biekesblog


vrijdag 27 juni 2014

De geur van een ongewenste laatste schooldag


Abrupt kondigde zich vanochtend de laatste schooldag aan. De dag waarop de zomer pas echt zijn langverwachte intrede doet. Een dag die zou moeten ruiken naar zonnemelk en gras, naar waterijsjes en aardbeien, naar vers kinderzweet en rijpe tomaten.

Hier stonk de dag een beetje. Wij roken vaag de onbestendige geur van krijt en opgehoopte stoffigheid, van lucht waar in de loop van de dag de meeste zuurstof uit is verdwenen. Van binnenzitten en reikhalzend naar buiten gluren. Van zweterige boterhammen met salami en konfituur in druk bevolkte refters.

Mijn kinderen gingen tot vandaag niet zomaar naar school.  Ze bouwden een school. Ze groeiden op school. Ze maakten regels om die vervolgens weer af te schaffen. Ze dachten na over hoe ze met elkaar moesten leven binnen de muren van hun school.
Ze hoefden zich niet af te vragen of ze uitgelachen zouden worden, wanneer ze met snoepjesroze crocs, een babyroze hartjesdiadeem, een spiderman-shirt en een plastic machinegeweer (al deze accessoires verspreid over een enkel jongenskind) de school binnenhuppelden. Er keek nauwelijks iemand op.
Ze aten wanneer ze honger hadden. En anders niet.
Ze gingen naar buiten wanneer ze daar zin in hadden, ook al regende het pijpenstelen en slurpte de modder hun sokken op.
Ze losten hun conflicten op, nu eens rustig en empathisch, dan weer met een mep of een stomp. Die mep of die stomp gaf dan weer aanleiding tot een gesprek, tot vragen, tot kijken naar wat je deed en wat dat met de ander deed.
Ze bakten taart en maakten soep, ze bouwden forten en raketten, ze hielden nachtelijke logeerpartijen op school, deden er amper een oog dicht.

De oudste zoon leerde er (niet noodzakelijk in die volgorde) schaken, rekenen, nagenoeg accentloos Engels spreken, virtuele zombies onthoofden, zeggen wat je wilt en niet wilt en dat op beleefde wijze,  respect hebben en tonen voor iedereen, ruzie maken en het goedmaken, je troep opruimen, stofzuigen, bladeren harken. En bovenal: hij leerde er dat hij ok is. Ook als hij bij momenten de kamer, en bij uitbreiding het huis door stuitert. Ook als hij ratelt als een versneld cassettebandje op repeat. Ook als wiebelend met een knie op de zitting van de stoel leunen, terwijl je je boterhammen naar binnen schrokt, zijn versie blijkt te zijn van neerzitten tijdens het eten.

Dat leren ging niet vanzelf. Het eerste jaar sloot hij zich op en af in lege kamers of kasten en onder tafels, kwestie van duidelijk te maken dat hij niets te maken wenste te hebben met de rest van de schoolbevolking. Wanneer hij gestoord werd in zijn bezigheden was een flinke klap en een schreeuw zijn enige manier om duidelijk te maken dat hij niet gediend was van de intrusie. Praten deed hij nauwelijks.
Het tweede jaar bracht hij grotendeels door voor een computerscherm. Zelfs het kerstfeest met chocolademelk en pannenkoeken konden hem niet losweken van de hardware. De theorie vertelde ons dat dat overging, maar geloven in theorieën is doorgaans makkelijker wanneer je ze niet in praktijk hoeft te brengen.

Vier jaar later moet ik mijn vrolijke, oversociale kind nu en dan aanmanen om mensen met rust te laten, wanneer hij tijdens een wandeling of op een terras met iedereen conversaties aanknoopt en alle hondeneigenaars bestookt met vragen over ras, naam en herkomst van hun viervoeter. Hij wijst zijn schoolvrienden op hun rommel, op het feit dat ze onbeleefd of respectloos zijn, op eender wat in zijn ogen onrechtvaardig is en dus dient aangekaart. Hij spreekt mij streng toe wanneer ik (per ongeluk) een winkelrekening op de grond laat vallen bij het verlaten van de supermarkt. Hij kijkt naar mensen zonder taal, kleur, uiterlijke kenmerken in rekening te brengen. En man, wat is hij gelukkig. Jaloersmakend, zoals dat kind door het leven huppelt en springt.

We hadden geen rapporten, cijfers of evaluaties nodig om te zien hoe de zonen bloeiden en groeiden. Wanneer er iets misliep, dan ging de staf in gesprek met ons kind, in plaats van ons te sommeren voor een oudercontact. Ze raakten er onder elkaar wel uit, zo bleek. We voelden ons bij momenten enigszins overbodig.

Nu nemen we afscheid van zijn, van onze school, een afscheid waar we geen zin in hebben. Omdat we er niet echt voor kiezen. Omdat het de omstandigheden zijn die de keuze wegdrukken. Omdat sommige beslissingen zich wel vermommen als keuzes, maar het eigenlijk niet echt zijn. Omdat we weten dat het nooit terugkomt. Omdat scholen als de onze niet in het keurslijf van eindtermen, leerdoelen en andere abstracte regelneverij passen, en dus ook geen recht hebben op overheidssteun. Omdat men wel de mond vol heeft over vernieuwing en hervorming van het onderwijs, maar in de praktijk elke daadwerkelijke vernieuwing argwanend en afkeurend in de gaten houdt. Omdat wie afwijkt van de norm gekortwiekt wordt en verdomd sterk in zijn of haar schoenen moet staan om op het zelfgekozen pad te blijven.

Dus nee, geen blije gezichten hier, op deze laatste schooldag. Maar een moeilijk afscheid en vooruitblikken op iets wat ons niet meteen doet verlangen: een reguliere school.
Een plek waar er stilgezeten dient te worden; waar je eet wanneer iedereen eet en omdat het twaalf uur is, waar buitenspelen of lucht happen op vastgezette tijdstippen gebeurt, waar men over je praat met je ouders ipv met jou over hoe het met je gaat; waar er gequoteerd, genoteerd, gemeten en geregeld wordt; waar men niet gewoon vaststelt dat je kan rekenen door met je naar de winkel te gaan en je te laten afrekenen, maar daar eerst een toets voor nodig acht. Waar wat jij vindt en wilt niet echt telt.

De taart die ik vanochtend vroeg bakte, staat wat verdrietig af te koelen. Een pover bedankje voor de tijd die mijn kinderen cadeau kregen, tijd om te groeien, hoe traag ook; tijd om zichzelf te zijn en te vinden; tijd om zich samen met anderen van uiteenlopend pluimage, ergens thuis te voelen; tijd om een kind te zijn en te doen wat kinderen nodig hebben, met vallen en rechtkrabbelen, met blauwe plekken en builen.

Het komt vast allemaal goed, zo maak ik mezelf wijs. Laat ons eerst de zomer maar verteren.




maandag 21 april 2014

De Lekkerste Mama van Vlaanderen


We hebben ons net een levercrisis gegeten aan paaseieren en horen de klokken in de verte nog opgelucht luiden of de middenstand joelt alweer vrolijk die andere hoogdag tegemoet: moederdag, het feest van alle moeders.

Voor een vrouwvriendelijk blad als P-Magazine is geen moeite te veel om het wonderlijke wezen Vrouw, in dit geval Moeder, in het zonnetje te zetten (daar waar het warm genoeg is om overtollig textiel achterwege te laten). De lezers en sympathisanten van P kunnen dezer dagen de Lekkerste Mama van Vlaanderen verkiezen. Voor de iets minder goede verstaander: lekker betekent in deze geenszins dat mama voor de gelegenheid in gesmolten chocolade en vers geklopte slagroom wordt gedoopt (al loopt er op de redactie van P vast een spitsvondige en vernieuwende geest rond die dat een topplan zou noemen).

De Lekkerste Mama is het soort moeder dat we wel eens zien opduiken in reclame die is ontsproten aan het jeugdige en naïeve brein van reclamejongens, in nauwe maatpakjes met kleurrijke sneakers en zonnebrillen van illustere merken: een mama die zich strak toont in lijf en leden, als was er nooit een kind, laat staan twee, uit dat pronte lijf geperst. Hemelwaarts priemende borsten in een jolige maat, als had er nooit een hongerige zuigeling aan gelurkt. Billen zo strak en striemvrij als een vers opgepompte voetbal. En een jurk, nauwelijks die naam waardig, waarmee geen weldenkend mens zich in een straal van een kilometer rond een schoolpoort waagt. Dat soort moeder dus. Als u mij om een concreet voorbeeld vraagt, Victoria Beckham is de enige die spontaan in mij opkomt. In mijn iets directer omgeving kan ik wonderlijk genoeg niet meteen een representatief exemplaar ontwaren.

Mijn jongste komt mij jengelend melden dat hij zijn piamabroek heeft volgeplast, terwijl ik een paar beschimmelde sokken uit de verder ongemoeid gelaten kamprugzak van mijn oudste vis. De hond heeft mijn enige schone beha uit de wasmand gegraaid en 8 centimeter diep ondergegraven in de tuin, die hoogdringend aan een lenteonderhoudje toe is. De koelkast is leeg, op een half pak jonge kaas en een treurig kropje sla na. De man die tot voor kort mijn man was post een foto op Facebook van zijn nieuw lief: pront, vers gekapt en gemanicuurd, zonnebankbruin en immer in de plooi.

In een vlaag van ongekende balorigheid teken ik er in gedachten een stel vuile, plakkerige en zeurende kinderen bij. Ze ziet er instant al veel minder lekker uit. Nu ik toch creatief bezig ben denk ik er een veeleisende job bij, zo’n job waar je de deur niet dichttrekt na 17u, die je ook ‘s avonds en in de week-ends op het appel verwacht. Ik ontwaar zowaar een paar rimpels en fronsen. En grijze haren, dat ook. Tot slot stuur ik het hele perfecte plaatje 14 jaar verder in de tijd. Dubbel zo lang als relaties gemiddeld rimpelloos blijven, volgens experten, logen en peuten die zich verdiepen in de complexe materie van de liefde. En kijk, ik ontwaar zowaar een zweem van ergernis en verveling; van gluren over de haag of daar geen appetijtelijker marchandise aan de man wordt gebracht.

Nee, die Lekkerste Mama-trofee, die is niet voor mij dit jaar. Mijn kansen op de trofee voor vergevingsgezindheid en lankmoedigheid heb ik daarnet vakkundig verkwanseld. 

woensdag 19 maart 2014

Braakliggend



Door omstandigheden, die de liefde niet zo kan hebben bedoeld, ligt de rest van mijn leven panoramisch voor me uitgespreid, als een braakliggend terrein vol roestig en lang vergeten afval. Er valt iets van te maken dat op een tuin lijkt, maar het vraagt bevlogenheid, moeite en liefst wat helpende handen.

Er zijn dagen dat het met die bevlogenheid wel meevalt. Maar vaak verlies ik ze, ergens onderweg tussen plicht a en plicht b, op weg naar plicht z. Het is niet dat ik geen moeite doe. Het lukt wonderwel om enige orde aan te brengen in de chaos die de kleine aardbeving aanrichtte. Ik sta elke dag op, vroeg genoeg om een waslijst aan noodzakelijke taken af te vinken, van kinderen voeden, kleden en op school krijgen, over de hond uitlaten, tot mezelf toonbaar maken voor de buitenwereld. Routine. Eerst a, dan b, om vervolgens d aan te pakken terwijl ik onderweg c afhandel.
De avonden verlopen volgens hetzelfde, zij het omgekeerde, strakke stramien.
Alles loopt. Alles verloopt zoals het hoort of zoals het kan. Iedereen overleeft.

Het zijn de uren die geen taken of plichten in zich dragen. Het zijn de lege plekken in een veel te groot bed. De stilte in een leeg huis, wanneer de orde even niet de mijne is. Het is de spiegel die mij dingen vertelt die ik niet wil weten, laat staan zien.

De lente jaagt mensen naar buiten, hun schemerige rijtjeshuizen uit, de parken in, terrasjes op. Iedereen is vrolijk. Iedereen houdt van elkaar. Iedereen heeft het voor elkaar. Iedereen is verliefd, op zichzelf, op een ander, op een nieuw paar schoenen, op het leven.

Ik grijp mezelf bij m’n nekvel, spreek mezelf streng toe: “Komaan, laat je niet gaan. Je bent een taaie.”, en bedenk meteen dat dat waarschijnlijk een mythe is, dat ik taai zou zijn. Soms ben ik een weekdier, een hoopje blubber, waar elk moment iemand met stevige tred op kan trappen. Op andere dagen ben ik een strijder, een dappere heldin, die onbevreesd over beren op de weg en andere obstakels heen stapt, kin in de lucht, blik op oneindig.

Misschien is het leven ook maar dit: een schijnbaar willekeurige opeenvolging van blunders en verkeerde inschattingen. Van af en toe rechttrekken wat krom leek, maar meestal krom laten wat gedoemd was krom te zijn.

En misschien bestaat de ware levenskunst erin om daar genoegen mee te nemen. Ik oefen. Van beoefenen is vooralsnog geen sprake.





zondag 26 januari 2014

De verlengde schooldag: zelfontplooiing voor allen!


Het moet niet makkelijk zijn, na jaren langs de zijlijn van het politieke spel weer dringen om die begeerde plaats onder de schijnwerpers.
Er wordt dan ook menig lek ballonnetje opgelaten, in deze lange aanloop naar de verkiezingen. Het lijkt er niet zo bijster veel toe te doen waarmee er aandacht wordt gescoord, als er maar, hoe kort ook, in de gewenste richting wordt gekeken.

Caroline Gennez, sp.a-coryfee met gulle lach en licht besmeurd palmares, lanceerde de afgelopen week een bescheiden onderwijsrelletje, toen ze op Radio 1 haar boek ‘De Verschilligen’ voorstelde. Een van de opmerkelijkste ideeën die ze in dat boek uitwerkte is een nieuwsoortige ‘complete schooldag’, die maar liefst van 08u tot 18u dient te duren.

Het voorstel beroerde de gemoederen, zoals dat meestal gaat wanneer het over onderwijs gaat. Iedereen vindt er wel wat van en sommigen hoeven niet eens te weten waarover het gaat om wat dan ook te vinden.

Mijn onbehagen over die hele ‘verlengde schooldag’ groeide, naarmate de dag vorderde en ik de boude plannen van mevrouw Gennez overpeinsde. De argumenten zijn nochtans nobel genoeg, of in ieder geval verpakt als sociaal, empathisch en in het algemeen belang.

Nu mocht ik de afgelopen twintig jaar zo’n tiental uiteenlopende Vlaamse leraarskamers frequenteren en ik durf stellen dat het woord hervorming er, zelfs op fluistertoon, volstaat om een collectieve aanval van hyperventilatie teweeg te brengen. Het onderwijs hervormen is niet gewoon een lastige klus, maar heeft bij momenten veel weg van een ware utopie.
Als we er niet eens in slagen een paar relatief eenvoudige structurele maatregelen als een brede eerste graad door te voeren, vanwaar dan het idee dat er een draagvlak kan bestaan voor nog drastischer plannen? Maar goed, soms moet men moedig zijn en de nek uitsteken, ver boven dat verrekte draagvlak uit.

Het belangrijkste argument voor de tienurige schooldag bleek het volgende: zelfontplooiing. Een schoon en verheven begrip waar geen zinnig mens kan tegen zijn. Er werd ook iets vaags gezegd over hoe deze maatregel de zwakkeren in de samenleving vooruit zou stuwen.

Wat dat laatste betreft, en om er meteen komaf mee te maken: als onze socialistische politica zich zo bekommerd toont om de zwakkeren in onze samenleving, dan zou ze zich misschien eens prioritair kunnen buigen over de armoede en de sociale ongelijkheid waarin steeds meer leden van die samenleving lijken te verdrinken. Ik kan me namelijk niet van de indruk ontdoen dat er bitter weinig animo bestaat om het lot van die zogenaamde zwakkeren te verbeteren, zelfs niet in socialistische kringen.

Ik heb geen idee hoe kansarmen uit de dagelijkse ellende overeind moeten krabbelen met behulp van een langere schooldag. Worden ze plots slimmer en bijgevolg kansrijker? Krijgen ze als bij toverslag meer kansen? Worden ze niet meer achtergesteld en gestigmatiseerd wanneer ze viool spelen of leren beeldhouwen?

En wat bedoelt men precies wanneer men stelt dat kinderen van kansarmen beter af zijn op school dan thuis? Dat kansarme ouders niet in staat zijn hun kinderen op te voeden? Dat men hen beter ontlast van die veel te hooggegrepen taak?
Ik ben niet van slechte wil maar het woord paternalisme belandde zomaar spontaan op mijn lippen.

Stel je voor dat die kansarme kindertjes na schooltijd zomaar doelloos op straat rondhangen. Niet alleen hangt er hen een GAS-boete boven het hoofd, maar al dat gehang dient ook geen enkel doel.
Ik krijg spontaan heimwee naar de tijd, niet eens zo gek lang geleden, dat ik zelf uren ‘doelloos’ op straat of in het veld mocht rondhangen, samen met de al even doelloze buurtkinderen. Niemand maakte zich druk over onze zelfontplooiing, hooguit over de modder aan onze schoenen of de winkelhaak in onze nieuwe broek. Niemand kwam op het idee ons spel te regisseren. Niemand was al op het idee gekomen om ons met GAS-boetes in het gareel te houden.

Het zou ons kunnen ontroeren hoezeer mevrouw Gennez wakker ligt van de zelfontplooiing van onze kinderen. Die ontplooiing vereist blijkbaar een scala aan bijzondere en vooral gesuperviseerde activiteiten, van schermen, over beeldhouwen tot harp spelen. Met een stok in een modderplas roeren of wormen uit de grond peuteren is al een tijdje uit den boze, wegens niet zinvol voor de ontplooiing.

Een mens vraagt zich oprecht af hoe mensen zich vroeger ‘ontplooiden’, of hoe ze dat elders doen, waar muziekles en ballet slechts exotische luxeproducten zijn, voor the happy few van het rijke westen. Al durf ik stellen dat het wel eens zou kunnen tegenvallen met die zogenaamde ontplooiing van ons, als ik de zelfmoordcijfers bij jongeren beschouw. Over de jeugdwerkloosheid zwijgen we.

Die mythe dat kinderen zich enkel ontplooien met behulp van een hele reeks doelgerichte en 
weldoordachte activiteiten, begeleid door alwetende volwassenen … kunnen we die niet eens voor eeuwig en altijd veilig opbergen in een duister en schimmelig hol? Kinderen hebben nood aan vrij spel, met de nadruk op vrij. Vrij spelen is een manier om vrienden te maken, banden te smeden, (eigen en andermans) grenzen af te tasten, te ontdekken en uit te vinden. Dat verzin ik niet ter plekke, er bestaan behoorlijk wat onderzoeksresultaten die duidelijk in die richting wijzen.

Vreemd genoeg horen al die belangrijke activiteiten, zo essentieel voor de ontplooiing, volgens mevrouw Gennez niet thuis in het reguliere curriculum van de school. Een tegenstrijdig signaal, als u het mij vraagt (maar dat doet u vast niet). Nu heb ik ooit gedacht dat scholen net die heilige zelfontplooiing tot doel hadden. Tot ik erachter kwam dat de reguliere lessenpaketten voornamelijk dienen om ervoor te zorgen dat niemand de schoolbanken verlaat zonder de diepere gronden van een algoritme of de middelpuntvliedende kracht te doorgronden. Dus in de plaats van dat hele opgelegde, algemene curriculum met enige gepaste arwaan te bekijken (ondenkbaar), plakken we gewoon wat extra uren aan de reguliere schooldag om zo toch wat ruimte te creëren voor creativiteit en eigen interesses. Oh, de moedeloosheid van dit soort pleisters op de etterende onderwijswonde …

Handig is het natuurlijk wel. Ouders zullen eindelijk rustig hun krant kunnen lezen. Gedaan met taxi spelen voor het nageslacht, van de academie naar de scouts, van de scouts naar de basketwedstrijd en van daar naar de klimzaal. Ontplooien doen die kinderen maar op school. Thuis kan er vanaf heden gewoon gelanterfant worden. Weliswaar slechts gemiddeld zo’n anderhalf uur per dag. Genoeg tijd voor een kind om je eten binnen te schrokken, je piama aan te trekken, je tanden te poetsen en als het meezit nog een verhaaltje voor het slapengaan te aanhoren.

Het voorstel in kwestie heeft dan ook verdacht veel weg van een gewiekste manier om ouders te verlossen van een huizenhoog obstakel, namelijk het simpele feit dat werktijden en schooluren volstrekt niet op elkaar zijn afgestemd. Het eeuwige dilemma tussen job en gezin: hoe geraak ik op tijd aan de schoolpoort zonder mijn werk(gever) tekort te doen? Hoe breng ik mijn kroost naar al hun buitenschoolse activiteiten (die verrekte zelfontplooiing, weetjewel) zonder dat ik gillend gek word omdat ik geen tijd meer heb voor mezelf?
Aangezien we met z’n alleen voltijds aan de slag moeten ter meerder eer en glorie van de heilige koe, genaamd Economie, dient dit obstakel kordaat aangepakt en geëlimineerd te worden.

Of er dan geen probleem is, hoor ik u vragen? Vast. Meer dan een. Dat werktijden en schooluren niet op elkaar zijn afgestemd, het is een oud zeer. Zelf wring ik me wekelijks in allerlei acrobatische bochten om mijn kinderen op het gewenste uur van school te halen. Dat wringen gaat gepaard met stress, krachttermen en veelvuldige gevoelens van falen op alle fronten.
Ik zie om me heen heel wat ouders dezelfde strijd voeren. Denkt er werkelijk iemand dat die mensen liefst van al nog minder tijd doorbrengen met hun dierbare kroost? Of dat kinderen niet graag tijd doorbrengen met hun ouders?

Als we echt bekommerd zijn om de ontplooiing van kinderen en ouders, dan wordt het misschien tijd om het concept arbeidsduurverkorting nog eens op tafel te gooien. Maar ja, dat mag dan weer niet van de economie en van VOKA.

Ouders krijgen kinderen omdat ze die willen. Nu ja, de meesten toch. We mogen dus redelijkerwijs aannemen dat de meeste ouders en kinderen gebaat zijn bij het simpele feit dat ze samen tijd kunnen en mogen doorbrengen. Tijd die nergens toe hoeft te dienen, tijd voor elkaar.

Opvoeden is namelijk vooral voorleven en samenleven. Samen wortels snijden voor de stoemp. Samen de afwas doen. Samen onkruid uittrekken. Samen de hond uitlaten. Kletsen en giechelen aan tafel. Ruzie maken. Aanmodderen. Vertellen hoe fijn of rottig je dag was. Of samen zwijgen en dat ook gewoon mogen.

Volgens Gennez trekken meer en meer mensen zich terug uit de samenleving. Die onverschilligheid moet worden omgedraaid, want die is ‘bedreigend voor de samenleving’.
Dat mensen onverschillig zouden staan ten aanzien van de samenleving waartoe ze behoren, ik geloof er niks van. Onverschilligheid zou hier wel eens verward kunnen worden met moedeloosheid en een gevoel van onvermogen. Vaststellen dat het vierkant draait en scheef groeit, maar niet bij machte zijn om er iets aan te veranderen.
Het is niet de moedeloosheid van burgers die de samenleving bedreigt, maar de machteloosheid en het gebrek aan moed van een politiek bestel, dat het onderspit delft voor de verpletterende overmacht van een nietsontziend economisch monster dat ons gulzig opvreet.