biekesblog


woensdag 30 mei 2018

Over Fons, de liefde voor de koers en de overbodigheid van vlaggen


Het was een kille voorjaarsdag. De voltallige familie zat oma’s copieuze maal van kervelroomsoep, rosbief met kroketten en dame blanche te verteren in de krappe woonkamer van mijn grootouders. Er was nog koffie, met de obligate taart, die niemand binnenkreeg. Op de achtergrond hield een opgewonden Mark Van Lombeek de familieleden op de hoogte van de gebeurtenissen tussen de Italiaanse oorden Milaan en San Remo, plekken waar ik nooit was geweest en waar ik me als negenjarige weinig bij kon voorstellen.

Op de buikige Philips-televisie reden mannen voorbij op de fiets. Knoestige bonken, met kromme benen en knobbelknieën, die enkel bekijks hadden omdat ze hard konden fietsen.
Mannen van weinig woorden die driftig trappend in de berm spuwden en na zo’n koers steevast onder het slijk of het stof zaten, substanties die zich wonderwel mengden met lichaamsvochten als snot, bloed en zweet.

Alle onooglijke kerels, kromme benen en viezigheid ten spijt bleef ik kijken. Gebiologeerd door het ritueel, dat elke koerszondag hetzelfde, maar nooit hetzelfde was. Door het stampen, boenken, ploeteren van de mannen, alsof hun leven en dat van al hun dierbaren ervan af hing. Door de buitenzinnige vreugde en de donkerste ontgoocheling na de meet. Door de opwinding die rond de fietsende mannen zinderde, als onweer op een broeierige zomerdag.

Die koersdag was anders. Daar stond plots, als in een visoen, Fons De Wolf op het podium, waar niemand hem had verwacht. Een ranke knaap met een fotogenieke wipneus en wuivende manen, een kruising van Nick Drake en Jotie ‘t Hooft (een gelijkenis die me pas jaren later zou opvallen), maar met een minder lyrische woordenschat en meer branie in de benen. Een ontregelende verschijning temidden van een peloton vol potige en hoekige kerels. “Wel een schoon menneke”, becommentarieerde een tante, die voorts nooit enige interesse in het wielrennen had geveinsd.

De koersherinneringen spelen tikkertje in mijn geheugen en lopen slordig door elkaar, maar ze zijn even scherp als de herinnering aan de emotie van dat moment.

1988. De chouchou der echte Belgen, Claude Criquelion, staat op het punt het wereldkampioenschap wielrennen te winnen. Tot een drieste Canadees hem de dranghekken in fietst. De idiote Canadees verliest stoemelings de sprint van een euforische Italiaan. De beteuterde Cri-Cri strompelt knullig met zijn kapotte fiets over de meet. De Canadees wordt ternauwerdood gered van een lynchpartij. Er breekt net geen volksopstand uit.

1989. Ik ben bijna meerderjarig. Franse held Laurent Fignon ligt halfdood en verbijsterd tegen de dranghekken, nadat hij de tour, die hij moest en zou winnen, op de meest onwaarschijnlijke wijze heeft verloren: met 8 belachelijke, nietige tijdritseconden, tegen een Amerikaanse praatjesmaker die al eens een jachtgeweer leegschiet in z’n eigen achterwerk en beweert te koersen op biefstuk met frieten. Mijn moeder en ik zijn alleen thuis en weten niet waar kruipen van consternatie. Mijn meisjeshart bloedt voor de onfortuinlijke Fignon.

1992. De impulsieve en bevlogen Italiaan Claudio Chiapucci rijdt tweehonderd lange kilometers aan kop richting Sestriere. Hij vertrekt op de eerste col. Vijf loodzware cols later heeft hij alle medevluchters als lastige vliegen van zich af geschud en rijdt hij alleen verder, onaantastbaar voor de hitte en het jagende peloton. De laatste kilometers legt hij zwalpend af, vooruitgeschreeuwd en -geduwd door meutes hysterische Italianen, die in deze overwinning een teken van Gods rechtvaardigheid zien.

1996. Terwijl mijn lief en vrienden zich in het Gentse feestgedruis storten, staar ik in een bloedhete woonkamer met de gordijnen dicht naar de ondergang van de ongenaakbare en mysterieuze Miguel Indurain. Mijn fascinatie voor vallende en verliezende helden krijgt de vrije loop. Miguel lijdt, maar geeft niet op. Iedereen haalt opgelucht adem nu de “saaiste aller tourwinnaars” het geel moet doorgeven. Behalve ik. Ik heb twee opeenvolgende nachten op café nodig om mijn verdriet door te spoelen.

De koersliefde was niet altijd even standvastig. Hoongelach van vrienden en kennissen die de koers een tijdverdrijf voor gepensioneerde mannen noemden. Dopingschandalen. Slaapverwekkend voorspelbare rondes. Jaren zonder televisie en zonder tijd. Dopingschandalen. Een reis door Spanje die ik op slinkse wijze “toevallig” langs het traject van de Vuelta probeerde uit te stippelen, tot het lief daar tijdig lucht van kreeg. Dopingschandalen. Baby’s en veel te veel slapeloze nachten, die op zondagnamiddagen gretig werden ingehaald. Dopingschandalen. Mijn broer, de ultieme koersfanaat, een wandelende wielerencyclopedie, die uitgerekend tijdens de Ronde van Vlaanderen stopte met leven. Dopingschandalen.

Zoals dat gaat met echte liefde dooft de vlam nooit helemaal uit, flakkert ze altijd weer op, soms zelfs vuriger dan voordien. Het hoongelach is verstomd. Wielrennen is hipper dan ooit. Mensen die menen dat koersen worden gewonnen door wie het snelste kan fietsen, struikelen over elkaars voeten achter dranghekken en in VIP-tenten. We zien nu pas vrouwen koersen, en met verve, ook al deden ze dat al jaren. De bonkige kerels zijn knappe, hippe jongens geworden, die doorgaans met meer dan twee woorden spreken en zelden vloeken of schelden voor de camera. Drama is er nog genoeg. Wanneer de gedoodverfde winnaar niet als eerste over de meet komt. Wanneer een kapotte fiets, een valpartij of een dwaze supporter de beste benen stilleggen. Wanneer ploegmakkers elkaar de zege niet gunnen. Wanneer een renner die net z'n sleutelbeen brak toch meteen weer naar z'n fiets vraagt. Wanneer een  gretige jonge renner het leven laat op het bebloede asfalt.

Wielrennen is niet langer een manier om aan het harde labeur van de boerenstiel of de fabriek te ontsnappen, maar een carrièrekeuze. Ongelikte ploegleiders zijn vervangen door empathische coaches en gewiekste managers. Het koersen zelf is gebleven wat het was: vreselijk lastig, bij momenten onmenselijk zwaar, en vaak volstrekt onlogisch. En daarom fascinerender dan eender welke andere sport, alle dopingschandalen ten spijt.

Niemand legde het beter uit dan mijn favoriete wielercolumnist Frank Heinen: “Wielrennen is fictie, wielrennen is literatuur, wielrennen is drama. Het gaat om de verhalen, niet om de waarheid.” En ook niet om vlaggen. Zeker niet om vlaggen. Vlaggen hangen hooguit in de weg van een onfortuinlijke renner, die vervolgens van het asfalt moet worden geschraapt.







-->

Geen opmerkingen:

Een reactie posten