die niet in dezelfde wedstrijden uitblinken. In de regel heb je klassieke renners (type Van Avermaet en Terpstra), sprinters (type Gaviria, Groeneweghen en Viviani), klimmers (type Quintana, Bernal, Bardet) en tijdrijders (type Dennis, Campenaerts). De ronderenners, het soort übermensen die een Ronde van Frankrijk, een Giro d'Italia of een Vuelta kunnen winnen, zijn een categorie apart. Ze blinken vooral uit in tijdrijden, cols beklimmen en extreem focussen. En dan is er nog die onbestemde, niet echt te categoriseren categorie van renners die eigenlijk alles redelijk tot uitstekend kunnen (Alaphilippe, Valverde) en die je dus best altijd en overal in de gaten houdt.
Dat is dus waarom kenners stellig meedelen dat het beklonken is wanneer er nog 15 km. te rijden valt en er een kopgroepje van drie renners twee minuten voorsprong heeft op het peloton: omdat in dat kopgroepje een sprinter in topvorm zit, die ongegeneerd in het wiel van de twee anderen blijft; of omdat er geen enkele sprinter mee is, maar wel zo’n alleskunner als Alaphilippe, die altijd net iets meer kan dan gewone stervelingen; of omdat Peter Sagan of Anna Van der Breggen weg zijn, en die maar zelden te verschansen vallen. Bij de vrouwen speelt al dat specialiseren wat minder een rol omdat ze bijvoorbeeld geen grote rondes mogen rijden en dus zelden zware cols over fietsen. Ingewikkeld? Welja, als het simpel was hoefde u dit stukje niet te lezen.


De ene koers is de andere niet
Om het nog ingewikkelder te maken verdelen we de renners (zie 6.) ook nog eens in categorieën, volgens het soort wedstrijden die hen het best liggen; Vlaamse klassiekers (kasseien!), Waalse klassiekers (hellingen!), rondes, en de rest. Verkijk u niet op de hokjes, want goddank zijn er renners die niet in een hokje passen en gewoon overal hard rijden. Dat zijn onze lievelingsrenners. Voorts wordt er niet alleen in België gekoerst, alle hashtags #dekoersisvanons of #dekoerskomtthuis ten spijt. Renners koersen van januari tot en met de winter toeslaat, in Argentinië, Oman, Australië en elders. Daar zwaait men niet met Vlaamse vlaggen langs de weg en is koersen voorlopig weinig meer dan een exotische afleiding.
Rondewedstrijden zijn meerdaagse wedstrijden die uit meer dan 1 etappe bestaan. De bekendste en populairste is de Ronde van Frankrijk, die maar liefst drie weken duurt. Een dag de beste zijn is iets helemaal anders dan drie weken lang de beste zijn. Wie in een grote Ronde de meest gelijkmatige is, die wint. Je moet dus steile cols kunnen beklimmen en kunnen tijdrijden (waarover straks meer), maar ook altijd mee zijn met het peloton in de gewone vlakke etappes. En dat drie weken en zo’n slordige 3500 kilometer lang. Het is weinigen gegeven. Het lukt alleen als je hypergetalenteerd bent, een ijzersterke ploeg om je heen hebt, geen gekkigheden uithaalt, niet valt, niet ziek wordt, ook in de winter elke maaltijd minutieus afweegt en het hele jaar alleen maar traint voor die drie ellendig lange weken. Rondewinnaars zijn niet de gezelligste thuis.
Vrouwelijke renners vragen al jaren vriendelijk of ze ook eens zo’n grote ronde mogen rijden. Vooralsnog zonder succes. Misschien zijn ze te vriendelijk.
Om het allemaal nog wat te compliceren kan het gebeuren dat een tijdrijder zich ontpopt tot klassieke renner, of andersom. Ook wielrenners willen wel eens wat anders. Volgt u nog?
Echte wielerfreaks kicken op het soort koersen waar elke wielrenner nachtmerries van krijgt. Stroken die de naam "weg" niet waardig zijn of waar iemand per ongeluk en volstrekt willekeurig een hoop kasseien over heeft uitgestrooid zijn vooral leuk voor de kijker. Voor een coureur is het de hel. Parijs-Roubaix, de Strade Bianche, dat soort werk. Als u renners wil zien lek rijden, vallen en als een levend lijk onder het stof of de modder over de meet zien komen, dan zijn dat de koersen die u moet zien.

Koers tegen de klok
Tijdrijden is volgens de meeste wielerkijkers een slaapverwekkend saai gebeuren. Veel fanaten zijn het daar niet mee eens.
Tijdrijden is een cruciaal onderdeel van elke zichzelf respecterende rondewedstrijd en vaak een beslissende factor. In een tijdrit kan je een grote ronde winnen of verliezen. Iedereen start en finisht alleen, keurig om beurt. Hoe fris je ploegmaats zijn doet er die dag niet toe. Je rijdt alleen, tegen de wind en tegen jezelf, vooruit gebruld door je opgefokte ploegleider, die je op de hoogte houdt van de snelheid waarmee de concurrentie over het asfalt raast. Geen puurder koers dan een tijdrit. Die brullende ploegleider kan je overigens ook gewoon uitzetten.

Koers is vallen (en opstaan)
We geven het niet graag toe, maar stiekem zijn koersliefhebbers dol op valpartijen. Behalve wanneer hun favoriet tegen het asfalt smakt en gehavend uit koers stapt. Behalve wanneer valpartijen fataal aflopen. Valpartijen zijn volstrekt onvoorspelbaar, meestal idioot want perfect vermijdbaar, en soms ronduit dramatisch. U kent ze wel, de beelden van renners met kapotte broek en bloederig geschaafde dijen, die stoïcijns doorfietsen, alsof er niets is gebeurd. Wie zelf al eens schaafwonden opliep weet dat weinig letsels zo pijnlijk zijn als schaafwonden. Schaafwonden zijn net als brandwonden: je vel lijkt in brand te staan. Maar renners zijn geen mensen, dus wie geschaafd is raapt z’n fiets op en rijdt door. De regel luidt: “als het niet levensbedreigend is en je kan trappen, dan fiets je verder.” Zo zagen we in het bloemrijke verleden al renners wedstrijden uitrijden met een barst in hun schedel, een gebroken knie, elleboog of pols, een sleutelbeenbreuk (het meest voorkomende letsel in de koers) of een ontwrichte schouder. De wielerfan aanschouwt de heroïsche dapperheid in stilzwijgende bewondering. Maar natuurlijk is het gewoon idioot. In ieder geval is het een goed idee om overeind te blijven als je wil winnen. Vallen, zelfs zonder letsels, brengt een renner hopeloos achterop. Stuurvaardigheid is dus redelijk elementair voor renners die graag al eens iets winnen. De beste renners weten het zwalpende wiel van de beginner naast of voor hen perfect te ontwijken. In elke wielerwedstrijd wordt gevallen, zelfs meerdere keren.
Vallen of niet vallen, het maakt en kraakt seizoenen en zelfs hele carrières. Vraag het maar aan Sep Vanmarcke of Oliver Naesen.

Koersen is afdalen
Na de klim, de heuvel of de col volgt onvermijdelijk de afdaling. Makkie, even uitrusten,  denkt u wellicht. Niets is minder waar. Afdalen is aartsmoeilijk, tenminste als je geen kostbare tijd wil verliezen en wanneer het op seconden aankomt. Bedenk dat renners op de steilste afdalingen snelheden van 100 km. per uur en meer halen, op twee smalle tubes. Terwijl een renner aan die rotvaart naar beneden sjeest is het zaak elke bocht zo aan te snijden dat hij/zij zo weinig mogelijk afstand aflegt. U begrijpt nu wellicht waarom sommige koersliefhebbers en moeders van wielrenners hun ogen dichtknijpen of naar de wc gaan tijdens een afdaling. De kunstigste dalers zijn buitengewoon stuurvaardig en hebben geen last van dichtgeknepen billen. Vincenzo Nibali, de onbetwiste afdaalkoning van het peloton, won ooit een volle minuut op de tegenstand door ongezien vakkundig en gewaagd af te dalen. Dat afdalen ook dramatisch fout kan lopen bewees Philippe Gilbert in de Tour van 2018: hij knalde tegen een muurtje en vloog er los overheen, de dieperik in, waar gelukkig geen afgrond gaapte.

Onmisbaar koersjargon

Nu u min of meer mee bent met de elementaire regels en gebruiken van de koers, is het tijd voor de slagroom op de taart, de kroon op het werk, de troefkaart waarmee u elke zelfverklaarde wielerkenner genadeloos en triomfantelijk het zwijgen oplegt en indruk maakt op een koersgek lief: wielertermen. U vindt ze niet allemaal terug in de Dikke van Daele, en of ze correct Nederlands zijn is bijzaak. Belangrijk is vooral dat u ze op het juiste moment in de mond neemt. Timing is alles, net als in de koers.

  • A bloc: voluit of volle bak gaan, alles geven.  
  • Benen/goede of slechte benen hebben: In bloedvorm zijn, of net niet.
  • Het buitenblad en het binnenblad: Commentatoren die ons willen imponeren met hun tactische kennis hebben het wel eens over het buiten- en het binnenblad. Een koersfiets heeft twee tandwielen: buitenblad en binnenblad. Buitenblad ronddraaien kost meer kracht, maar je legt er wel meer meters mee af per trap. Over het algemeen wordt het buitenblad op het vlakke en bergaf gebruikt, en het binnenblad bergop. Maar soms ook niet. De Hotond in Ronse wordt doorgaans op het buitenblad opgestormd, net als de Poggio in Milaan-San Remo. Wanneer commentatoren over het buiten- of binnenblad beginnen gaat u best een fris biertje uit de koelkast halen of even naar de wc.
  • Aan de boom schudden: hard doorrijden om de concurrentie af te schudden. Doen renners alleen als ze zich in vorm voelen of willen doen alsof. Psychologische oorlogsvoering is geoorloofd in de koers.
  • Bidon: de drinkbus van een renner. Die wordt onderweg uiteraard niet bijgevuld (organisatorisch onmogelijk) maar weggekeild in de berm, een mottige gewoonte die in strijd is met elk elementair respect voor omgeving en natuur, maar waar vooralsnog geen oplossing voor is bedacht. Verse bidons voor de ploeg worden gehaald en uitgedeeld door een knecht. Uiteraard.
  • De bus: er schijnen mensen te bestaan die denken dat renners werkelijk in een bus aan de finish worden afgeleverd. Dat zouden sommige renners vast wel willen op mindere dagen, maar helaas. De bus wordt vooral gebruikt in klimetappes van rondewedstrijden, en is de groepering van renners die niet meekunnen in de bergen en die samen in een rustig tempo naar de finish rijden, kwestie van te overleven. De "chauffeur" van de bus is doorgaans een ervaren renner, die het tempo bepaalt en ervoor zorgt dat de groep binnen de tijd aan de finish komt. Buiten tijd arriveren betekent immers diskwalificatie.
  • Chasse Patate: wanneer een renner demarreert uit het peloton en op jacht gaat naar de kopgroep, maar tussen die twee in op vrij knullige wijze stilvalt. Een chasse patate maakt zelfs de sponsor, het lief en de bomma niet blij.
  • Combine: wanneer renners van verschillende ploegen samenwerken om de tegenstand af te houden. Soms heeft dat te maken met geld. Soms ook niet. Renners die samen trainen of peter/meter zijn van elkaars kinderen; renners die allebei een gruwelijke hekel hebben aan de concurrent; chauvinistische landgenoten; enzoverder.
  • En danseuse: rechtop op de trappers een col op rijden. Een rasklimmer stoempt niet, maar danst als het ware bergop, elegant heen en weer wiegend op de trappers, het smalle zitvlak perfect in balans.  Alleen geboren klimgeiten houden dat lang vol.
  • De deur dichtdoen: van je rechte lijn afwijken en zo je tegenstanders hinderen (en soms doen vallen).
  • Het gat (laten vallen of dichtrijden): de afstand tussen een vluchter/ontsnapper of groepje vluchters/ontsnappers en de de achtervolgers. Een gat laten vallen betekent dat de achtervolgende groep de vluchters niet inhaalt, ofwel omdat ze niet kunnen, ofwel omdat ze niet willen (er rijdt een ploegmaat mee met de vluchters), ofwel omdat hun strategie hapert. Het gat dichtrijden betekent achter de vluchters aan gaan en ze inhalen. Het gat doet in elke wedstrijd mee.
  • Geparkeerd staan: zo goed als stilstaan, doorgaans niet om even van het landschap te genieten, maar omdat de renner aan het eind van zijn of haar latijn is.
  • Grinta: italiaans woord voor de hardnekkigheid van een taaie wielrenner, vooral gebezigd door Michel Wuyts.
  • Harken (zie ook skarten): ploeterend, zwoegend, lijdend fietsen.
  • Hongerklop (of fringale): een renner verbruikt al snel zo’n 6000 calorieën per dag in een rondewedstrijd. Dat is het equivalent van zes grote pakken frieten met mayonnaise. Natuurlijk is zo’n pak frieten niet echt handig op de fiets. Maar er moet en zal gegeten worden. Wie in het heetst van de strijd vergeet te eten krijgt daar steevast spijt van, en een fatale hongerklop.
  • Lossen (ook wel: moeten lossen; gelost worden): niet meekunnen met de anderen.
  • De rode lantaarn: wie als laatste eindigt in het eindklassement in de Ronde van Frankrijk krijgt de spreekwoordelijke Rode Lantaarn. In de praktijk is laatste worden in het eindklassement van de Tour niet zo simpel als het lijkt. Wie buiten de tijdlimiet aankomt, wordt immers gediskwalificeerd, en eenzaam achter het peloton aanrijden kost veel kracht. De rode lantaarn brengt enige publiciteit met zich mee, wat de sponsor mild stemt.
  • Er een snok aan geven: extra hard gaan rijden om de tegenstand te imponeren, te intimideren of eraf te rijden.
  • Skarten: Harken in het Yves Lampaerts.
  • Surplacen: balancerend stilstaan (of bijna stilstaan) op de fiets om je tegenstander te dwingen de kop over te nemen. Heel soms wordt er zo koppig gesurplaced dat de surplacende renners op de valreep worden ingehaald door de achtervolgers. Gênant.
  • Slepen: achter de tegenstander rijden en het vertikken om op kop te rijden. Wordt doorgaans niet in dank afgenomen en weinig bevorderlijk voor de populariteit van de sleper in het peloton.
  • Vierkant draaien: een groepje renners dat niet vlot rondrijdt omdat er eentje of meer renners weigeren aan kop te rijden of mee te werken. Doorgaans ziet u dan renners heftig discussiëren op de fiets. Soms is er een uitstekende reden om niet mee te werken. Als je in een achtervolgend groepje rijdt en je kopman/vrouw rijdt vooraan bijvoorbeeld. Of omdat je stikkapot bent. Of omdat je je benen wil sparen voor de sprint. A la guerre comme à la guerre.
  • Verdapperen: steendood zijn, maar toch versnellen omdat de finish of de eeuwige roem in zicht zijn (of omdat het lief daar wacht).
  • Verzet: Nee, we hebben het niet over de clandestiene weerstand tegen de bezetter in WOII, maar over de versnelling waarmee een renner rondrijdt. Een groot verzet is langzaam zwoegen, een klein verzet is snel en driftig rondtrappen. Meer hoeft u daarover niet te weten.
  • Waaiers: Een waaier is het woord dat we gebruiken voor de formatie die een groep renners aanneemt wanneer de wind schuin van voren komt. Dat doen ze om de weerstand zo klein mogelijk te maken. In de praktijk betekent het dat renners schuin achter elkaar gaan rijden en elkaar afwisselen aan kop. Wie aan kop rijdt vangt het meeste wind, en beschermt de anderen van diezelfde wind. Dat noemen we “uit de wind houden of zetten”. De koppositie van de waaier wordt afgewisseld, zodat de inspanning, het tegen de wind in beuken, min of meer eerlijk wordt verdeeld. Natuurlijk zijn er renners die zich aan die ongeschreven koerswet proberen te onttrekken. Dat soort renners zijn niet de meest geliefde renners in het peloton.
  • In een zetel zitten: je als renner in een voordelige en comfortabele positie bevinden, omdat je op papier de snelste bent én een ploegmaat mee hebt, en de anderen in het groepje niet, bijvoorbeeld.

Zo, met deze basiskennis kan u zonder zorgen en gewapend het koersseizoen in, al valt het niet uit te sluiten dat er zich in de loop van het wielervoorjaar bijkomende vragen, twijfels en mysteries aandienen. Onthou dan vooral dit: de koers is niet van ons, maar van iedereen, dus ook van u, hoe weinig u er ook van snapt.

















-->