biekesblog


woensdag 11 september 2013

Zomernaschrift


De herfst stond zomaar ineens aan de deur, onuitgenodigd en zonder attentie.

De hogere cultuur trok zichzelf krakend op gang. Opgelucht stuurden we onze kinderen weer naar school, waar mensen tijd voor hen hebben.
Wie wegging weet al niet meer waarheen. Wie bleef verlangt.
We vegen restjes zand van het terras, samen met de eerste dorre bladeren. De avonden overvallen ons vroeger dan verhoopt.

Nu gebeurde het dat ik zomaar een zomer oversloeg.

Ongemerkt lengden de dagen, als haar dat groeide op een onverschillig hoofd, maar er verder weinig toe deed.
Het was een warme zomer ook, van het soort dat je doorgaans enkel in reisbrochures of Amerikaanse tienerseries ziet. Een schijnbaar eindeloze herhaling van vanzelfsprekende zonneschijn die voor altijd lijkt te zijn.
Mensen deden zomerdingen, dingen waar ze blij van moesten worden, dingen met gekleurde drankjes en ijsjes en onthullende kleren, met wanstaltige lappen bloederig vlees op een rooster boven het vuur, met blije muziek, met zand en veel andere blije mensen.

Ik sloeg nooit zomers over. Ik leefde in functie van de zomer. De zomer was mijn ‘echte’ tijd, de bestaansreden voor die andere, grauwere, koude tijd, waar ik me elk jaar laf doorheen ploeterde, het licht aan het eind van de tunnel, de beloning voor het beproefde en bevroren geduld.

Dat latente zomerverlangen werd bruut ingehaald door dingen die ik niet voorspeld had. Hartzeer en hoofdbrekens, die als zware overgordijnen de zon buitenhielden, uit mijn gezichtsveld, waar ze onverstoorbaar, maar ongemerkt mensen blij maakte. Andere mensen.

Het was een vreemde zomer, als een uitwas van een tijdperk vol hooggespannen verwachtingen en oogverblindende illusies. Maar ook een tijd met weinig geduld en een tekort aan mededogen dat naar adem doet happen.

De zomer liet een slagveld na van geblesseerde geliefden die twijfelden of ze hun wonden of dat cuberdon-ijsje moesten likken. Het leek wel een virus, van de besmettelijkste soort bovendien.

Het hartzeer en de hoofdbrekens zijn gaan liggen als een moegespeelde hond. Hij is er wel, maar doet even niet meer mee.
De zomer deint nog wat uit, lusteloos en uitgeblust na te veel overuren.

Voor het eerst verlang ik naar de herfst, naar de besloten veiligheid van mijn biotoop, de avonden die zich rekken tot ze bijna een geheel vormen met de dagen. 

zaterdag 7 september 2013

Wit, zwart, nooit gemengd



Wit, zwart, nooit gemengd.

Zo stond het er, vet geblokletterd op de voorpagina van mijn weekendkrant.
Een opvallend artikel, gewijd aan het falen van de gemengde school.
En om het gegeven kracht bij te zetten, een ‘getuigenis’ van een schooldirectrice van een 'zwarte' school: “Mijn eigen kinderen gaan hier ook niet naar school.”

In een paar alinea's werd de mythe van de gemengde, diverse school onderuit gehaald. “Goed bedoeld, maar niet gelukt.” Zo. Wie intussen ergens dagelijks z’n bezwete best staat te doen om diversiteit in het onderwijs een eerlijke kans te geven, die bleek eraan voor de moeite.

Ze bestaan dus niet, zo opperden de auteur van het stuk en een handvol interviewees, die kleurrijk gemende scholen, waar kinderen van uiteenlopende achtergrond samen leren, spelen en opgroeien.
Ik bleef wachten op cijfermateriaal en feiten die zulk een stelling konden staven, maar die bleven uit.

Mijn gedachten dwaalden af naar het buurtschooltje uit mijn vroegere wijk, waar mijn oudste de eerste 2 jaren van z’n schoolgaande leven doorbracht. Met drie waren we, de ‘moedige’ ouderparen die zo dapper waren om hun dierbare, blanke bloedjes in te schrijven in een school waar het percentage autochtone kinderen ergens rond de 0,05% lag.
Een enkele info-avond en we waren overtuigd. Niet door de krakkemikkige infrastructuur, die meer weg had van een brocanterie dan van een moderne school. Niet door de weinig opbeurende betonnen speelplaats. Al evenmin door de petieterige refter waar de kinderen ‘s middags in shifts hun boterhammen opaten. 
Wat ons, kritische en hoger opgeleide Vlaamse ouders, ongemakkelijk schuifelend op veel te kleine kleuterstoeltjes, over de streep trok was de warme toon van het verhaal. Wat ons hart stal was het gemeende woord ‘onze’ in de ontelbare keren ‘onze kinderen', de respectvolle manier waarop we een uit de hand gelopen speelplaatsruzie zagen beslechten, de verse soep die de Turkse moeders s’ middags aan de kinderen serveerden, de relativerende taal wanneer het over ‘niveau’ en ‘prestaties’ ging, het vertrouwen in de kinderen. 

Het bloedje ging naar school. En hij overleefde het. Meer zelfs: hij had het er prima naar z’n zin. Toen hij het moeilijk had bij de start, mochten we bij hem blijven in de klas tot hij zich veilig voelde. Wanneer hij viel werd hij, onder het bloed, in de troostende armen van de juf over de speelplaats gedragen. Wanneer hij doorheen de klas stuiterde, omdat stilzitten niet een van zijn meest opvallende kwaliteiten bleek, dan was dat niet ongepast of ongewenst, maar gewoon hij. Wanneer hij op het eind van het eerste jaar nog erg klein en hulpeloos bleek, bleef alle bezorgdheid en paniek uit, maar stelde de peuterjuf gewoon voor om hem nog een jaartje bij zich te houden. Dat hij er een half schooljaar over deed om luiervrij door het leven te kunnen, daar zeurde niemand over. Zijn kleine formaat en bijpassende piepstem maakten hem tot lieveling van hordes kirrende Turkse meisjes, die hem net iets te vaak naar z’n zin wilden oppakken, als een soort levende pop, een mascotte. De kneepjes in zijn wangen vond hij maar niks, de aandacht daarentegen.

Na hem volgden er heel wat andere Vlaamse kinderen. De 'vloek' was gebannen. De school kreeg een nieuw elan. De speelplaats een boom en wat groen. Wij, tevreden ouders, schilderden het tuinhek en plantten bessenstruiken. We nep-kampeerden voor de school om het inschrijvingskamperen in de stad aan de kaak te stellen. Terwijl we onze tent opzetten ging de directeur om rode wijn, voor het sfeerbeheer en om de avondkou te bestrijden. We zongen mee met onverstaanbare liedjes tijdens de schoolfeesten.

Temidden van al het gekakel over falende diversiteit denk ik terug aan mijn eigen schooltijd, waarvan ik het eerste deel sleet in een katholieke meisjesschool. Een witte school, wel te verstaan. Diversiteit was nog niet doorgedrongen in Haspengouw.
Nooit heeft er mij iemand troostend over de speelplaats gedragen, wanneer ik weer eens mijn gehate wollen broekkousen kapotviel. Wie in haar broek plaste (omdat je niet naar de wc mocht buiten de daarvoor voorziene momenten) werd te kijk gezet en uitgelachen. Ouders betraden de school enkel en alleen wanneer ze daar expliciet toe werden uitgenodigd (voor rapporten en problemen). Tijdens het eten werd er gezwegen en je werd geacht al je boterhammen op te eten, ook al zat er gore stinksalami tussen die je niet lustte. 
De uren die ik op mijn geschaafde knieën doorbracht in het bureel van zuster directrice heb ik niet geteld. Evenmin het aantal keren dat ik aan mijn oren van mijn stoel werd getrokken omdat ik – de  brutaliteit – mijn mond had opengedaan op een moment waarop dat niet gewenst was.

Wat ik ook nooit heb geteld is het aantal keer dat ik speelde met meisjes van ouders met beroepen als lasser, truckchauffeur of kassierster. Ik hoef niet te tellen om te weten wat het beschamende antwoord is: bijna nooit.
De kliekjes keurig geklede middenklassemeisjes met felgekleurde glitterpennenzakken en degelijke schoenen kwamen niet over de vloer bij de arbeiderskinderen, en vice versa. De segregatie tekende zich het scherpst af bij verjaardagsfeestjes. Wie wel en niet mocht komen. Wie er welk cadeautje kreeg van wie en hoeveel het had gekost. 

Ongelijkheid in het onderwijs, het is van alle tijden en universeel, staat los van etnische afkomst of kleur. De ongelijkheid is sociaal, maar daarom niet minder beschamend.










vrijdag 21 juni 2013

Beste meneer De Nul,


‘Er moet mij toch van het hart dat onze politici niet van de slimsten zijn,’ zei Jan De Nul van het gelijknamige baggerbedrijf voor hij aan zijn speech begon ter gelegenheid van de uitreiking van de Trends HR-Manager van het Jaar. 


‘We zien dat er van de 11 miljoen Belgen 6,1 miljoen de leeftijd hebben om te werken. Wel, er werken er 3,1 miljoen. Er is gewoon geen goesting om te werken. Omdat het zonder werken ook kan. We hebben zoveel systemen opgebouwd om betaald te worden zonder te werken. Maar we mogen niet vergeten dat die 3,1 miljoen mensen die wel werken, 8 miljoen anderen die niet werken, moeten onderhouden. Politici mogen doen wat ze willen, maar die 3 miljoen zullen nooit tevreden zijn.’ 



Beste meneer De Nul,

Bovenstaande las ik in Trends vanochtend, nog voor ik goed en wel wakker was.

Ik had net de Panorama-uitzending over armoede in Vlaanderen gezien terwijl u zich publiekelijk opwond over het gebrek aan inzicht van onze domme politici. Een toevalligheidje.

Geen goesting om te werken dus.
Laten we even ernstig ingaan op de interessante bewering dat er geen goesting is om te werken.
Heeft u daar cijfers van, van het reële aantal mensen dat werkloos is omdat ze niet willen werken? En zou u die cijfers dan eens willen toelichten? En wat verstaat u precies onder ‘niet willen werken’?

Die alleenstaande moeder van drie, die een job als verkoopster weigert omdat ze geen opvang heeft of kan betalen voor haar kinderen, en pas om 19u thuis zou zijn van haar werk, heeft die ‘geen goesting om te werken’?
Een andere alleenstaande moeder die een job in een call center afslaat omdat ze zich voor de job drie uur moet verplaatsen en dus in totaal 11 uur per dag van huis is, terwijl haar kinderen buiten de schooluren nergens terecht kunnen, heeft die ‘geen goesting om te werken’?
Een arbeider van 53 jaar, die nergens voor in aanmerking komt, omdat hij z’n hele leven alleen maar auto-onderdelen heeft gefabriceerd en daar geen vraag meer naar is, heeft die ‘geen goesting om te werken’?
Een Marokkaanse jongeman die in elk interimkantoor beleefd te horen krijgt dat hij niet in aanmerking komt voor de job van zodra de klant zijn naam leest of hoort, heeft die ‘geen goesting om te werken’?
Die duizenden ontdane mensen aan de poorten van Ford en Arcelor… waren die zo van slag en gebroken omdat ze ‘geen goesting hadden om te werken’?
Die duizenden mensen die INBEV ‘moest laten afvloeien’, die waren ook vast te lui om te werken? Gelukkig kon er op deze eenvoudige en doordachte manier wel voldoende geld vrijgemaakt worden om de CEO van Inbev zijn zuurverdiende 135 miljoen Euro bonus uit te betalen. Wat een opluchting. Stel je immers voor dat een dergelijke onmisbare schakel in ons welvaartssysteem plots zou beslissen dat het gras elders groener was… nee, dat zou werkelijk rampzalig zijn. Zulks kan men niet laten gebeuren.

Kunt u ook eens preciseren wat u meent te moeten doen met al die overtollige ambtenaars die volgens u nutteloos zitten te wezen – want het zijn niet enkel de werklozen die nutteloos zijn, neen ook onder de werkenden bevindt zich nodeloos veel ballast – en dus dringend ontslagen moeten worden? Wat voor concrete jobs hebt u precies voor hen in petto? Papiertjes rapen in het park? Uw tuin schoffelen?

U maakt zich duidelijk zorgen over onze welvaart. Ontroerend, zoveel betrokkenheid. Maar was het niet zo dat die welvaart waar u zo tuk op bent al een paar jaar afbrokkelt, en dan druk ik het nog optimistisch uit? En ligt dat volgens heel wat vooraanstaande economen niet mede aan de overmoedige speculaties en de inhaligheid van de bedrijfswereld, met hun monsterwinsten en monsterbonussen?
Nu heb ik nog nergens iemand horen beweren dat die hele legers werklozen verantwoordelijk zouden zijn voor de instorting van onze economie, dat zij het zijn die onze welvaart bedreigen. Maar het is uiteraard best mogelijk dat die economen er kilometers naast zitten. U bent tenslotte een man van de wereld en veel beter op de hoogte van die dingen.

U verwijt onze overheid ook een gebrek aan inzicht. Ik wilde het woord domheid niet gebruiken, omdat u het vast zo niet bedoelde.
Wilt u dan beweren dat de overheid nog enige macht, enige controle heeft over onze economie? Want dat zou dus betekenen dat de overheid werkelijk invloed heeft over het reilen en zeilen van de multinationals, over de beurs, het bankwezen, over alle facetten van ons economische bestel, zowaar een hoopvolle gedachte.
Maar nu had ik begrepen uit debacles alla Ford Genk en Arcelor-Mittal, dat onze overheid machteloos staat wanneer een topbedrijf iets beslist. Dat men in deze geglobaliseerde economie gewoon z’n zin doet aan de top van een wereldbedrijf. Of heb ik dat ook verkeerd begrepen? Ik ben dan ook geen topeconoom of CEO, maar een bescheiden burger met een gemiddeld inzicht in dergelijke complexe kwesties.

Ik zie wereldwijd democratische overheden spartelen als vissen op het droge, om een zweem van controle terug te winnen op een losgeslagen en onbeheersbaar geworden economie, maar misschien is dat maar schijn, of marxistische propaganda? Je weet het niet, met al dat linkse journaille. Misschien moeten we die openbare omroep ook maar afschaffen. Het kost handenvol geld en wat krijgt een mens ervoor terug? Als ze in Griekenland zonder kunnen, dan kan dat hier ook. 

Ik vermoed dat u veeleer bedoelt dat de overheid haar invloed moet aanwenden bij die lagen van de samenleving die een kordate hand nodig hebben: de werklozen. En dus niet bovenaan, bij het neusje van de zalm, de elite, de gulle gevers van deze uitgebalanceerde samenleving, zij die instaan voor onze welvaart: de bedrijven. Die tweede groep moet men uiteraard rustig z’n werk laten doen: winst creëren en met die welverdiende winst in alle vrijheid, blijheid doen wat men wil. Die eerste groep moet dus ‘geactiveerd’ worden om die tweede groep in stand te houden. Heb ik het zo goed? Corrigeer me vooral wanneer ik de bal hopeloos missla.

Dus eigenlijk komt het erop neer dat u aan de overheid – die u wenst terug te schroeven – vraagt om zich vooral niet met u te bemoeien, maar wel met die onderste lagen van onze beschaving. Van hen bij de hand te nemen en hen te leiden waar u ze wil hebben. Alleen is het me niet helemaal duidelijk waar dat dan mag wezen. Ik neem aan dat u ze niet allemaal aan het werk wenst te zetten in uw baggerbedrijf? U had vast al een concrete invulling in gedachten voor het lege bestaan van deze nuttelozen der aarde? En een intelligent man als u heeft vast ook al een oplossing bedacht voor de triviale praktische bezwaren die zo nu en dan opduiken in de levens van deze mensen, obstakels in de vorm van kinderen, geen diploma's, achterhaalde vaardigheden, handicaps, ziektes, … obstakels die hen verhinderen hun steentje bij te dragen als ‘geëngageerde burger’ (u neemt het me vast niet kwalijk dat ik er even mevrouw Rutten bijhaal).

Ik begrijp dat u een drukbezet man bent met veel en loodzware verantwoordelijkheden, maar ik wil u toch met aandrang verzoeken ons deze plannen in detail uit de doeken te doen, zodat wij, plichtsgetrouwe burgers die we wensen te zijn, u ter wille kunnen zijn en met u kunnen meedenken en waken over uw… excuseer, onze welvaart.

Hoogachtend,




zaterdag 11 mei 2013

Achtervolgd door de natuur


Geen hardnekkiger en besmettelijker argument in de strijd omtrent gender en rolverdeling dan De Natuur, dat onvermijdelijke, onweerlegbare monster der dooddoeners.
Geen tv-debat rond de strijd der seksen kan voorbijgaan zonder een blitz-optreden van een bioloog, bij voorkeur oud en uiteraard steevast mannelijk, die zijn schemerlicht laat schijnen over de de kwestie mannetje/vrouwtje en nog eens even dunnetjes de evolutietheorie voor macho’s uit de doeken komt doen.

U dacht dat u een onafhankelijk individu was, vrij om uw eigen keuzes te maken, uw levenspad zelf uit te stippelen, uw mentale en professionele ontplooïng vorm te geven? Het spijt me bijzonder dat ik uw innig gekoesterde illusies aan gruzelementen moet slaan, maar u vergist zich.
U bent namelijk slechts een speelbal der natuur, een willoze bundel hormonen en instinct.
Dat komt namelijk zo: ooit, lang, lang geleden, toen de dieren nog spraken en eruit zagen als draken, toen gingen de mannen op jacht, gewapend met handgemaakte speren, terwijl de vrouwen bessen en zaden verzamelden, zich aan hun haren naar een duistere grot lieten sleuren om zich aldaar te laten bespringen door drieste, wellustige kerels en vervolgens het gebroed zoogden en verzorgden dat uit voorgaande geslachtsdaden voortkwam.
Zowaar een benijdenswaardig bestaan.

Of deze schets van het mensenleven anno 125.000 voor Christus nu realistisch is of niet en in hoeverre ze opging voor de hele planeet, daarover tasten we in het duister, alle wetenschappelijke arrogantie ten spijt.
Maar misschien doet dat niet eens zozeer ter zake. Of de holenmens nu zijn gevoeg deed onder een baobab, rauwe mammoet kauwde en zijn vrouwelijke medemens aan haar haren naar zijn hol sleepte of niet…we zijn het er vermoedelijk over eens dat de homo sapiens anno 2013 al een hele poos niet meer zo leeft.

Vanwaar dan die onweerstaanbare drang om elk debat over de gelijkheid der seksen in de kiem te smoren met het argument ‘Het is De Natuur‘?

Mocht het argument nu nog op consequente wijze worden ingezet in elk sociologisch debat, we zouden er een zekere logica in kunnen ontwaren. Maar het gebruik van De Natuur als argument blijkt even grillig als haar wegen.

Nooit gaat het over De Natuur wanneer we het hebben over economische groei, de arbeidsmarkt, het bbp van deze of gene staat. Wanneer we langer dan een halve dag hoesten of snotteren snellen we naar de dichtstbijzijnde huisartsenwachtpost. Seks hebben we in een bed, onder lakens, met speeltjes en frutsels allerhande. Onze edele delen moeten getrimd en gewaxt. Kinderen baren doen we gepland, met de benen in een stel beugels en onder verdoving. Borsten zijn er om te showen en te behagen, niet om te zogen. Onze dagen brengen we door aan een computer, met een telefoon aan ons oor geklemd, accessoires waar die argeloze Natuur doel noch bestaansreden van onderkent.

Maar oh wee wanneer vrouwen hun deel van de gelijke rechtenkoek opeisen, wanneer ze beleefd maar kordaat verzaken aan stofdoek, kinderwagen of pollepel, wanneer ze aanspraak maken op beslissende posities, wanneer ze protesteren tegen bepaalde omgangsvormen die hen reduceren tot fijne vleeswaren.
Dan zijn we plots met z’n allen weer willoos gestuurd door De Natuur, voorbestemd tot welke genderbepaalde levenstaken dan ook.
Vrouwen zijn, liefst zonder complimenten, voorbestemd om te baren en te zorgen. Mannen dienen, liefst zonder al te veel overbodige en verblindende emoties, te voorzien in het levensonderhoud van vrouwen en kinderen.
Wie andere aspiraties heeft doet De Natuur niet enkel oneer aan, maar vloekt in de kerk van de selectieve evolutieleer, zo gretig verkondigd door mannetjesputters alla Midas Dekkers en Dirk Draulans, vast jofele kerels om eens een glas mee te drinken. Twee zou dan weer overdreven zijn.




maandag 1 april 2013

Bloemenmeisje


Even voor de duidelijkheid: ik hou van de koers. Dat doe ik al m’n hele leven, sinds ik als kleuter aan de hand van mijn grootvader mee mocht naar het citerium van Tienen, en me daar vergaapte aan een indrukwekkend kluwen van bonkige en pezige venten op een fiets.
Ik ben er in mijn tiener- en twintigerjaren schaamteloos voor uitgelachen. Wielrennen, dat was brood en spelen voor bejaarden en simpele zielen. Er ging maar weinig esthetiek aan verloren, volgens de leken en koershaters. Mijn stelling dat er heel wat strategie en heroïek schuilde achter een schijnbaar simpel gegeven als een wielerwedstrijd werd op hoongelach onthaald. Intussen is wielrennen big business en dus hip. De bonkige renners van weleer zijn gladde jongens geworden, in bestudeerde outfits en met een geknutselde kuif bovenop de brutale kop.

Gisteren werd de 97ste Ronde van Vlaanderen gereden, de koers der koersen, volgens menig wielerfanaat. De heilige ronde kreeg een gedroomde winnaar op het hoogste schavot. Fabian Cancellara moet zo ongeveer de populairste Zwitser zijn sinds Willem Tell. Vriendelijk, beleefd, aanspreekbaar, nooit arrogant en sportief in de meest figuurlijke zin van het woord.

Datzelfde kan geenszins gezegd worden van nummer twee, aanstormend talent en aandachtjunk Peter Sagan. Die vond er niks beters op om de aandacht af te leiden van zijn teleurstellende tweede plaats, dan in de billen knijpen van het bloemenmeisje, dat naast hem de blije en triomferende Cancellara kuste.

Dat vonden ze helemaal om te gieren, daar bij Sporza. “snoeper”, plaatste een lolbroek van een eindredacteur bij de foto in kwestie. Bij de VRT is men dus van mening dat wildvreemde vrouwen ongevraagd in de kont knijpen humor van de bovenste plank is. Dat al wie die mening niet deelt een treurwilg is, een vat azijn, een pretbederver, een gefrustreerd stuk mensheid. “Het was toch maar om te lachen.”, zo luidt het, een uitgeholde frase die mij steeds vaker naar bodem- en bandeloze aggressie doet neigen. Het begrip humor lijkt tegenwoordig alle soorten grofheid en grensoverschrijdend gedrag te dekken.

Zouden dat soort mensen het net zo grappig vinden wanneer een wildvreemde vent hun lief, vrouw of dochter ongevraagd bij de billen grijpt? Stel: Je bent een man. Je wandelt op straat  met lief/vrouw/dochter en een of andere grapjurk vindt het een geestig plan om de vrouw of het meisje aan je zijde in de billen te knijpen. Ligt u dan helemaal krom van het lachen? Ik dacht het niet, nee.
Hoezo, dat is “iets anders”. Dat is helemaal hetzelfde, maar dan zonder podium en publiek.

Staat er in de functieomschrijving van de bloemenmeisjes dat ze zich door renners moeten laten betasten? Geef je als wielermiss stilzwijgend aan dat je bepoteld mag worden door al wie op het idee komt?

En nu we toch bezig zijn met dergelijke diepfilosofische vraagstukken te ontrafelen: Wat doen die meisjes daar trouwens? Wat is de meerwaarde voor het sportgebeuren van dat soort achterhaalde en onnozele rituelen, waarin meisjes als decorstukken moeten opdraven? Het is niet omdat de jaren vijftig weer hip zijn dat we ook de genante ballast van dat tijdperk weer tot leven moeten brengen. Overigens: alsof die afgepeigerde renner niet liever onder een warme douche zou staan, een frisse pint zou drinken of zijn lief of familie in de armen zou sluiten.

Diezelfde zondag werd ook de Ronde van Vlaanderen voor vrouwen gereden. Even lastig, maar voor heel wat minder publiek (en geld). Winnares Marianne Vos moest het zonder bloemenmeisjes of –jongens stellen. Vrouwelijke kampioenen hoeven niet gekust te worden, en gelukkig voor hen ook niet bepoteld.









zaterdag 16 maart 2013

Mediaverlof


Bepaald vrolijk wordt een mens niet van het leven zoals het is, heden ten dage. Ik wil het niet hebben over de ijzige drab die met bakken uit de hemel stort terwijl de winkeletalages ons sandaaltjes en bermuda’s aanprijzen. Een pastelkleurig jurkje maakt duidelijk de lente niet.
Nee, de atmosfeer die ons alweer liggen heeft laten we met graagte over aan mensen die daarvan moeten leven, zoals Frank Deboosere, rots in de branding van het weerbarstige klimaat.
Wat mijn vurig gewenste innerlijk evenwicht en welzijn verstoort valt helaas niet onder een weerkaart te vangen.

Ik doe dagelijks kranig mijn best om op de hoogte te blijven van wat reilt en zeilt op dit stuk aardkluit. Dat kan ik dankzij de werkelijk briljante uitvinding De Media, dat ongeleid en schijnbaar doordacht amalgaam van halve ideologieën, wankele stellingen, openlijke geldingsdrang en vage ideeën onder de ronkende titel “Opinie”.

De oogst van een week krantenlezen en duidingsprogramma’s bekijken is op z’n vriendelijkst verdacht te noemen: een tot in den treure uitgesponnen assisenproces en een “nieuw” kerkelijk leider die zoals vanouds mannelijk, blank en oud is. Hele krantenpagina’s en uren tv-gekeuvel wist men er aan te besteden.

Gerechtpsychiaters raakten net niet slaags over de toerekeningsvatbaarheid van de malloot die jaren geleden een bloedbad aanrichtte in een kinderdagverblijf. Van de baardgroei van de dader tot zijn schoolrapporten, geen onbeduidend detail bleef gespaard van de gretige blik waarmee Vlaanderen zich vergaapte aan het fenomeen De Gelder.

Theologen en kloosterzusters kirden collectief hun opwinding uit over “de nieuwe wind” die – oh goddelijke ironie - een hoogbejaarde blanke man met dubieus politiek verleden moet doen waaien om een bestoft en beschimmeld instituut te verluchten en verlichten.

Intussen bereikten ons nogmaals een paar verbluffende tijdingen uit de Belangrijkste Stad van Vlaanderen:
Op 1 mei, sinds vanouds hoogdag voor al wat links en rood is in deze contreien, zal de NSA betogen in Borgerhout. Voor wie temidden van alle assisen en pauselijke zegeningen de rest uit het oog verloor: de NSA staat voor de Nationaal-Solidaristische Actie, een stelletje naonazistisch tuig waarnaast Filip Dewinter afsteekt als een koorknaap. Dat er uitgerekend in Borgerhout wordt gemarcheerd mag uiteraard geen toeval heten. Het donkerrode districtsbestuur van Borgerhout waarin PVDA+ een hoofdrol speelt is een doorn in het oog van al wat rechts is. De betoging is dus niet meer of minder dan een meterslange lont in een vol kruitvat. Dat het stadsbestuur een dergelijke provocatie toelaat valt op z’n minst opmerkelijk te noemen, al helemaal in het licht van het recente samenscholingsverbod dat de jonge, allochtone Borgerhoutenaars van de straat moest houden omdat er een opruiende sms zou zijn verstuurd die haast niemand ooit ontving.
Samenscholen is dus een selectief recht geworden in Antwerpen. En daar wordt nauwelijks om gekraaid.

Fascisten krijgen vrij spel om hun ongenoegen te uiten en dat smaakt eens zo bitter in het licht van de pesterij waarmee die aardige jongens van Occupy Antwerp mee af te rekenen kregen. Occupy is een solidariteitsbeweging die armoede wil bestrijden, daklozen van de straat wil en ijvert voor meer groen, in een notendop. Vredelievende hippies dus, van het soort dat zich dagelijks belangeloos inzet voor de minder fortuinlijke medemens. Dat doen ze bijvoorbeeld door gratis soep uit te delen in het centrum van de stad. De organisatie dreigt nu haar vergunning voor de gratis voedselbedeling kwijt te raken omdat men bij het stadsbestuur van oordeel is dat het soepkraam voor “overlast”  (het populairste containerbegrip van deze tijd) zorgt en meer en meer op een “Vlaamse Kermis” lijkt. Opmerkelijk dat een Vlaams Nationalistisch burgemeester aanstoot neemt aan een oervlaamse traditie als de Vlaamse Kermis, maar passons. De achterliggende boodschap is dat men in de hoogste regionen van Tstad niet gediend is van solidariteit en naastenliefde, al helemaal wanneer die gepaard durft te gaan met muziek en jolijt. Naastenliefde dient zich te presenteren in een grauw boetekleed en bij voorkeur in stilte en nederigheid.

“U nagelbijt, zie ik.” sprak mijn nieuwe tandarts op licht verwijtende toon. “Vind u het gek?” dacht ik bij mezelf.
Vanwaar in mij het dappere voornemen onstond om eens een week mediaverlof in te plannen, mijn gebit, de esthetiek van mijn naarstige handen en mijn innerlijk welzijn indachtig; een week waarin elk woord dat ik bewust lees of beluister ergens over zal gaan, een boodschap of een belofte in zich zal dragen waar ik en mijn wijde omgeving iets aan hebben.
Helaas zit mijn agenda al vol. Maar volgend jaar komt het er echt van, beloofd.