biekesblog


maandag 21 april 2014

De Lekkerste Mama van Vlaanderen


We hebben ons net een levercrisis gegeten aan paaseieren en horen de klokken in de verte nog opgelucht luiden of de middenstand joelt alweer vrolijk die andere hoogdag tegemoet: moederdag, het feest van alle moeders.

Voor een vrouwvriendelijk blad als P-Magazine is geen moeite te veel om het wonderlijke wezen Vrouw, in dit geval Moeder, in het zonnetje te zetten (daar waar het warm genoeg is om overtollig textiel achterwege te laten). De lezers en sympathisanten van P kunnen dezer dagen de Lekkerste Mama van Vlaanderen verkiezen. Voor de iets minder goede verstaander: lekker betekent in deze geenszins dat mama voor de gelegenheid in gesmolten chocolade en vers geklopte slagroom wordt gedoopt (al loopt er op de redactie van P vast een spitsvondige en vernieuwende geest rond die dat een topplan zou noemen).

De Lekkerste Mama is het soort moeder dat we wel eens zien opduiken in reclame die is ontsproten aan het jeugdige en naïeve brein van reclamejongens, in nauwe maatpakjes met kleurrijke sneakers en zonnebrillen van illustere merken: een mama die zich strak toont in lijf en leden, als was er nooit een kind, laat staan twee, uit dat pronte lijf geperst. Hemelwaarts priemende borsten in een jolige maat, als had er nooit een hongerige zuigeling aan gelurkt. Billen zo strak en striemvrij als een vers opgepompte voetbal. En een jurk, nauwelijks die naam waardig, waarmee geen weldenkend mens zich in een straal van een kilometer rond een schoolpoort waagt. Dat soort moeder dus. Als u mij om een concreet voorbeeld vraagt, Victoria Beckham is de enige die spontaan in mij opkomt. In mijn iets directer omgeving kan ik wonderlijk genoeg niet meteen een representatief exemplaar ontwaren.

Mijn jongste komt mij jengelend melden dat hij zijn piamabroek heeft volgeplast, terwijl ik een paar beschimmelde sokken uit de verder ongemoeid gelaten kamprugzak van mijn oudste vis. De hond heeft mijn enige schone beha uit de wasmand gegraaid en 8 centimeter diep ondergegraven in de tuin, die hoogdringend aan een lenteonderhoudje toe is. De koelkast is leeg, op een half pak jonge kaas en een treurig kropje sla na. De man die tot voor kort mijn man was post een foto op Facebook van zijn nieuw lief: pront, vers gekapt en gemanicuurd, zonnebankbruin en immer in de plooi.

In een vlaag van ongekende balorigheid teken ik er in gedachten een stel vuile, plakkerige en zeurende kinderen bij. Ze ziet er instant al veel minder lekker uit. Nu ik toch creatief bezig ben denk ik er een veeleisende job bij, zo’n job waar je de deur niet dichttrekt na 17u, die je ook ‘s avonds en in de week-ends op het appel verwacht. Ik ontwaar zowaar een paar rimpels en fronsen. En grijze haren, dat ook. Tot slot stuur ik het hele perfecte plaatje 14 jaar verder in de tijd. Dubbel zo lang als relaties gemiddeld rimpelloos blijven, volgens experten, logen en peuten die zich verdiepen in de complexe materie van de liefde. En kijk, ik ontwaar zowaar een zweem van ergernis en verveling; van gluren over de haag of daar geen appetijtelijker marchandise aan de man wordt gebracht.

Nee, die Lekkerste Mama-trofee, die is niet voor mij dit jaar. Mijn kansen op de trofee voor vergevingsgezindheid en lankmoedigheid heb ik daarnet vakkundig verkwanseld. 

woensdag 19 maart 2014

Braakliggend



Door omstandigheden, die de liefde niet zo kan hebben bedoeld, ligt de rest van mijn leven panoramisch voor me uitgespreid, als een braakliggend terrein vol roestig en lang vergeten afval. Er valt iets van te maken dat op een tuin lijkt, maar het vraagt bevlogenheid, moeite en liefst wat helpende handen.

Er zijn dagen dat het met die bevlogenheid wel meevalt. Maar vaak verlies ik ze, ergens onderweg tussen plicht a en plicht b, op weg naar plicht z. Het is niet dat ik geen moeite doe. Het lukt wonderwel om enige orde aan te brengen in de chaos die de kleine aardbeving aanrichtte. Ik sta elke dag op, vroeg genoeg om een waslijst aan noodzakelijke taken af te vinken, van kinderen voeden, kleden en op school krijgen, over de hond uitlaten, tot mezelf toonbaar maken voor de buitenwereld. Routine. Eerst a, dan b, om vervolgens d aan te pakken terwijl ik onderweg c afhandel.
De avonden verlopen volgens hetzelfde, zij het omgekeerde, strakke stramien.
Alles loopt. Alles verloopt zoals het hoort of zoals het kan. Iedereen overleeft.

Het zijn de uren die geen taken of plichten in zich dragen. Het zijn de lege plekken in een veel te groot bed. De stilte in een leeg huis, wanneer de orde even niet de mijne is. Het is de spiegel die mij dingen vertelt die ik niet wil weten, laat staan zien.

De lente jaagt mensen naar buiten, hun schemerige rijtjeshuizen uit, de parken in, terrasjes op. Iedereen is vrolijk. Iedereen houdt van elkaar. Iedereen heeft het voor elkaar. Iedereen is verliefd, op zichzelf, op een ander, op een nieuw paar schoenen, op het leven.

Ik grijp mezelf bij m’n nekvel, spreek mezelf streng toe: “Komaan, laat je niet gaan. Je bent een taaie.”, en bedenk meteen dat dat waarschijnlijk een mythe is, dat ik taai zou zijn. Soms ben ik een weekdier, een hoopje blubber, waar elk moment iemand met stevige tred op kan trappen. Op andere dagen ben ik een strijder, een dappere heldin, die onbevreesd over beren op de weg en andere obstakels heen stapt, kin in de lucht, blik op oneindig.

Misschien is het leven ook maar dit: een schijnbaar willekeurige opeenvolging van blunders en verkeerde inschattingen. Van af en toe rechttrekken wat krom leek, maar meestal krom laten wat gedoemd was krom te zijn.

En misschien bestaat de ware levenskunst erin om daar genoegen mee te nemen. Ik oefen. Van beoefenen is vooralsnog geen sprake.





zondag 26 januari 2014

De verlengde schooldag: zelfontplooiing voor allen!


Het moet niet makkelijk zijn, na jaren langs de zijlijn van het politieke spel weer dringen om die begeerde plaats onder de schijnwerpers.
Er wordt dan ook menig lek ballonnetje opgelaten, in deze lange aanloop naar de verkiezingen. Het lijkt er niet zo bijster veel toe te doen waarmee er aandacht wordt gescoord, als er maar, hoe kort ook, in de gewenste richting wordt gekeken.

Caroline Gennez, sp.a-coryfee met gulle lach en licht besmeurd palmares, lanceerde de afgelopen week een bescheiden onderwijsrelletje, toen ze op Radio 1 haar boek ‘De Verschilligen’ voorstelde. Een van de opmerkelijkste ideeën die ze in dat boek uitwerkte is een nieuwsoortige ‘complete schooldag’, die maar liefst van 08u tot 18u dient te duren.

Het voorstel beroerde de gemoederen, zoals dat meestal gaat wanneer het over onderwijs gaat. Iedereen vindt er wel wat van en sommigen hoeven niet eens te weten waarover het gaat om wat dan ook te vinden.

Mijn onbehagen over die hele ‘verlengde schooldag’ groeide, naarmate de dag vorderde en ik de boude plannen van mevrouw Gennez overpeinsde. De argumenten zijn nochtans nobel genoeg, of in ieder geval verpakt als sociaal, empathisch en in het algemeen belang.

Nu mocht ik de afgelopen twintig jaar zo’n tiental uiteenlopende Vlaamse leraarskamers frequenteren en ik durf stellen dat het woord hervorming er, zelfs op fluistertoon, volstaat om een collectieve aanval van hyperventilatie teweeg te brengen. Het onderwijs hervormen is niet gewoon een lastige klus, maar heeft bij momenten veel weg van een ware utopie.
Als we er niet eens in slagen een paar relatief eenvoudige structurele maatregelen als een brede eerste graad door te voeren, vanwaar dan het idee dat er een draagvlak kan bestaan voor nog drastischer plannen? Maar goed, soms moet men moedig zijn en de nek uitsteken, ver boven dat verrekte draagvlak uit.

Het belangrijkste argument voor de tienurige schooldag bleek het volgende: zelfontplooiing. Een schoon en verheven begrip waar geen zinnig mens kan tegen zijn. Er werd ook iets vaags gezegd over hoe deze maatregel de zwakkeren in de samenleving vooruit zou stuwen.

Wat dat laatste betreft, en om er meteen komaf mee te maken: als onze socialistische politica zich zo bekommerd toont om de zwakkeren in onze samenleving, dan zou ze zich misschien eens prioritair kunnen buigen over de armoede en de sociale ongelijkheid waarin steeds meer leden van die samenleving lijken te verdrinken. Ik kan me namelijk niet van de indruk ontdoen dat er bitter weinig animo bestaat om het lot van die zogenaamde zwakkeren te verbeteren, zelfs niet in socialistische kringen.

Ik heb geen idee hoe kansarmen uit de dagelijkse ellende overeind moeten krabbelen met behulp van een langere schooldag. Worden ze plots slimmer en bijgevolg kansrijker? Krijgen ze als bij toverslag meer kansen? Worden ze niet meer achtergesteld en gestigmatiseerd wanneer ze viool spelen of leren beeldhouwen?

En wat bedoelt men precies wanneer men stelt dat kinderen van kansarmen beter af zijn op school dan thuis? Dat kansarme ouders niet in staat zijn hun kinderen op te voeden? Dat men hen beter ontlast van die veel te hooggegrepen taak?
Ik ben niet van slechte wil maar het woord paternalisme belandde zomaar spontaan op mijn lippen.

Stel je voor dat die kansarme kindertjes na schooltijd zomaar doelloos op straat rondhangen. Niet alleen hangt er hen een GAS-boete boven het hoofd, maar al dat gehang dient ook geen enkel doel.
Ik krijg spontaan heimwee naar de tijd, niet eens zo gek lang geleden, dat ik zelf uren ‘doelloos’ op straat of in het veld mocht rondhangen, samen met de al even doelloze buurtkinderen. Niemand maakte zich druk over onze zelfontplooiing, hooguit over de modder aan onze schoenen of de winkelhaak in onze nieuwe broek. Niemand kwam op het idee ons spel te regisseren. Niemand was al op het idee gekomen om ons met GAS-boetes in het gareel te houden.

Het zou ons kunnen ontroeren hoezeer mevrouw Gennez wakker ligt van de zelfontplooiing van onze kinderen. Die ontplooiing vereist blijkbaar een scala aan bijzondere en vooral gesuperviseerde activiteiten, van schermen, over beeldhouwen tot harp spelen. Met een stok in een modderplas roeren of wormen uit de grond peuteren is al een tijdje uit den boze, wegens niet zinvol voor de ontplooiing.

Een mens vraagt zich oprecht af hoe mensen zich vroeger ‘ontplooiden’, of hoe ze dat elders doen, waar muziekles en ballet slechts exotische luxeproducten zijn, voor the happy few van het rijke westen. Al durf ik stellen dat het wel eens zou kunnen tegenvallen met die zogenaamde ontplooiing van ons, als ik de zelfmoordcijfers bij jongeren beschouw. Over de jeugdwerkloosheid zwijgen we.

Die mythe dat kinderen zich enkel ontplooien met behulp van een hele reeks doelgerichte en 
weldoordachte activiteiten, begeleid door alwetende volwassenen … kunnen we die niet eens voor eeuwig en altijd veilig opbergen in een duister en schimmelig hol? Kinderen hebben nood aan vrij spel, met de nadruk op vrij. Vrij spelen is een manier om vrienden te maken, banden te smeden, (eigen en andermans) grenzen af te tasten, te ontdekken en uit te vinden. Dat verzin ik niet ter plekke, er bestaan behoorlijk wat onderzoeksresultaten die duidelijk in die richting wijzen.

Vreemd genoeg horen al die belangrijke activiteiten, zo essentieel voor de ontplooiing, volgens mevrouw Gennez niet thuis in het reguliere curriculum van de school. Een tegenstrijdig signaal, als u het mij vraagt (maar dat doet u vast niet). Nu heb ik ooit gedacht dat scholen net die heilige zelfontplooiing tot doel hadden. Tot ik erachter kwam dat de reguliere lessenpaketten voornamelijk dienen om ervoor te zorgen dat niemand de schoolbanken verlaat zonder de diepere gronden van een algoritme of de middelpuntvliedende kracht te doorgronden. Dus in de plaats van dat hele opgelegde, algemene curriculum met enige gepaste arwaan te bekijken (ondenkbaar), plakken we gewoon wat extra uren aan de reguliere schooldag om zo toch wat ruimte te creëren voor creativiteit en eigen interesses. Oh, de moedeloosheid van dit soort pleisters op de etterende onderwijswonde …

Handig is het natuurlijk wel. Ouders zullen eindelijk rustig hun krant kunnen lezen. Gedaan met taxi spelen voor het nageslacht, van de academie naar de scouts, van de scouts naar de basketwedstrijd en van daar naar de klimzaal. Ontplooien doen die kinderen maar op school. Thuis kan er vanaf heden gewoon gelanterfant worden. Weliswaar slechts gemiddeld zo’n anderhalf uur per dag. Genoeg tijd voor een kind om je eten binnen te schrokken, je piama aan te trekken, je tanden te poetsen en als het meezit nog een verhaaltje voor het slapengaan te aanhoren.

Het voorstel in kwestie heeft dan ook verdacht veel weg van een gewiekste manier om ouders te verlossen van een huizenhoog obstakel, namelijk het simpele feit dat werktijden en schooluren volstrekt niet op elkaar zijn afgestemd. Het eeuwige dilemma tussen job en gezin: hoe geraak ik op tijd aan de schoolpoort zonder mijn werk(gever) tekort te doen? Hoe breng ik mijn kroost naar al hun buitenschoolse activiteiten (die verrekte zelfontplooiing, weetjewel) zonder dat ik gillend gek word omdat ik geen tijd meer heb voor mezelf?
Aangezien we met z’n alleen voltijds aan de slag moeten ter meerder eer en glorie van de heilige koe, genaamd Economie, dient dit obstakel kordaat aangepakt en geëlimineerd te worden.

Of er dan geen probleem is, hoor ik u vragen? Vast. Meer dan een. Dat werktijden en schooluren niet op elkaar zijn afgestemd, het is een oud zeer. Zelf wring ik me wekelijks in allerlei acrobatische bochten om mijn kinderen op het gewenste uur van school te halen. Dat wringen gaat gepaard met stress, krachttermen en veelvuldige gevoelens van falen op alle fronten.
Ik zie om me heen heel wat ouders dezelfde strijd voeren. Denkt er werkelijk iemand dat die mensen liefst van al nog minder tijd doorbrengen met hun dierbare kroost? Of dat kinderen niet graag tijd doorbrengen met hun ouders?

Als we echt bekommerd zijn om de ontplooiing van kinderen en ouders, dan wordt het misschien tijd om het concept arbeidsduurverkorting nog eens op tafel te gooien. Maar ja, dat mag dan weer niet van de economie en van VOKA.

Ouders krijgen kinderen omdat ze die willen. Nu ja, de meesten toch. We mogen dus redelijkerwijs aannemen dat de meeste ouders en kinderen gebaat zijn bij het simpele feit dat ze samen tijd kunnen en mogen doorbrengen. Tijd die nergens toe hoeft te dienen, tijd voor elkaar.

Opvoeden is namelijk vooral voorleven en samenleven. Samen wortels snijden voor de stoemp. Samen de afwas doen. Samen onkruid uittrekken. Samen de hond uitlaten. Kletsen en giechelen aan tafel. Ruzie maken. Aanmodderen. Vertellen hoe fijn of rottig je dag was. Of samen zwijgen en dat ook gewoon mogen.

Volgens Gennez trekken meer en meer mensen zich terug uit de samenleving. Die onverschilligheid moet worden omgedraaid, want die is ‘bedreigend voor de samenleving’.
Dat mensen onverschillig zouden staan ten aanzien van de samenleving waartoe ze behoren, ik geloof er niks van. Onverschilligheid zou hier wel eens verward kunnen worden met moedeloosheid en een gevoel van onvermogen. Vaststellen dat het vierkant draait en scheef groeit, maar niet bij machte zijn om er iets aan te veranderen.
Het is niet de moedeloosheid van burgers die de samenleving bedreigt, maar de machteloosheid en het gebrek aan moed van een politiek bestel, dat het onderspit delft voor de verpletterende overmacht van een nietsontziend economisch monster dat ons gulzig opvreet.


zaterdag 26 oktober 2013

De toekomst aan het woord


Ik werd deze week door de omstandigheden, die er verder niet zo veel toe doen, aangemaand om na te denken over de toekomst.
Ik vond dat vreemd, aangezien dat nadenken over de toekomst als een soort permanent gegeven doorheen mijn dagelijkse denken en doen slalomt.
En ik vond het bevrijdend, want het mocht, en dat in tijden waarin ‘Leef in het nu', de marketingslogan van mindfulness- en onthaastingsprofeten, steeds luider klinkt.

Het is eigen aan zelfverklaarde wereldverbeteraars – waartoe ik ruiterlijk ook mezelf reken – dat de toekomst nooit aan hun blikveld ontsnapt, maar permanent en op drammerige toon op de achtergrond galmt, als een irritante echo.

De toekomst niet zien als een abstract en louter filosofisch gegeven, maar als een concrete plek waar mensen wonen zoals u en ik… misschien is dat wel de krachtigste drijfveer van het soort mensen die al eens hun volle en gepijnigde kop boven een maaiveld durven uitsteken, daar waar de speekwoordelijke zeis geduldig, maar genadeloos wacht.

De toekomst heeft veel gezichten, het ene al grauwer, utopischer, roziger, aannemelijker dan het andere. Ze valt te omschrijven naar keuze, in sombere en hoekige woorden of in dichterlijke schoonheid, als een onvermijdelijke of minstens waarschijnlijke dramaturgie of als een utopie vol lyriek en verlangen.

Is mijn toekomst verenigbaar met de uwe of die van de overburen of zal er om gebakkeleid moeten worden?

Is de toekomst wat je overkomt of wat je doet met wat je overkomt?

Eender welke toekomst is onafscheidelijk verbonden met haar verleden. Geschiedenis valt niet af te schudden als een natte handdoek. Ze kleeft aan ons vast als een tweede huid.
De keuzes die we maakten of mijdden, bepalen onze richting en onze richtingloosheid.

De toekomst heeft evenveel grenzen als gezichten: de grenzen van de redelijkheid en het realisme, de grenzen van de menselijke capaciteit, de grenzen van de planeet, de grenzen van de wilskracht, de grenzen van de verbeelding.

Over wiens toekomst hebben we het eigenlijk? Over de onze? Over de uwe? Over die van de wereld? De wereld van onze kinderen of die van hun kinderen?

Proberen we te vertalen hoe we de wereld dromen of hoe we de diezelfde planeet zien afglijden naar een scene uit Wall-E of Animal Farm?

‘Woorden zijn wind’, zei iemand onlangs. Ik was het daar vurig niet mee eens. Woorden zijn misschien wel het krachtigste wapen van wie verder weerloos is.

Woorden doen ertoe. Hoe je de dingen benoemt vertaalt hoe je ze beleeft. Wanneer we het over de toekomst hebben, kunnen we ons beroepen op een haast onuitputtelijk arsenaal aan woorden, het ene al ontoereikender dan het andere. Taal geeft gestalte aan wat we denken en dromen.

Vandaar: weeg uw woorden af, maar leg ze zonder al te veel omzichtigheid in de weegschaal. En vooral: gebruik uw woorden met de blik op de toekomst. 
De toekomst is aan het woord.
Mogen we allemaal de juiste woorden vinden. 












zondag 13 oktober 2013

We willen te veel


Dat we teveel willen dus, de 'jonge' mensen van tegenwoordig.
Ik hoor het ongeveer even vaak voorbijkomen als “We moeten nu eenmaal allemaal langer werken.”, ook een van mijn favoriete mantra’s.
Ik beken: ik krijg er uitslag van, van een hardnekkig jeukende soort bovendien.

Wekelijks slaakt er wel ergens een wanhopige dertiger een noodkreet omdat zij/hij het niet rond krijgt en zichzelf en alle beminde gezinsleden dagelijks voorbijrent in het hamsterrad van de Moderne Beschaving. En telkens voelt er wel een medeburger / politicus / ondernemer/denker zich geroepen om de noodkreet te sussen, het probleem onder de mat van de redelijkheid en de logica te schuiven in bewoordingen alla “We kunnen niet alles willen.”

Nu is dat uiteraard flagrant onjuist. Uiteraard kunnen we alles willen. Wat we niet kunnen is alles krijgen.
Het bekt goed natuurlijk: ‘Je moet leren kiezen.’ De logica zelf toch? Geen speld tussen te krijgen.
Alleen: dat hele “We willen teveel”-discours suggereert dat mensen de problemen die ze wensen aan te kaarten zelf creëren door hun hebberigheid.

Ja hoor, hoger opgeleide dertigers (ik mijd bewust het woord middenklassers) hebben allemaal een gevarieerd wagenpark onder de teakhouten carport staan. We gaan jaarlijks 3 keer op citytrip (Parijs is sooooo twintigste eeuw, Kopenhagen en Istanbul moeten het zijn), een keer op wintersport en ‘s zomers lekker lang met de kids naar het Zuiden. We hebben voor elk gezinslid een iPad. We gaan wekelijks een hapje eten in een van de betere resto’s uit de buurt. Ons huishoudelijke verplichtingen delegeren we aan poets- en strijkhulpen.
We hebben 13 hobby’s waaronder zeldzame whisky slurpen, tai chi, moleculair koken en mindfulness en ons werk is uitdagend en creatief. Daarom zijn we dus zo moe. We willen veel te veel.

Ze bestaan vast, dat soort mensen, maar persoonlijk ken ik zo goed als niemand die aan bovenstaand profiel beantwoordt. Ik zie in mijn directe omgeving voornamelijk mensen naar hun werk hossen met de fiets en/of de trein, op her en der een volhardende chauffeur in een bejaarde auto na. Ik ga op bezoek bij vrienden in een simpel en verre van riant rijhuis met bescheiden koer. In de zomer kampeert iedereen met gezin in Frankrijk. Meubilair komt van de rommelmarkt of van Ikea. De kinderen spelen in doorgeefkleren. Verbouwen doen we zelf (en dus tergend traag en onvakkundig). Allemaal jongleren we met tijd en ruimte. Allemaal rennen we ons de benen vanonder ons lijf, tussen huis en crèche of school, tussen school en huis, tussen keuken en bed, een stel moegezeulde en jengelende kinderen in ons kielzog. En of we nog weten dat het volgende week pedagogische studiedag is (nee, tuurlijk weten we dat niet en fuck we hebben bestuursvergadering die dag en de grootouders zijn op reis). En of we ook nog even een verkleedoutfit kunnen bedenken voor het schoolfeest van de oudste, een cake bakken voor de verjaardagstractatie van de jongste en aub het oudercontact niet willen vergeten. Oh ja, en de pensioengerechtigde auto moet naar de keuring. En “Mama, ik heb geen propere kousen meer in mijn kast!” en “Wat gaan we eten? Weeer pizza!?” En de keukenvloer lijkt elke dag meer op een conceptueel kunstwerk. En het dak lekt. En de energiefactuur zou met een doos Prozac bezorgd moeten worden.
En hoe vaak las ik al dezelfde pagina van het bejubelde boek naast m’n bed, omdat ik in slaap val voor ik bij de tweede paragraaf ben beland. En waarom loop ik de hele dag te snauwen en te brullen tegen de kinderen, die met vergelijkbaar korte lontjes terugbrullen?

Langs de zijlijn staan ministers en Unizoten te scanderen dat we langer aan de slag moeten. Voltijds, dat spreekt vanzelf. Dat het nu eenmaal zo is. Dat het niet anders kan. Dat de economie moet draaien.
Hen lukt het wel, dat multitasken. Zij kunnen zelfs in een vloeiende beweging oproepen om massaal voltijds aan de slag te gaan tot we minstens 67 zijn (en zelfs daarna kunnen we nog een tijdje mee), het tijdskrediet inperken en werklozen en invaliden opjagen als ware het loslopend wild.

En wij, wij zeuren. We zijn verwend. Wij mogen van geluk spreken dat we werk hebben. Dat we een dak boven ons hoofd hebben en elke dag warm eten (telt pizza ook?). Zeven straten verder kamperen uitgebreide Roma-gezinnen in een kippenhok. In Spanje vindt een op twee jonge afgestudeerden geen werk. In Lampedusa stranden wekelijks gammele boten vol onfortuinlijker medemensen, als ze hoegenaamd al stranden. Over Syrië zwijgen we wijselijk.

Vroeger, toen was het leven pas lastig. Hebben we Het Gezin Van Paemel misschien niet gelezen? De neoliberale samenleving is een zegen.
Nee, wij hebben het goed. Toch?