biekesblog


zaterdag 16 maart 2013

Mediaverlof


Bepaald vrolijk wordt een mens niet van het leven zoals het is, heden ten dage. Ik wil het niet hebben over de ijzige drab die met bakken uit de hemel stort terwijl de winkeletalages ons sandaaltjes en bermuda’s aanprijzen. Een pastelkleurig jurkje maakt duidelijk de lente niet.
Nee, de atmosfeer die ons alweer liggen heeft laten we met graagte over aan mensen die daarvan moeten leven, zoals Frank Deboosere, rots in de branding van het weerbarstige klimaat.
Wat mijn vurig gewenste innerlijk evenwicht en welzijn verstoort valt helaas niet onder een weerkaart te vangen.

Ik doe dagelijks kranig mijn best om op de hoogte te blijven van wat reilt en zeilt op dit stuk aardkluit. Dat kan ik dankzij de werkelijk briljante uitvinding De Media, dat ongeleid en schijnbaar doordacht amalgaam van halve ideologieën, wankele stellingen, openlijke geldingsdrang en vage ideeën onder de ronkende titel “Opinie”.

De oogst van een week krantenlezen en duidingsprogramma’s bekijken is op z’n vriendelijkst verdacht te noemen: een tot in den treure uitgesponnen assisenproces en een “nieuw” kerkelijk leider die zoals vanouds mannelijk, blank en oud is. Hele krantenpagina’s en uren tv-gekeuvel wist men er aan te besteden.

Gerechtpsychiaters raakten net niet slaags over de toerekeningsvatbaarheid van de malloot die jaren geleden een bloedbad aanrichtte in een kinderdagverblijf. Van de baardgroei van de dader tot zijn schoolrapporten, geen onbeduidend detail bleef gespaard van de gretige blik waarmee Vlaanderen zich vergaapte aan het fenomeen De Gelder.

Theologen en kloosterzusters kirden collectief hun opwinding uit over “de nieuwe wind” die – oh goddelijke ironie - een hoogbejaarde blanke man met dubieus politiek verleden moet doen waaien om een bestoft en beschimmeld instituut te verluchten en verlichten.

Intussen bereikten ons nogmaals een paar verbluffende tijdingen uit de Belangrijkste Stad van Vlaanderen:
Op 1 mei, sinds vanouds hoogdag voor al wat links en rood is in deze contreien, zal de NSA betogen in Borgerhout. Voor wie temidden van alle assisen en pauselijke zegeningen de rest uit het oog verloor: de NSA staat voor de Nationaal-Solidaristische Actie, een stelletje naonazistisch tuig waarnaast Filip Dewinter afsteekt als een koorknaap. Dat er uitgerekend in Borgerhout wordt gemarcheerd mag uiteraard geen toeval heten. Het donkerrode districtsbestuur van Borgerhout waarin PVDA+ een hoofdrol speelt is een doorn in het oog van al wat rechts is. De betoging is dus niet meer of minder dan een meterslange lont in een vol kruitvat. Dat het stadsbestuur een dergelijke provocatie toelaat valt op z’n minst opmerkelijk te noemen, al helemaal in het licht van het recente samenscholingsverbod dat de jonge, allochtone Borgerhoutenaars van de straat moest houden omdat er een opruiende sms zou zijn verstuurd die haast niemand ooit ontving.
Samenscholen is dus een selectief recht geworden in Antwerpen. En daar wordt nauwelijks om gekraaid.

Fascisten krijgen vrij spel om hun ongenoegen te uiten en dat smaakt eens zo bitter in het licht van de pesterij waarmee die aardige jongens van Occupy Antwerp mee af te rekenen kregen. Occupy is een solidariteitsbeweging die armoede wil bestrijden, daklozen van de straat wil en ijvert voor meer groen, in een notendop. Vredelievende hippies dus, van het soort dat zich dagelijks belangeloos inzet voor de minder fortuinlijke medemens. Dat doen ze bijvoorbeeld door gratis soep uit te delen in het centrum van de stad. De organisatie dreigt nu haar vergunning voor de gratis voedselbedeling kwijt te raken omdat men bij het stadsbestuur van oordeel is dat het soepkraam voor “overlast”  (het populairste containerbegrip van deze tijd) zorgt en meer en meer op een “Vlaamse Kermis” lijkt. Opmerkelijk dat een Vlaams Nationalistisch burgemeester aanstoot neemt aan een oervlaamse traditie als de Vlaamse Kermis, maar passons. De achterliggende boodschap is dat men in de hoogste regionen van Tstad niet gediend is van solidariteit en naastenliefde, al helemaal wanneer die gepaard durft te gaan met muziek en jolijt. Naastenliefde dient zich te presenteren in een grauw boetekleed en bij voorkeur in stilte en nederigheid.

“U nagelbijt, zie ik.” sprak mijn nieuwe tandarts op licht verwijtende toon. “Vind u het gek?” dacht ik bij mezelf.
Vanwaar in mij het dappere voornemen onstond om eens een week mediaverlof in te plannen, mijn gebit, de esthetiek van mijn naarstige handen en mijn innerlijk welzijn indachtig; een week waarin elk woord dat ik bewust lees of beluister ergens over zal gaan, een boodschap of een belofte in zich zal dragen waar ik en mijn wijde omgeving iets aan hebben.
Helaas zit mijn agenda al vol. Maar volgend jaar komt het er echt van, beloofd.






donderdag 21 februari 2013

De sokken van Bernard Dewulf


Gelukkig ben ik gezegend met een lage bloeddruk. Ik struikel namelijk met ergerlijke regelmaat over weetjes en meninkjes die mijn bloeddruk gevaarlijk de hoogte in jagen. Een leven als kluizenaar klinkt bij wijlen bijzonder aanlokkelijk, ware het niet dat een mens zo moeilijk aan blauwe Chimay en chocolade geraakt in zo’n heremietenhol.

Vandaag las ik volgend verbijsterende nieuwsfeit:
Een Belgisch ex-economieredacteur die 80 vrouwen misbruikte in Marokko heeft vandaag zijn straf gekregen. De vrouwen hebben wegens "pornografie" - want er werden foto's gemaakt - een straf gekregen van 1 jaar cel en 300 euro boete. Sommigen onder hen pleegden zelfmoord uit schaamte. De CD-rom met beelden circuleert al 10 jaar in Egypte.
De man is veroordeeld tot 18 maand, volledig met uitstel.
Ik verzin het niet. 

Diezelfde week vertelde een vriendin me het verhaal van de tienerdochter van een kennis. Het meisje wordt al maanden gestalkt, bedreigd, zwartgemaakt door een ex-liefje en zijn vrienden. Omdat zij het uitmaakte spuiten de kereltjes op de schoolmuren dat ze een slet is, steken ze haar fietsbanden stuk, wachten ze haar op aan de schoolpoort om haar te bedreigen en uit te schelden en sturen ze haar dagelijk tientallen smerige sms-berichten. De politie kan niets doen, zo melden ze. Er is geen strafbaar feit gepleegd. Dus slaapt zij niet meer en slijt haar dagen in angst.

Wanneer ik ‘s ochtends naar mijn werk wandel word ik geconfronteerd met tientallen halfnaakte en opzichtig opgemaakte meisjes en vrouwen die zich lusteloos te koop aanbieden aan de mannen die kwijlend voorbij hun ramen wandelen, de meisjes ongeneerd keurend zoals een chef-kok een stuk vlees op de vroegmarkt; elke dag opnieuw, alsof mannen een universeel en grondwettelijk recht hebben op seks, overal en altijd, en liefst meteen. Dat de prostitutie-sector stijf staat (pun intended) van onrecht, uitbuiting en geweld en net daarom indruist tegen menig mensenrecht, dat lijkt er weinig toe te doen.

Bernard Dewulf, een begenadigd schrijver die ik bewonder om zijn ingetogen en dichterlijke stijl, liet zich onlangs in De Standaard ontvallen dat hij zich mateloos ergerde aan al dat hooggravende feminisme, aan die “betweterige wijven” die zich meenden te moeten uitspreken over wie bij hem thuis de vaat doet. Hij werd in zijn woede gretig bijgetreden door heel wat mensen die menen te weten wat feministes bezighoudt.

Beste Bernard Dewulf, u dwaalt, niet mijlen, maar lichtjaren ver van huis, als u denkt dat het feministes kan schelen wie er bij u thuis de vuilnisbak buitenzet. Dat het ons wakker houdt wie er in uw gezin het meeste verdient of wie er uw kinderen van school haalt.
Wat mij en menig andere zelfverklaard feministe uit de welverdiende slaap houdt is de minachting die de samenleving tentoonspreidt ten aanzien van vrouwen. Hoe aardig we dat misprijzen ook maskeren achter dikke lagen pseudo-vrouwvriendelijkheid, in de vorm van GAS-boetes en voorstellen voor quota, het is en blijft misprijzen en het tast ons allemaal aan.

Sneren naar ambitieuze vrouwen en hen wegzetten als bitchy en manwijf, maar hen wel eerst de vraag stellen of ze een kinderwens hebben alvorens ze die begeerde promotie krijgen.
Niets doen aan het plaatsgebrek in de kinderopvang en oncompatibele school- en werkuren, maar wel mekkeren dat vrouwen allemaal voltijds aan de slag moeten.
Een voorstel tot verlenging van het bevallingsverlof wegstemmen, maar wel klagen dat vrouwen veelal deeltijds werken.
Campagnes opzetten over interfamiliaal geweld, maar verkrachters massaal op vrije voeten laten lopen.
Meisjes oproepen om te kiezen voor technische richtingen, maar geen jongens naar de onderbemande zorgsector lokken.

De dag waarop het huisvuil en de vuile sokken van Bernard Dewulf onze voornaamste strijdpunten blijken te zijn omdat al de rest van de baan is, zal ik me met plezier en in hoogst eigen persoon ten huize Dewulf aanmelden om voornoemde sokken te wassen, de handen nederig in een teiltje grauw sop.

Feminisme is geen vrouwenzaak, maar een kwestie van respect.






zaterdag 2 februari 2013

Verloedering of verandering?


Het is een terugkerend fenomeen: om de zoveel tijd wordt er gul gestrooid met termen als verloedering, wanneer we het over ons onderwijs hebben. Het lijkt wel alsof de teloorgang van de menselijke soort en ontwikkeling achter elke straathoek loert.
De strijd wordt uitgevochten alsof er maar twee rivalen zijn: vaardigheden enerzijds, kennis in de andere hoek van de ring. Een vaardigheid is het vermogen om een handeling uit te voeren of een probleem op te lossen. Jezelf vlot kunnen uitdrukken is een vaardigheid. De essentie uit een tekst of betoog kunnen halen is er ook een. 
Dat vaardigheid en kennis idealiter samengaan als yin en yang, dat klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het allerminst.

Kennis, ‘algemene kennis’ om precies te zijn, wordt maar al te graag en gretig omschreven. Enige consensus lijkt echter verder af dan ooit. Wat is nu eigenlijk ‘algemene kennis’, Wanneer is iets algemeen? Wanneer is bepaalde kennis essentieel? En bestaat dat eigenlijk wel, algemene kennis die voor iedereen even essentieel is? Heeft het ooit bestaan? Is het een realistische verwachting dat we iedereen dezelfde basiskennis kunnen meegeven wanneer we er niet in slagen om een consensus te bereiken over wat nu echt algemene en dus essentiële kennis is?

Het debat laaide hoog op de afgelopen weken, toen bleek dat – oh onthutsende ontdekking – onze aspirant-leerkrachten Kris Peeters niet herkenden en de Atlantische Oceaan niet wisten liggen.
Hele essays werden er bijeengepend over het heikele thema. Kranten en tijdschriften stonden er bol van.
Met een vergrootglas baande ik me een weg doorheen de wildgroei aan argumenten en meningen omtrent onderwijs en kennis, op zoek naar dat ene woord, waar elk leren onlosmakelijk mee verbonden is: motivatie. Het stond er nergens.
Ik vind het bizar. Moord en brand schreeuwen dat ze niks meer weten, onze verloren jeugd, maar vervolgens niet ernstig onderzoeken hoe dat komt.

Het ligt voor de hand om te roepen dat het onderwijs en de leerplannen an sich gewoon tekort schieten. Alsof leraars Aardrijkskunde abrupt zijn gestopt met aan hun pupillen tonen welke de zeeën en oceanen zijn en waar die zich bevinden op de wereldkaart. Alsof leerkrachten P.A.V. en maatschappijleer niet uren, dagen, weken bezig zijn met Het Nieuws analyseren samen met hun leerlingen, met de structuur van België voor hen uittekenen. Alsof iemand stiekem gniffelend de leerplannen verscheurde en ze verving door de lezersrubriek van Joepie. Dat gelooft toch geen weldenkend mens?
Wie het onderwijs van dichtbij meemaakt(e) zal het erover eens zijn dat er niet zo bijster veel veranderd is in de aanpak van het onderwijzend personeel. Oceanen, hoofdsteden en namen van ministers uit het hoofd leren behoort nog steeds tot de reguliere onderwijsgebruiken.
Veel onderwijscommentatoren hebben volgens mij in geen tijden een klaslokaal, een leraarskamer, laat staan een leerling van dichtbij gezien.

Wat maar weinigen in het debat durven gooien is dit: het maakt niet uit hoeveel leerstof en kennis je in de hoofden van kinderen probeert te proppen. Niets garandeert je dat die kennis daar ook blijft zitten, ergens in een makkelijk te vinden hoekje, instant toepasbaar. De waarheid is dat je kinderen niet zomaar meer wijsmaakt dat je de waarheid en de wijsheid in pacht hebt, dat je ze niet langer zomaar overtuigt van het belang van wat je ze vertelt. Waarom zouden ze geloven dat ze zonder een degelijke kennis van het Frans echt verloren zijn terwijl ze vaststellen dat de hele wereld Engels spreekt? Waarom zouden ze aannemen dat het belangrijk is om Afghanistan te kunnen aanduiden op een blinde kaart terwijl hun eigen ouders niet eens weten waar dat ligt en toch een normaal leven leiden? Waarom zouden ze geloven dat een goed diploma hen een degelijke en vaste job zal opleveren terwijl ze overal om zich heen het tegenovergestelde zien?

Motivatie is een doorslaggevende factor voor elk leerproces. Motivatie gaat over de wil om een doel te bereiken. Het soort motivatie dat de grootste slaagkans biedt komt van binnenuit (intrinsieke motivatie) Het leren is dan een doel op zich. De motivatie om te leren ontstaat idealiter vanuit een behoefte tot zelfontplooïng. Uit heel wat ernstig onderzoek naar intrinsieke motivatie en leren blijkt dat het leerrendement in die gevallen hoog is en gepaard gaat met plezier en voldoening. Wie leert vanuit een dergelijke motivatie onthoudt de leerstof veel langer en verwerkt ze beter en efficiënter.
Extrinsieke motivatie, het motiveren met punten of een bepaalde beloning, blijkt tot veel oppervlakkiger en kortstondiger kennis te leiden. Leerlingen leren massaal uit het hoofd dat Bagdad de hoofdstad van Irak is, reproduceren het weetje op het examen, om het vervolgens zo snel mogelijk weer te vergeten.

Terug naar de ‘schokkende’ vaststellingen aangaande de ‘algemene’ kennis van ons onderwijzend personeel in de dop. In plaats van te besluiten dat bepaalde leerstof niet meer wordt meegegeven – wat pertinent onwaar is – zou men er goed aan doen om de motivatie die zich verschuilt achter het leren eens van dichterbij te bestuderen, om eens terug te keren naar de basis van leren en exploreren, een oerdrang van de mens. Elk kind, elk mens wil leren wat hij of zij nodig heeft om volwaardig te functioneren in zijn of haar omgeving. Dat kinderen enkel leren onder dwang is nog nooit bewezen en maar al te vaak tegengesproken door ervaringen en onderzoek allerhande. 

Drillen werkt. Alleen ‘vergeet’ men er bij te vertellen dat het enkel op korte termijn werkt en vaak ten koste gaat van heel wat andere dingen zoals leren kritisch denken, leren verbanden leggen, leren redeneren en argumenteren, leren communiceren, maar vooral, van de zin om te leren en de voldoening die daar uit resulteert.


maandag 17 december 2012

Het syndroom als wapen


'Een (depressieve) moeder (met een slepende ziekte) vermoordt drie van haar  (hoogbegaafde) kinderen.'
'Een jongeman (met het syndroom van Asperger) schiet 20 kinderen en 6 volwassenen dood.'

Gezinsdrama’s en zinloze schietpartijen hebben een paar dingen gemeen.
Ze zijn steevast onvoorzien, overvallen ons bruut in onze sterfelijke weerloosheid.
En in onze behoefte aan een verklaring nemen we dankbaar onze toevlucht tot elk spoor dat wijst op iets afwijkends, tot elke hint van ziekte, syndroom, trauma, dramatische levensloop, elke vorm van ontoerekeningsvatbaarheid die ons moet geruststellen in onze overtuiging dat wij en onze geliefden, gewone geestelijk gezonde stervelingen, niet tot dergelijke wanhoopsdaden in staat zijn en dat de kans dat een dergelijke gruwel ons treft verwaarloosbaar is.

De waarom-vraag is altijd de eerste en de dringendste. Waarom zou een ogenschijnlijk liefhebbende moeder haar kinderen willen doden? Het kan niet anders of er was iets aan de hand met die moeder, iets abnormaals. Ze was vast ziek in haar hoofd; dat moet wel, dat kan niet anders. Buren en kennissen bekennen gretig dat ze haar altijd al wat vreemd hebben gevonden. En ze gaf haar kinderen thuisonderwijs, stel je voor. Die kinderen, daar was trouwens ook wat mee. Hoogbegaafd, werd er gezegd. We weten het niet, maar normaal waren ze niet, nee. Wat wil je ook, als je niet naar school gaat zoals een normaal kind.
De twintiger die een paar dagen geleden zonder toestemming aan zijn moeders wapenarsenaal zat, zoals een kind stiekem in de koekjestrommel graait, daar was vanzelfsprekend ook een en ander mis mee. Asperger, werd gezegd, een autistische stoornis of iets dergelijks. En veel te slim bovendien; een soort nerd; zo’n bleke asociale slungel, weetjewel.

Als er geen namen bestonden voor alles wat er afwijkend kan zijn aan een mens, we zouden reddeloos verloren zijn. We zouden namelijk geen enkele plausibele en draaglijke verklaring hebben voor dit soort waanzin; een verklaring die ons bevestigt in ons geloof dat wij en de onzen nooit zo onthecht raken van ons eigen leven en dat van wie ons omringt, dat we de waarde van die levens niet meer kunnen zien. We zouden niet kunnen berusten in de zekerheid dat wij, met onze evenwichtige en smetvrije geesten, nooit zo gevangen zullen zitten in onze wanhoop dat er ons geen sprankel hoop meer rest en de dood ons de enige uitweg lijkt, een waar we ook onze geliefden blind naartoe sleuren.

In onze afschuw schuilt angst, angst om de controle te verliezen, angst om ten prooi te vallen van wie de controle verliest. De gedachte dat niemand veilig is, die is onaanvaardbaar.
De afwijking is het brandmerk waarvan we ons bedienen om onszelf in het goede, het veilige kamp te scharen. Normaliteit is ons kartonnen schild. Het syndroom ons enige wapen.




woensdag 12 december 2012

Het is wat met die verrekte tijd.


Tijd is als het weer. We krijgen er geen vat op. Hoe hard we ons ook inspannen. Hoe vaak we hem ook halt toeroepen. Hoogst zelden slagen we erin stil te staan in het moment, in een fractie tijd die alweer weg is voor we in en uit hebben geademd.

Mensen zijn produktiever dan ooit. Dat blijkt althans uit allerhande onderzoek. Ik weet er het fijne niet van, maar ik geloof het allemaal best.
Het kan ook haast niet anders, gezien de schijnbaar onuitputtelijke lijst met technische spitsvondigheden en innovaties die ons leven 'vergemakkelijken'. Ze zijn zogenaamd bedoeld om ons te helpen tijd uit te sparen. Iets waar we allemaal veel te weinig van hebben, zoals blijkt uit de alomtegenwoordigheid van haast, stress, burn-out en aanverwante syndromen. Drukdrukdruk is het mantra van de actieve burger en vervangt al jaren het gezapige ‘goed’ als antwoord op de beleefdheidsvraag ‘Hoe is het?’.

Boodschappen bestellen we online en worden aan huis geleverd, een bank hebben we in geen tijden van binnen gezien (niet dat dat een gemis is) want het internet bankiert zoveel vlotter, dienstencheques zorgen ervoor dat onze huizen gepoetst en onze kleren gestreken worden. Kinderen kunnen om 07u naar de opvang en worden daar desgewenst het klokje rond verzorgd, gevoed, verschoond en bezig gehouden. We hoeven ze alleen nog in bed te stoppen.
Ons werk wordt in half zoveel tijd uitgevoerd als pakweg 20 jaar geleden: medelingen die we vroeger naar 175 mensen moesten faxen (oh, heimwee naar latente lust en romantiek in het copieer- en faxlokaal) verzenden we nu met een simple muisklik. Budgetten en begrotingen berekenen zichzelf. Vergaderen doen we van thuis uit, dankzij skype en chat. Je hoeft hooguit een schoon hemd aan te trekken boven je piama. Een mens vraagt zich af wat we in vredesnaam de hele dag uitvreten. Weg met die ergonomische bureaustoelen! Laat aanrukken, die hangmatten!
Wat een zee van tijd hebben we gewonnen! Tijd waar we al jaaaaren om zeurden.
Toch?

Waarom rent iedereen dan nog steeds als opgejaagd wild van hot naar her?
Waarom hebben we dan geen tijd om met onze kinderen te praten voor ze zich van een brug werpen of iemand anders moegetergd van een brug doen springen? Waarom hebben we dan in geen tijden een zinvol gesprek gevoerd met een vriend(in)? Waarom ligt onze tuin erbij als braakliggend terrein? Waarom is onze koelkast leeg, op een beschimmeld stuk parmezaan en een haleve pot mayonaise na, zodat we noodgedwongen onze toevlucht nemen tot de dichtstbijzijnde afhaalchinees? Waarom wordt er luidkeels gescandeerd dat we nog meer, langer, harder moeten werken? We produceren meer dan ooit tevoren, meer dan we op kunnen. Wat valt er dan nog meer te produceren? Waaraan precies is er zo’n nijpend tekort?

Intussen davert de tijd aan ons voorbij zonder dat we het merken. Alleen wanneer de tijd zich manifesteert in z’n meest elementaire, meest tastbare vorm; daar waar tijd begint en daar waar hij onverbiddellijk eindigt, bij het begin van een leven en bij het einde ervan, weet hij ons even, abrupt en verstomd, tot stilstand te brengen.


zaterdag 1 december 2012

Kunst: (ont)roerend goed.


Met enige ontzetting heb ik de afgelopen paar dagen gelezen wat de onderbuik van Vlaanderen denkt over artiesten en schrijvers, hoe ‘hoog’ - ergens ter hoogte van hun enkels - ze die in het Vlaamse vaandel dragen.
Ik kan niet anders dan me afvragen waar die wrok vandaan komt, die grimmigheid, die weerzin t.a.v. alles wat vaagweg op een schrijver of een artiest lijkt. Is het dat ‘men’ niet kan verkroppen dat er mensen zijn die ergens echt goed in zijn en daar ook nog eens hun beroep van weten te maken? Valt al dat bitsige gescheld te herleiden tot een vlaag van collectieve afgunst die de kop opsteekt zodra ze genoeg voeding krijgt?
Of is het echt een signaal dat de Vlaming niet geeft om kunst of literatuur en al helemaal niet om wie die voortbrengt?
Ik weet niet wat ik het ergste moet vinden.

Is kunst luxe en dus per definitie overbodig? Het gefröbel met klei van de buurvrouw in de avondschool, is dat kunst? En moet daar nu echt zoveel geld naartoe, naar al dat gepruts en geprobeer waar vaak geen normaal mens wat van lijkt te snappen? Kunnen die schrijvers niet gewoon een job zoeken en in het week-end schrijven terwijl anderen tuinieren of modelvliegtuigjes in elkaar zetten?
Welke plaats hebben de kunsten, in de brede zin van het woord, nu eigenlijk in ons leven? Wat als ze er niet waren? 

Hoe zou dit land eruitzien zonder Claus, Boon, Nolens, Lanoye, Verhelst en Verhulst? Zonder Magritte, Delvaux, Tuymans, Borremans, Dillemans, De Bruyckere? Zonder Fabre, De Keersmaker, Vandekeybus? Zonder Arno, Daan, dEUS, Balthazar? Een land van wafels en kermis, van bier en volksdans, van processies en fanfares.; stuk voor stuk geweldige en belangrijke uitingen van een volkscultuur. Maar zelden dynamisch, allesbehalve vernieuwend, nooit op zoek naar zin en onzin, naar leven en dood.

Wat voor mens zou ik vandaag zijn als ik niet als kind de hele dorpsbibliotheek had uitgelezen aan een rantsoen van 5 boeken per week? Als ik me niet had kunnen verschuilen voor de ondraaglijke lichtheid en de al even ondraaglijke zwaarte van het bestaan, in de magie van Marquez, het melancholisch cynisme van Kundera, het onverklaarbare toeval van Auster, de romantische zeden van Austen? Als ik niet hele lappen songtekst van Joni Mitchell en Fleetwood Mac had liggen meezingen vanop m’n tienerbed met de roze pluchen sprei?
Ik herinner me hele nachten stiekem lezen met een zaklamp op m’n hoofdkussen, tot de batterijen het opgaven en de eerste ochtendschemering door het raam gluurde. Ik weet hoe bepaalde boeken en platen nauw verbonden blijven met bepaalde herinneringen, beslissende momenten, roerige of gelukkige periodes in mijn jonge en iets minder jonge leven.
Als Julian Cope 'Safe Surfer' inzet word ik teruggeblazen naar een prille, maar bepalende liefde, die toen, lang voor ik er zelf genadeloos met een moker op inhakte, onverwoestbaar leek. Wanneer ik 'Wide Open Road' van The Triffids hoor ben ik heel even weer jong en onbevangen, maar diep gebukt onder die loodzware melancholie die zo eigen is aan die wankele leeftijd. Ik kan de pijn nog messcherp voelen.
Ik weet niet meer hoe vaak mijn vrienden mij een oververhitte concertzaal hebben moeten uitdragen omdat ik weer eens was flauwgevallen op de eerste rij.
Mijn oudste kind kwam ter wereld met de - vurig gemiste - Elliot Smith op de achtergrond, de jongste perste ik eruit terwijl ik probeerde Bon Iver te overstemmen met mijn oerkreten.
Die scene uit 'De Ontdekking van de Hemel' waarin Max Ada voor het eerst ziet, zij nietsvermoedend, de cello tussen haar benen, hij vol bewondering en verlangen...ik kan ze bijna uitschrijven.  Het eerste gedicht dat ik las van Herman Deconinck: 'Middenin de vlakte van juli kwam ik je tegen…': wat een revelatie; dat je met zo weinig eenvoudige woorden zoveel gevoel kon oproepen, keer op keer. En dat ik dat ook wilde kunnen.
De lijst is eindeloos.

Ik kan en wil me geen leven voorstellen zonder muziek, boeken, theater, kunst. Ik kan en wil me niet voorstellen wie ik was geweest zonder al die literaire en muzikale helden. Elke plaat die ik heb grijsgedraaid, elk concert dat ik van de eerste noot tot het allerlaatste bisnummer heb beleefd als was het een ritueel, elk boek waarin ik halsoverkop ben gedoken, om pas weer boven water te komen en naar adem te happen wanneer het uit was…het waren stuk voor stuk creaties van iemand die daar tijd, passie, wanhoop, geld en energie aan wilde besteden, ongeacht de financiële verloning, zonder enige werkzekerheid, wars van elk compromis, ver uit de buurt van economische wetmatigheden.

Kunst bestaat enkel en alleen omdat er mensen zijn die haar willen bedrijven, vanuit een innerlijke drang, een onstilbare honger.
Kunst is niet zomaar de creatie van schoonheid. Kunst is een een zoektocht, een aanklacht, een alarmsignaal, een spiegel, een sprong in het diepe. Kunst heeft de macht en de kracht om een maatschappij vorm te geven en in vraag te stellen. Kunst begeestert, sterkt, stuwt, vecht en mag nooit berusten.

Kunst hoort dan ook niet thuis in hetzelfde fiscale en economische laatje als beleggen in al dan niet dubieuze aandelen. Kunst en kunstenmakers verdienen een echt en waardig fiscaal en sociaal statuut, geen zoveelste doekje voor het bloeden. Omdat ze het waard zijn.










dinsdag 27 november 2012

Jarige kinderen en een beetje jarige ouders


Precies 7 jaar geleden liep ik nog onvast te waggelen als een gulzige en overjaarse gans, ongedurig wachtend op een verlossend teken. In mijn reusachtige buik een onbekende, zonder de minste haast om kennis te maken met ons, wij die voor lange tijd zijn leven zouden gaan bepalen.
Van rozig en gelukzalig genot had ik weinig gemerkt. Ik bleek geen modelzwangere. De absurde vermoeidheid halveerde mijn animo en hield me stevig in z’n greep. Het huis waar we nog maar net in woonden bleek geen thuis, maar een bastion van puin, stof en onvermoeibaar lawaai. Ik vond nergens rust. Niet in de bouwwerf die mijn woonst was, niet in mijn werk, dat zich situeerde in een rokerig hol waar wij, een stel gepassioneerde gekken, iets ambitieus en rock'n rolls uitprobeerden, of op luide concerten met nabeschouwingen tot een gat in de nacht, iets waar noch baby, noch mijn vermoeide, stramme lijf, zich bepaald opgetogen over toonden.
Op een grijze en historisch koude novemberavond, kwam het kind, zij het niet zo vlot en snel als gewenst, want ook op het vlak van mijn bevallingsvaardigheden bleek er ruimte voor verbetering.  Maar het kind kwam, onder overtuigend geroep en bloedstollend gehuil.
Het wonderlijke, gladde kind rook intens naar natte aarde en metaal, een verslavende geur die me nog maanden bleef achtervolgen en die ik zo graag nog een keer zou kunnen oproepen.
Het kind kwam niet alleen; wat meer was: het bleef. Dat was een hele schok. Niets of niemand had me terdege voorbereid op dat constante gevoel van overweldigende verantwoordelijkheid, dat heet in m’n nek ademde. Niets of niemand had me voorbereid op het volstrekt oncontroleerbare en eigenzinnige gevoel van verbondenheid, een soort ultieme verliefdheid die mij, rationeel en analytisch wezen, overviel zoals een woeste zeerover een visserssloep.
Zeven jaar al maakt het kind intussen deel uit van mijn leven. Dat doet hij op geheel eigen, vaak onvoorspelbare, soms ronduit onbegrijpelijke wijze. Hij is de spiegel waarin ik mezelf niet altijd even graag herken. Hij is de toekomst waarvan ik ooit geen deel meer zal uitmaken. Hij is mijn zaklamp wanneer het te donker wordt om de contouren van het leven te onderscheiden.
Niets is makkelijker geworden. Tijd en geduld zijn doorgaans schaars en vreten mekaar op. Maar altijd weer is er de liefde, elke ochtend en elke avond opnieuw. In dat onbeholpen, iele jongenslijf dat zich tegen me aan vlijt, in de brede voortandenloze grijns wanneer ik de deur openzwaai na een lange dag, in de overdaad aan fladderzoenen die we uitwisselen, in de ‘sorry na de storm, in de storm zelf.
Zeven jaar, ‘t is niets en ‘t is een eeuwigheid.

vrijdag 9 november 2012

Vrouwen en media...een bedenkelijk huwelijk?


De nationale vrouwendag blijkt zoals elk jaar weer de gelegenheid bij uitstek om zin en onzin over vrouwenrechten en sexisme te spuien.

Geen medium dat zich niet op de borst klopt en luidkeels verklaart vrouwenrechten ernstig te nemen.

Nu vindt een beetje weldenkende vrouw dat moeilijk te geloven wanneer ze neerbuigende prietpraat onder ogen krijgt waarin schaamteloos sexistische quotes mekaar verdringen. Alles mag en kan onder de noemer ‘opiniestuk’ of ‘column’.

 ‘Wil het IOC dat de helft van de deelneemsters op de Olympische Spelen vrouwen zijn? Het devalueert het sportieve niveau, want vrouwen kunnen daardoor zes keer makkelijker medailles winnen dan mannen, maar als het per se moet, vooral doen. Tenslotte hebben wij mannen in ónze Olympische Spelen van bij het begin aparte competities voorzien voor onze fysiologisch minder valide tegenvoetster. Paralympics binnen de Olympics, zeg maar. Beetje trager, beetje lager, beetje flauwer, maar soms mooier spektakel dan bij die sterkere mannen.’

Zo. Dat weten we dan ook weer, met dank aan De Standaard.
Zou die Hans Vandeweghe thuis iets tekort komen? Is de man wat eenzaam en verbitterd? Of is hij gewoon een kanjer van een macho en een zelfingenomen eikel? Wie zal het zeggen?

De Open VLD krijgt een nieuwe voorzitter. Dat wordt naar alle waarschijnlijkheid een vrouw. En dat is nieuws. Niet omdat de partij dringend aan een nieuwe voorziter toe was en de toekomst van de partij op het spel staat. Maar omdat een vrouw aan het roer vreemde reacties blijkt los te weken:

‘Als ik naar haar kijk, denk ik aan een plattelandsvrouw: thermoskan in de hand, naast het bietenveld.

Als ik haar hoor, denk ik: nou, Gwendo heeft toch meer van Hillary Clinton dan van Liesbeth Homans.

Wel lekker.’

Voor een genuanceerde brok vrouwvriendelijk proza kunnen we altijd rekenen op een grootmeester in het machopopulisme als Hugo Camps.

Laten we de beeldvorming op tv niet vergeten. Wat te denken van een minutenlange, net niet gënante lofzang op het talent en de schoonheid van een aanstormende jonge actrice terwijl rasacteur Bruno Vandenbroucke met z’n ongepolijste looks gewoon geweldig mag staan acteren zonder dat er iemand over zijn scheve, kale kop of z’n bierbuik begint. Wanneer krijgen we eens een topactrice te zien met vetrollen, rimpels, een haakneus, flaporen?
En dan de kers op de suikervrije taart: La Bryan, diva van niks, nontalent, rolmodel om van te huilen. En iedereen vindt het prima. ‘Ze is gewoon lekker zichzelf.’, zo klinkt het onder de mantel der liefde. Prima, wat mij betreft, maar kan ze die ‘zichzelf’ niet wat vaker voor zichzelf houden? Waarom moeten media meegaan in een verhaal dat er geen is en iemand op een voetstuk plaatsen die niets noemenswaardig kan, niets noemenswaardig te vertellen heeft en haar dagen slijt met de manicure van haar schoothond, shoppen en haar schokkend rijke wederhelft behagen. Je mag het toch niet gedroomd hebben dat alle tienermeisjes zich aan dit soort vrouw spiegelen? Dat alle tienerjongens denken dat dit het soort vrouw is waar ze achteraan moeten?
Komt er eindelijk  eens een einde aan de Astridiculisering van de media?

Verder kwam ik er vandaag achter dat er babyshampoo voor jongens (stoere piraten) en voor meisjes (prinsessen) bestaat. Mijn zoon is gek op roze en zou vast naar de prinsessenfles graaien. Gelukkig kopen we geen badkamertroep en blijft deze verscheurende keuze ons bespaard.
Ik leerde ook bij dat jongens en meisjes niet dezelfde woordjes horen te leren wanneer ze beginnen met lezen en schrijven. Gelukkig zijn er pientere firma’s die voor ons, onwetende ouders, hebben bedacht welke woordjes we aan onze zonen (piraat, brandweer, robot, auto, voetbal, …) en welke we aan onze dochters (prinses, pop, winkel, pony, schoen) dienen aan te leren. Je zal je maar vergissen en je kind levenslange schade berokkenen en zijn/haar genderidentiteit verstoren.

Enfin, alles gaat geweldig in vrouwenland. Gelijke rechten? Al laaaaang in the pocket. Sexisme? een randverschijnsel. Nergens voor nodig, al dat feministisch gezwets.