biekesblog


dinsdag 19 juni 2018

Wachten op de barbaren


Onderweg naar mijn werk zag ik in mijn haast een vriendin zitten, achter het beslagen raam van de koffiebar, waar we elkaar wel eens treffen. Ik had geen tijd, was al te laat, maar opende instinctief de deur en stapte naar haar toe. We hoefden niets te zeggen; we wisten allebei wat de ander voelde. Een omhelzing volstond. Daarna vielen de woorden, boze, striemende woorden, als hagel op een blote schouder. Dan, naadloos volgend, de wanhoop en de onmacht. Vervolgens: de cynische grapjes, over de dystopische werkelijkeid die onze geliefde fictie versneld probeert in te halen. Tenslotte: de angst. Wij die nooit ergens bang voor waren geweest, op het verkeer in onze steden na, bekenden dat we bang waren. Niet voor onszelf,  toch niet in de eerste plaats. Maar voor onze kinderen. Voor de Toekomst. Dat we gehuild hadden vannacht, tranen van woede en onmacht hadden gelaten. Niet dat het hielp. Het had niet geholpen na de talloze dode Palestijnse en Syrische kinderen, niet na het opsluiten van gezinnen met kinderen in onze eigen detentiecentra, niet na het uiteenknuppelen van vluchtende mensen aan de Europese grenzen. Staatsterreur blijkt prima opgewassen tegen onze tranen.
Dat wij, doorwinterde moeders, geen verweer hebben tegen geweld en terreur op kinderen, het hoefde geen betoog. Ik wist stellig dat zij gisteren, net als ik ‘s, naar haar vreedzaam slapende kinderen had gekeken, hen even geruststellend had aangeraakt.

Memorabele momenten zijn als mensen die je in de verte voor je uit ziet lopen. Het duurt even voor je met enige zekerheid kan zeggen of ze van je weg of naar je toe stappen. Eerst lijken ze alleen maar op en neer te deinen. Je vernauwt je blik, zoomt in, focust. Pas wanneer je ze in de omgeving plaatst zie je of de gedaante groter of kleiner wordt.
Is dit langgerekte momentum de laatste stuiptrekking van een uitstervende soort of de rasse intrede van een nieuwe? Je hoopt het eerste en vreest het tweede.
Je wilt niets vrezen. Vrees remt af wanneer je net vooruit moet. Vrees dooft het heilig vuur. Vrees is erger dan datgene wat we vrezen zelf.

Toch is het vrees die ik voel, van een gluiperige soort bovendien. Hij hijgt z’n stinkende hete adem in je nek wanneer je nietsvermoedend de tv aan zet. Hij port gemeen in je ribben wanneer je de slaap probeert te vatten. Hij schuilt in schijnbaar onverdachte hoeken en gaten. Hij glijdt alarmerend soepel en lenig in je systeem en blijft daar koppig zitten, stil maar waakzaam.

Ik wil hem niet huisvesten, ik wil van hem af, hem uitspuwen als bedorven voedsel. Maar hij gedijt, wordt dagelijks gevoed en gepaaid door nieuwe feiten.
Ik begrijp waarom mensen de feiten verdringen, het nieuws buitensluiten. Weigeren de angst te voeden. Het klinkt zo eenvoudig.
Toch onderhoud ik mijn angst, plichtsbewust, zoals je de hamster van de buren voedt, omdat het moet, omdat je het beloofd hebt, omdat het je plicht is, ook al vind je het een stom beest.

Angst zorgt voor een verhoogde staat van paraatheid in tijden van gevaar. Als angst reëel en objectief is, dan waarschuwt hij als geen ander voor scenario’s die tot voor kort onwaarschijnlijk leken. Hij zet je zintuigen op scherp. Hij stinkt uren in de wind naar urgentie. Hij doet je kiezen: Aan welke kant wil je staan? Blijf je bij mij en doen we samen een dutje, of sleur je mij tegen m’n wil mee naar waar het gevaarlijk wordt?
Mijn angst en ik, wij blijven voorlopig samen, tegen wil en dank.












-->

woensdag 30 mei 2018

Over Fons, de liefde voor de koers en de overbodigheid van vlaggen


Het was een kille voorjaarsdag. De voltallige familie zat oma’s copieuze maal van kervelroomsoep, rosbief met kroketten en dame blanche te verteren in de krappe woonkamer van mijn grootouders. Er was nog koffie, met de obligate taart, die niemand binnenkreeg. Op de achtergrond hield een opgewonden Mark Van Lombeek de familieleden op de hoogte van de gebeurtenissen tussen de Italiaanse oorden Milaan en San Remo, plekken waar ik nooit was geweest en waar ik me als negenjarige weinig bij kon voorstellen.

Op de buikige Philips-televisie reden mannen voorbij op de fiets. Knoestige bonken, met kromme benen en knobbelknieën, die enkel bekijks hadden omdat ze hard konden fietsen.
Mannen van weinig woorden die driftig trappend in de berm spuwden en na zo’n koers steevast onder het slijk of het stof zaten, substanties die zich wonderwel mengden met lichaamsvochten als snot, bloed en zweet.

Alle onooglijke kerels, kromme benen en viezigheid ten spijt bleef ik kijken. Gebiologeerd door het ritueel, dat elke koerszondag hetzelfde, maar nooit hetzelfde was. Door het stampen, boenken, ploeteren van de mannen, alsof hun leven en dat van al hun dierbaren ervan af hing. Door de buitenzinnige vreugde en de donkerste ontgoocheling na de meet. Door de opwinding die rond de fietsende mannen zinderde, als onweer op een broeierige zomerdag.

Die koersdag was anders. Daar stond plots, als in een visoen, Fons De Wolf op het podium, waar niemand hem had verwacht. Een ranke knaap met een fotogenieke wipneus en wuivende manen, een kruising van Nick Drake en Jotie ‘t Hooft (een gelijkenis die me pas jaren later zou opvallen), maar met een minder lyrische woordenschat en meer branie in de benen. Een ontregelende verschijning temidden van een peloton vol potige en hoekige kerels. “Wel een schoon menneke”, becommentarieerde een tante, die voorts nooit enige interesse in het wielrennen had geveinsd.

De koersherinneringen spelen tikkertje in mijn geheugen en lopen slordig door elkaar, maar ze zijn even scherp als de herinnering aan de emotie van dat moment.

1988. De chouchou der echte Belgen, Claude Criquelion, staat op het punt het wereldkampioenschap wielrennen te winnen. Tot een drieste Canadees hem de dranghekken in fietst. De idiote Canadees verliest stoemelings de sprint van een euforische Italiaan. De beteuterde Cri-Cri strompelt knullig met zijn kapotte fiets over de meet. De Canadees wordt ternauwerdood gered van een lynchpartij. Er breekt net geen volksopstand uit.

1989. Ik ben bijna meerderjarig. Franse held Laurent Fignon ligt halfdood en verbijsterd tegen de dranghekken, nadat hij de tour, die hij moest en zou winnen, op de meest onwaarschijnlijke wijze heeft verloren: met 8 belachelijke, nietige tijdritseconden, tegen een Amerikaanse praatjesmaker die al eens een jachtgeweer leegschiet in z’n eigen achterwerk en beweert te koersen op biefstuk met frieten. Mijn moeder en ik zijn alleen thuis en weten niet waar kruipen van consternatie. Mijn meisjeshart bloedt voor de onfortuinlijke Fignon.

1992. De impulsieve en bevlogen Italiaan Claudio Chiapucci rijdt tweehonderd lange kilometers aan kop richting Sestriere. Hij vertrekt op de eerste col. Vijf loodzware cols later heeft hij alle medevluchters als lastige vliegen van zich af geschud en rijdt hij alleen verder, onaantastbaar voor de hitte en het jagende peloton. De laatste kilometers legt hij zwalpend af, vooruitgeschreeuwd en -geduwd door meutes hysterische Italianen, die in deze overwinning een teken van Gods rechtvaardigheid zien.

1996. Terwijl mijn lief en vrienden zich in het Gentse feestgedruis storten, staar ik in een bloedhete woonkamer met de gordijnen dicht naar de ondergang van de ongenaakbare en mysterieuze Miguel Indurain. Mijn fascinatie voor vallende en verliezende helden krijgt de vrije loop. Miguel lijdt, maar geeft niet op. Iedereen haalt opgelucht adem nu de “saaiste aller tourwinnaars” het geel moet doorgeven. Behalve ik. Ik heb twee opeenvolgende nachten op café nodig om mijn verdriet door te spoelen.

De koersliefde was niet altijd even standvastig. Hoongelach van vrienden en kennissen die de koers een tijdverdrijf voor gepensioneerde mannen noemden. Dopingschandalen. Slaapverwekkend voorspelbare rondes. Jaren zonder televisie en zonder tijd. Dopingschandalen. Een reis door Spanje die ik op slinkse wijze “toevallig” langs het traject van de Vuelta probeerde uit te stippelen, tot het lief daar tijdig lucht van kreeg. Dopingschandalen. Baby’s en veel te veel slapeloze nachten, die op zondagnamiddagen gretig werden ingehaald. Dopingschandalen. Mijn broer, de ultieme koersfanaat, een wandelende wielerencyclopedie, die uitgerekend tijdens de Ronde van Vlaanderen stopte met leven. Dopingschandalen.

Zoals dat gaat met echte liefde dooft de vlam nooit helemaal uit, flakkert ze altijd weer op, soms zelfs vuriger dan voordien. Het hoongelach is verstomd. Wielrennen is hipper dan ooit. Mensen die menen dat koersen worden gewonnen door wie het snelste kan fietsen, struikelen over elkaars voeten achter dranghekken en in VIP-tenten. We zien nu pas vrouwen koersen, en met verve, ook al deden ze dat al jaren. De bonkige kerels zijn knappe, hippe jongens geworden, die doorgaans met meer dan twee woorden spreken en zelden vloeken of schelden voor de camera. Drama is er nog genoeg. Wanneer de gedoodverfde winnaar niet als eerste over de meet komt. Wanneer een kapotte fiets, een valpartij of een dwaze supporter de beste benen stilleggen. Wanneer ploegmakkers elkaar de zege niet gunnen. Wanneer een renner die net z'n sleutelbeen brak toch meteen weer naar z'n fiets vraagt. Wanneer een  gretige jonge renner het leven laat op het bebloede asfalt.

Wielrennen is niet langer een manier om aan het harde labeur van de boerenstiel of de fabriek te ontsnappen, maar een carrièrekeuze. Ongelikte ploegleiders zijn vervangen door empathische coaches en gewiekste managers. Het koersen zelf is gebleven wat het was: vreselijk lastig, bij momenten onmenselijk zwaar, en vaak volstrekt onlogisch. En daarom fascinerender dan eender welke andere sport, alle dopingschandalen ten spijt.

Niemand legde het beter uit dan mijn favoriete wielercolumnist Frank Heinen: “Wielrennen is fictie, wielrennen is literatuur, wielrennen is drama. Het gaat om de verhalen, niet om de waarheid.” En ook niet om vlaggen. Zeker niet om vlaggen. Vlaggen hangen hooguit in de weg van een onfortuinlijke renner, die vervolgens van het asfalt moet worden geschraapt.







-->

vrijdag 23 maart 2018

Ze willen niet


Voor wie het gemist heeft: er diende zich de afgelopen week nog maar eens een genderrelletje aan. Geen zoveelste geval van seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar het hete hangijzer van het “all male panel”, een oud zeer en een hardnekkige doorn in het kritische oog van menig feminist(e).
Politika, de studentenorganisatie van de faculteit sociale en politieke wetenschappen aan de KUL, organiseerde een politiek debat over de macht van de overheid. In het panel bleken 6 mannen te zitten, van elke gevraagde partij een exemplaar.
Hoe dat kwam? Van de 24 vrouwen die werden gevraagd was er geen enkele beschikbaar, aldus de organisator.

Velen vonden dat verbijsterend. Ik niet zo heel erg. Ik heb die reactie al zo vaak gehoord dat ik ze kan uitspellen nog voor de vraag gesteld is.
De conclusie moet dus zijn dat vrouwen niet willen debatteren of het niet zo belangrijk vinden om in een panel te zitten. Dat is allicht het makkelijkste antwoord.
Dat vrouwen intussen zo’n halve eeuw politiek bedrijven in dit land, en dus wellicht even graag verkozen worden en een mandaat opnemen, maar niet te paaien zijn voor debatten en panelgesprekken allerhande, het doet vragen oproepen.

Wanneer je mensen zoekt, van eender welke doelgroep, en er niet in slaagt ze te bereiken, dan moet je misschien je methodiek in vraag stellen. Wanneer sociaal werkers een kansen- of aandachtsgroep niet vlot bereiken, dan wordt er ingezet op ‘outreachend werken’, een werkwijze die een actieve benadering vraagt. Met andere woorden: meer moeite doen.
Stel jezelf niet gerust met een simpel “tja, ze willen niet”. Vraag je af waarom niet. Analyseer de obstakels en bezwaren en doe er iets aan waar en wanneer mogelijk.

Van de vrouwen die ik de afgelopen jaren bevroeg wat hen weerhield om deel te nemen aan een debat, vertelde een meerderheid me dat ze zich afvroegen of ze wel gekwalificeerd genoeg waren, of ze wel over voldoende expertise beschikten en iets relevants te vertellen hadden. Die onzekerheid is niet genetisch, maar gedijt in een onderwijs dat meisjes nog steeds wijsmaakt dat ze niet goed zijn in wiskunde, politiek, astronomie, voetbal of andere zogenaamd mannelijke interessevelden. Meisjes krijgen in het secundair onderwijs standaard te horen dat ze maar 3 km moeten lopen, terwijl de jongens 5 km als streefdoel krijgen. “Want meisjes kunnen minder lang lopen.”

Een ander terugkerend bezwaar: de vaak bitsige sfeer in een debat, waarbij sprekers elkaar onderbreken of neerhalen en waarbij sommige sprekers hun proportionele spreektijd ruim overschrijden, zodat wie niet overassertief is nauwelijks aan bod komt. Moderatoren laten meestal begaan, of grijpen slechts in wanneer het de spuigaten uitloopt. Assertiviteit wordt beloond, in die mate dat de grens met aggressie amper nog te onderscheiden valt. Meisjes krijgen dat soort assertiviteit niet standaard aangeleerd. Het wordt hen zelfs subtiel ontraden.

Een derde obstakel: het leven van academici, politici, experten allerhande met een gezin is een moeizame puzzel van tijd en aandacht. Wie kinderen heeft wil die na de drukke dagjob graag zien, voeden en opvoeden. Gezien de ongelijke verdeling van zorg en huishouden in dit land mag het geen wonder heten dat vrouwen met een veeleisende job die strak afbakenen. Anders krijgen ze het gewoon niet rond.

Voor al die obstakels en drempels bestaan er – mits wat goede wil – haalbare oplossingen.

Overtuig de spreker die je wilt van haar kunnen. Benadruk dat je haar wilt, niet omdat ze een vrouw is, maar omdat je haar expertise en stijl apprecieert en waardevol vindt. Ik heb het uitgetest en het helpt echt.

Wat de spreektijd betreft: modereer, maar dan echt. Monitor de spreektijd van alle sprekers en zorg dat iedereen even uitgebreid aan bod komt. Wijs onderbrekers en aggressoren terecht. Dat is perfect mogelijk en het komt de sfeer en de inhoud van het debat ten goede.

Tot slot: waarom zou je als organisator van een debat niet kunnen nadenken over kinderopvang ter plaatse? Zelf werd ik ooit gevraagd voor een panelgesprek op een moeilijk moment, en de organisator stelde me spontaan voor om een oppas voor me te zoeken en die te betalen. Dat haalde me finaal over de streep.

Maar waarom zouden we zoveel moeite doen om meer vrouwen in een panel te krijgen? Wat maakt het uit wie er in dat panel zit. Het gaat om de inhoud toch? De vraag is hardnekkig. Het antwoord dringt moeizaam door.
Media en publieksevenementen weerspiegelen de waarden en normen van een samenleving. Ze kunnen bestaande machtsrelaties en –normen bevestigen of uitdagen. Ze kunnen een effectieve beeldvorming nastreven: een bewust niet-stereotype representatie van bevolkingsgroepen. Ze hebben een tastbare impact op hoe mensen zichzelf zien en welke rol ze denken te kunnen spelen in de wereld.

In een samenleving waarin jonge kinderen nog steeds reflexmatig een mannetje tekenen wanneer ze gevraagd worden een chirug, brandweerman of politieagent te tekenen; waarin meisjes zich amper kunnen voorstellen dat ze astronoom, wiskundige of president kunnen worden en dat soort meisjesdromen ook zelden gestimuleerd worden, valt het belang van beeldvorming en representatie dan ook niet te relativeren. Zien inspireert en doet dromen over wat misschien onmogelijk leek. De meisjes van nu zullen ons dankbaar zijn.



dinsdag 27 februari 2018

Kamperen voor kennisfabriekjes

Ze waren een paar jaar uit het nieuws, maar zijn terug van weggeweest: ouders die kamperen voor de schoolpoort om hun kind in te schrijven.
Ik vond het er altijd al vrij bespottelijk uitzien: de rijen vastberaden vaders en moeders, met hun keurig opgestelde klapstoeltjes en thermossen vol koffie en soep, sommigen nu en dan afgelost door een opa of oma met meer tijd, soms zelfs door een betaalde student, kwestie van de duur betaalde plek in de rij niet te laten schieten voor een vergadering of een doktersafspraak.
Alsof er geen scholen genoeg zijn. Alsof de wiskunde en het Nederlands op school A zo fundamenteel anders worden overgebracht dan op school B.
Scholen hebben reputaties, soms min of meer terecht, vaak uitvergroot tot onwerkelijke proporties. De mythe dat school A meer slaagkans biedt aan de universiteit dan school B maakt van ouders niets ontziende pitbulls.

In gedachten tel ik de scholen waar ik de ontluikende bloem der natie mocht onderwijzen in de taalkunde. Ik tel er negen, over een periode van zo’n slordige tien jaar tijd.
Er waren landelijke colleges vol gedweeë witte tieners; er waren stedelijke athenea in verval, waar 70 % aanwezige leerlingen een ongezien succes heette; er waren onoverzichtelijk grote scholen, en scholen waar je iedereen kende na een dag of vijf; er waren katholieke en gemeenschapsscholen.
Als invaller van dienst had ik niet te kiezen met welk materiaal ik aan de slag ging. Handboeken en methodieken werden mij zonder overleg overhandigd en bleken nauwelijks te verschillen. Grammatica en woordenschat, begrijpend lezen en opstellen, er was nauwelijks onderscheid tussen Beveren en Gent, tussen Wevelgem en Zoutleeuw, tussen het college en het atheneum, tussen wit en divers, tussen landelijk en stedelijk. Werkwoorden werden overal op dezelfde manier vervoegd en ik vermoed dat de stelling van Pythagoras ook in elk klaslokaal dezelfde was.
Wanneer je als leerkracht een verschil kon maken, dan was dat vooral door te luisteren en ernstig te nemen, door jonge mensen als volwaardig te zien, in welke richting en met welke schoolresultaten dan ook. Wanneer het verkeerd liep, dan voelde het als falen en bleef de onmacht naspoken.
Ik zag gedreven en uitgebluste leerkrachten, directies met en zonder visie, helicopterouders en onverschillige ouders. Wat ik nooit zag was oprechte democratie en participatie. Wanneer leerlingen zelf mochten kiezen, ging het hooguit over het thema van een projectweek, of de bestemming van een klasuitstap. Eveneens schaars: differentiatie. Wat je motivatie, niveau of interesse ook was: de leerplannen waren heilig. Pech voor wie zich verveelde of niet meekon. Totaal afwezig: ruimte voor psychosociaal welzijn, creativiteit, burgerschap en de nood aan spel. Negen verschillende scholen, negen kennisfabriekjes. Waarom kamperen voor eenheidsworst?

Jaren later moest ik zelf een kind inschrijven. Dat het geen witte uniformschool zou worden, dat stond vast. In het charmant krakkemikkige buurtschooltje bleek er welgeteld 1 autochtoon Vlaams kindje te zitten. Maar het was een klein, zorgzaam en liefdevol schooltje. Dat volstond ruimchoots voor ons. Lezen, rekenen en schrijven kan je overal leren. Graag gezien worden voor wie je bent en worden wilt, dat had ik niet zo gek veel gezien in mijn onderwijsloopbaan.

Ondanks de zorgen en de liefde bleek mijn kind niet te gedijen op school. Hij paste niet in de mal, zoals dat ene, wat geblutste blokje dat je niet in de vormendoos krijgt. Hij verstopte zich onder een tafeltje. Hij speelde niet met de andere kinderen en sprak weinig of niet. Hij fladderde en stuiterde wanneer de anderen in een kringetje zaten. Observatie bracht weinig inzicht. Hij was tenslotte nog een kleuter.
Of we hem niet zouden laten testen. Ik twijfelde. Een etiket zou van mijn kind geen ander kind maken. Dat de wachtlijst 18 maanden bedroeg hielp ook niet echt. En wat moesten we na anderhalf jaar met een diagnose? ‘s Nachts werd ik zwetend en in paniek wakker, met visioenen van een diep ongelukkig, gepest kind; de herinneringen aan gelijkaardige kinderen “die niet in het systeem pasten” als een knoop rond m’n ingewanden.

Ik zag de gezichten voor me van de leerlingen waar niemand raad mee wist: de uitvallers, de van school gestuurden, de spijbelaars, de zittenblijvers, de “lastpakken”, de onverschilligen, de hyperkineten, de stoorzenders, de gedemotiveerden,
de kinderen voor wie we geen pad konden effenen, alle schoolcontracten, sancties, CLB-afspraken en ritalin ten spijt.
Mijn grootste angst was nooit dat mijn kind niet zou leren lezen of rekenen of dat hij er niets van zou bakken aan de universiteit, maar dat hij zich z’n schooltijd zou herinneren als een eenzame kwelling, dat hij zou opgroeien met het idee dat hij niet ok was, dat hij elk spoor van levenslust zou kwijtraken, net als de tientallen leerlingen die niemand had kunnen redden: gelabeld en geklasseerd.

Wij zijn radicaal in de marge gaan staan, buiten het systeem. Het is er niet makkelijker, maar je geeft er wel zelf vorm aan leren en leven. Dat scheelt geweldig in zelfvertrouwen en levensvreugde. Het rare, nukkige, gesloten kind is een rare, blije, sociale tiener geworden. Dus nemen we de thuisonderwijsinspectie, de examencommissie en het getreiter voor lief, zolang we kunnen. Daarbuiten is er geen plaats voor ons, zelfs niet als we kamperen.

Inclusie is een mooi woord, maar klinkt hol zolang niemand zich afvraagt wat we te bieden hebben aan wie niet in de mal van het systeem past.

Ik begrijp dat ouders schijnbaar krankzinnige dingen doen voor hun kinderen. Wat ik niet begrijp is dat iedereen de mond vol heeft over “kwaliteit” en “niveau”, maar niemand wakker ligt van hoe scholen met kinderen omgaan, hoeveel ruimte ze hen geven in hun anders zijn, hoeveel vrijheid leerlingen krijgen om al lerend gewoon zichzelf te zijn, om zich te ontplooïen tot een waardevol mens, in evenwicht en vertrouwen. Voor een onderwijs dat daarin slaagt, daar wil ik wekenlang voor kamperen bij de meest Siberische temperaturen.













vrijdag 2 februari 2018

Winterslaap

Op 21 december keert de zon zich het langst af van de aarde.
Die zonneschaarste doet ons gulzig naar licht grijpen: geestdriftig flikkerende kerstbomen,  vreugdevuren en lichtkransen, het feest van de heilige Lucia, belichaamd door ontluikende meisjes met kronen vol kaarsen; alsof het volhardende gebrek aan licht ons dwingt onszelf te overtuigen dat het licht altijd terugkeert.

De winter en ik, wij waren nooit een gelukkig paar. Elk jaar verzucht ik dat ik een egel zou willen zijn, om de kille en grauwe tijd van november tot april in een winterslaap door te brengen. Winterslapers bevinden zich in een toestand tussen slaap en waken in. Hun hersenen liggen vaak helemaal stil.
Mensen zijn geen winterslapers. In plaats van in sluimerstand te gaan, breken ze een extra infuus bedrijvigheid aan. Er worden kerstbomen, geschenken en kalkoenen aangeschaft, glühwein geslurpt en recepties gepland. De egel in mij ondergaat het gelaten, dromend van blote benen en de zon op haar neus.

Toch laat ik me gewillig vangen door de oogverblindende optische illusie van het einde van een jaar en het begin van een maagdelijk nieuw exemplaar. Zelfs zomermensen hebben rituelen nodig. We kunnen het niet laten: terugblikken op wat we achterlaten, vooruitkijken naar wat ons te wachten staat en wat we stellig anders en beter zullen doen.
Het heeft iets aandoenlijks, hoe we er elk jaar bereidwillig en met open ogen in lopen, vol valse verwachting en hernieuwde hoop.  Onszelf overtuigend dat we alles wat het afgelopen jaar naliet ons te schenken, dit jaar wel zullen krijgen, in zijdepapier gewikkeld en met een reusachtige gouden strik eromheen. Alsof de tijd ons belonen zal voor ons geduld.

Tijd is onze dierbaarste vriend en onze meest gehate vijand. Hij ontbreekt wanneer we hem nodig hebben en hijgt genadeloos in onze nek wanneer we niet om zijn gezelschap verlegen zitten. Bovenal biedt hij structuur aan onze ongeordende levens. Alsof we langs een zorgvuldig uitgestippeld pad wandelen, waar elke verwarrende omleiding ons weer op de juiste weg brengt.
Terugblikken wordt zo al snel ‘hineininterpretierung’, alsof de logica die ontbrak in de feiten pas zichtbaar wordt wanneer alles achter de rug is. Terwijl ik de sluimerende egel in mij sus, zoek ik naar logica en licht in het leeglopende jaar, een jaar dat op het eerste zicht weinig verschilde van de voorgaande, met evenveel rampspoed en onheil, evenveel waarlijk verbijsterende verdwazing en slechte wil in de hoogste regionen, evenveel gelaten berusting.  En toch.

Zoals we licht nodig hebben, hebben we hoop nodig. Die valt wat lastiger te vinden, verschuilt zich achter veel misleidende lelijkheid. We zouden gebaat zijn met eindejaarslijstjes van hoopgevende feiten en fenomenen. Niet de boeken die we hadden moeten lezen, de film- en theatervoorstellingen die we hadden moeten zien en de muziek die we hadden moeten beluisteren, maar de weinig zichtbare bronnen van beterschap die we over het hoofd hebben gezien.
Uitgerekend in een jaar vol verkiezingskoorts, waarin het giftige taal en valse beloftes zal regenen, laat de hoop zich makkelijk vloeren. Zelf ben ik van plan een reserve aan te leggen, zoals winterslapers nootjes en eikels verstoppen in hun hol. Wanneer de toekomst troosteloos lijkt, zal ik een compacte, maar doeltreffende dosis hoop tot mij nemen.
Wanneer de aangekondigde harde woorden vallen, zal ik bedenken dat conflict een voorbode is van verschuiving, dat weerstand altijd verandering inluidt, dat zure appels een zoete nasmaak achterlaten, en dat het licht echt altijd terugkomt.















Shithole


Ik hoef u niet te vertellen dat het verwarrende tijden zijn. Aan de overkant van de oceaan waakt een kleuter met Tourette en het brein van een pantoffeldier over de toestand van de wereld. Hoe groter de wereld in ons hoofd, hoe minder we ervan snappen. Zelfs de kleuter, met een half leger aan adviseurs en ander voetvolk tot zijn beschikking, lijkt er niets van te snappen. “Waarom al die mensen uit “shitholes” als Haïti en El Salvador in vredesnaam naar hier komen”, vroeg hij zich af. Welja, waarom eigenlijk? Niet dat het antwoord hem interesseert. De kleuter wil niet meer Haïtianen. Hij wil meer Noren. Maar de Noren blijven thuis, de snoodaards.

In eigen land bakkeleit onze regering, of wat daarvan overblijft, over mensen die hun ‘shithole’ verlaten om in een veilig en welvarend land opnieuw te beginnen. Wat grappig lijkt op een ander is dat niet per se ook dicht bij huis.

Onze eigen kleuterklas ziet zich verwikkeld in een aanslepend schandaal over 9 teruggestuurde Soedanezen, die bij thuiskomst zouden zijn gefolterd, een ongelukje dat even voorspelbaar was als de jaarlijkse komst van Sinterklaas. Zowat iedereen, op de vrolijke vrienden van het VB na, struikelde over z’n voeten om te benadrukken dat mensenrechten cruciaal zijn. Het zal best. Alleen wat sneu dat men daar doorgaans in stilte “zolang ze ver van hier worden uitgeoefend” aan toevoegt.

Die arme staatssecrearis voor asiel en migratie onderging het kruisverhoor gelaten, met de berustende blik van de martelaar. Extreem-rechts vindt zijn beleid te soft. Links dan weer te hard. Je kan nooit voor iedereen goed doen.
Terwijl hij dapper “de puinhopen van jaren links beleid” opkuiste stonden ex-partijgenoten en coalitiepartners recht om te beweren dat hij eigenlijk softer is dan al zijn voorgangers. Twitter is de Wetstraat niet, naar het schijnt. Theo zou dus niet de hardvochtige keizer zijn die de poco’s ons voorhouden, maar best een jofele chiroleider.

De argeloze toeschouwer die hoopte wijzer te worden over de kwestie bleef ook na Villa Politica en Terzake blind in het duister tasten. De boude bewering dat deze regering een humaner asielbeleid voert dan de voorgaande viel als een baksteen op de maag van de meerwaardezoeker. Theo had meer mensen uit hun ‘shitholes’ naar binnen gelaten dan Maggie, Melchior en Annemie. Ik vestigde alle hoop op Kathleen Cools. Iemand moest de Gordiaanse knoop ontwarren. Iemand zou ons vertellen dat humanitaire visa en humanitaire regularisering twee verschillende dingen zijn, die je best niet met elkaar vergelijkt (een weetje waarvan je hoopt dat een voormalig minister-president als Dewael het heeft opgeslagen). Iemand zou het grote aantal Syriërs in de cijfers duiden binnen de context van een van de bloedigste oorlogen uit onze hedendaagse geschiedenis. Iemand zou zeggen dat er geluld werd. Helaas.

Intussen deelde de staatssecretaris droogjes mee dat hij niet van plan is de uitwijzing van gezinnen met kinderen uit te stellen tot hun schooltijd erop zit. Zelfs het einde van het schooljaar afwachten zit er niet in. De Soedanezen in gesloten centra komen vrij, nu uitwijzing naar Soedan is opgeschort. Wanneer ze het centrum verlaten betreden ze het niemandsland van de wetteloosheid. Ze willen en mogen hier niet zijn, maar kunnen niet terug. Ze mogen niet werken, maar hebben geen recht op een uitkering. Brussel zal voor hen een uitzichtloos ‘shithole’ zijn.















Ruis

Wie hoopte dat de #metoo-golf rustig zou gaan liggen maakt best de borst nat. Her en der roepen respectabele dames op leeftijd als Cathérine Deneuve en Chris Lomme hun veelal jongere seksegenoten tot de orde. Die laatsten moeten niet zo hysterisch doen. Bovendien lokken ze het overschrijdend gedrag waarover ze klagen zelf uit door “met hun tieten bloot te lopen”.

“Op voorhand zeggen 'mannen zijn vervelend' is geen houding. We moeten niet plots gaan oppassen hoe we ons moeten gedragen.” stelde Chris Lomme. Verder moeten jonge vrouwen zich van Chris wat keuriger kleden. Wie halfnaakt rondloopt lokt overschrijdend gedrag uit.

Laat ik nu denken dat we vooral wél moeten nadenken over hoe we ons gedragen. Als er iets blijkt uit de onstuitbare stroom verhalen, dan wel dat heel wat mannen zich niet gedragen, dat het prettig zou zijn als aan dat vervelende gedrag een einde kwam . Opmerkelijk met welke wendbaarheid mevrouw Lomme simultaan weet te stellen dat we mannen niet moeten zeggen hoe ze zich moeten gedragen, maar vrouwen we voorschrijven wat ze mogen dragen; dat we niet puriteins moeten doen, maar wel moeten opletten dat we ons niet te suggestief kleden. Vertwijfelend.
Was ik een man, ik zou me flink beledigd voelen door zoveel wantrouwen. De suggestie dat mannen zich niet weten te beheersen wanneer ze een tiet of een dij spotten herleidt mannen tot hersenloze roofdieren.

“Er dreigt een soort van mannenhaat te ontstaan”, waarschuwen Deneuve en co in een open brief. Ze vrezen een golf van puritanisme, waar flirten onmogelijk wordt.
Blijkbaar maken sommige mensen zich meer zorgen over het zelfbeeld van mannen die hun handen niet kunnen thuis houden, dan over het lot van de vrouwen die hun gedrag ondergaan. Moeten we trouwens echt doen alsof we het niet het verschil kennen tussen verleidende blikken of woorden en brutaal machtsvertoon?

Ik hoorde trouwens niemand beweren dat alle mannen vervelend zijn, ook niet de vrouwen die getuigden over ongewenst seksueel gedrag. Vanwaar die urgente nood om na elk verhaal “niet alle mannen” te roepen? Wat willen ze eigenlijk, de mannen die zich gedragen? Een lolly? Een sticker? Natuurlijk zijn niet alle mannen hufters. Dat we het daar überhaupt over hebben. Waar we het over moeten hebben is dat bijna alle vrouwen lastiggevallen worden, dat hun levens worden beïnvloed door de mannen die zich wél hufterig gedragen. De rest is ruis.

Die arme mannen durven dus niet meer flirten. Wij, vileine vrouwmensen, dwingen hen hun natuurlijke verlangens te onderdrukken, de stakkers. Het is volstrekt anekdotisch, maar 3 dagen geleden vond ik een aantal weinig aan de verbeelding overlatende berichten in m’n messagebox. Op een statistisch relevanter schaal: negen op tien vrouwen in Brussel wordt geconfronteerd met een vorm van seksuele intimidatie, blijkt uit een studie van de Universiteit Gent.
Het lijkt vooralsnog wel mee te vallen met die panische en verlammende angst van de bedreigde man.

Als Ploetervaders staken



In Duitsland wordt gestaakt. Hier bij ons doet een staking meer of minder geen wenkbrouw fronsen. De Duitsers daarentegen zijn niet zulke enthousiaste stakers. Wat opviel was dat de stakers in kwestie vooral minder willen werken. ‘Te weinig arbeidskrachten’, luidt het bij het management.  ‘De job is onaantrekkelijk door de belabberde werk-privébalans’, zeggen de werknemers.
Zelf vind ik het een hoopgevende primeur dat werknemers in een sector vol mannen zich druk maken over het combineren van hun job met de zorg voor een gezin. Eindelijk mannen die toegeven dat ze tijd willen om bij hun kinderen te zijn.

Vrouwenorganisaties als Femma en Furia pleiten al jaren voor een dertigurenweek. Doorgaans worden dat soort ideeën honend weggezet als volstrekt utopisch en te naïef om ernstig te nemen. Die gekke vrouwtjes toch.

Een tijdje geleden ontmoette ik de Zweedse schepen Daniel Bernmar, adjunct-burgemeester van Göteborg en motor achter een paar lokale experimenten met de zesurige werkdag in een woonzorgcentrum en een kinderdagverblijf. Trots illustreerde hij de resultaten. Blije en gemotiveerde werknemers, minder ziekteverzuim, betere dienstverlening. De enige keerzijde was de factuur. Hij deed daar niet flauw over: het kost wat, dat minder werken. Al moet ook dat gerelativeerd. Jobs kosten geld, maar werkloosheids- en ziekteuitkeringen en kinderopvang ook. Hoe bereken je de winst van kwalitatievere dienstverlening? Wat is de tastbare opbrengst van een bejaarde die niet om 19u naar bed moet en elke dag even kan wandelen omdat er mensen zijn die tijd hebben? Wat hebben we als samenleving aan een baby die geknuffeld en getroost wordt, in plaats van eenzaam in een spijlenbed z’n longen uit z’n lijf te huilen.

Tijdens het gesprek vertelde ik hem dat mannen in België tien dagen geboorteverlof krijgen. Daniel staarde ons verbijsterd aan. “Waanzinnig!” brieste hij, zodra hij van de eerste schok was bekomen. “Ik was 9 maanden thuis bij elke baby. Hoe bouw je anders een band op met je kind?” Hij zei niet dat hij ons maar een stelletje idioten vond, met die ridicule en mensonwaardige 10 dagen voor papa en 3 maanden voor mama, maar hij leek het wel te denken. Ik overwoog even om hem ten huwelijk te vragen, maar zijn gekke hipstersnorretje bracht me bijtijds bij zinnen. Dat je schepen kan zijn van een grote stad en probleemloos 9 maanden weg zijn van de werkvloer, dat sprookje kreeg ik niet meer uit m’n hoofd.

Intussen blijven wij gewoon verder ploeteren, altijd net te laat aan de schoolpoort, altijd gehaast, te druk bezig om te horen wat de jongste kwijt wil over de voetbalmatch of waarom de oudste een sanctie kreeg op school. Blij toe dat ik Daniel niet probeerde te strikken. De arme man zou wegkwijnen van ontbering en verwaarlozing, schromelijk over het hoofd gezien door zijn geliefde die opgeëist word door werk, pendelen en de zorg voor twee opgroeiende kinderen.  Nee, Daniel zit daar prima in Göteborg, de bofkont.









Knikkende knieën



 Door genetische en andere omstandigheden kamp ik met een sputterende ruggengraat. Het ding wil niet mee in mijn dadendrang. Ik vind mezelf veel te jong voor kreupel gesukkel en spendeer dus een klein fortuin aan onderzoeken en behandelingen allerhande. Een deel daarvan betaalt de samenleving: u dus. Waarvoor welgemeende dank. Van liggen en kruipen wordt een mens chagrijnig, dus u hebt daar zelf goddank ook iets aan als u me tegenkomt. De obligate nieuwjaarswens “en een goede gezondheid” kreeg extra betekenis in de context van die weerspannige rug.

“De enig bekende relatie tussen gezondheid en zorgkosten, is dat hoe welvarender we worden, hoe langer we leven, hoe duurder we worden.” stelde epidemioloog Luc Bonneux het afgelopen week-end in deze krant.
Daar sta je dan met je heilige Welvaart. Blijkt al dat welvaren gewoon de staatskas te plunderen. Wie had dat gedacht?
“Roken bespaart bijvoorbeeld veel zorgkosten. Begraven is goedkoper dan verzorgen.” wist Bonneux nog te vertellen. Daar had vast nog niemand aan gedacht. Hoe sneller we doodvallen, hoe minder we de samenleving kosten. Het is een gedachte die we liever niet luidop uitspreken. Voor je het weet breng je iemand op nare ideeën.

Aan nare ideeën immers geen gebrek. Zo kwam N-VA-kamerlid Yoleen Van Camp met een voorstel om het aantal knieprothesen terug te schroeven. Mevrouw Van Camp vindt het onnodig dat mensen van hoge leeftijd, met weinig zelfredzaamheid of met dementie nog knieprothesen krijgen. Weet u eigenlijk wel wat dat kost, al die valse knieën? Ik wist het niet. 200 miljoen per jaar, zo blijkt. Zelfs in het licht der grotere dingen, zoals het gat in de begroting van zo’n slordige 4 miljard, is dat niet niks.

Zouden er mensen zijn die hun eigen bestaan en dat van hun geliefden berekenen en begroten? “Die nieuwe heup, is dat nog wel de moeite, liefje? ” “Een nieuwe bril met sterkere glazen, om de krant te lezen en het kruiswoordraadsel in te vullen? Beetje decadent he, papa?”

Doodgaan doen we sowieso. Hoe we afscheid nemen is mischien enige reflectie waard. Levenskwaliteit, wat mag dat kosten? En wie bepaalt wat kwaliteit mag heten? Hulpeloos liggen wachten tot iemand zich 5 minuten met je bezighoudt kom wellicht niet in aanmerking voor het label ‘kwalitatief’.
Hoe ouder we worden, hoe lastiger men ons vindt. Aan het eind van ons leven zijn wij enkel nog een kostenpost, een optelling van pensioenen, prothesen, ingrepen en zorgfacturen. De luiers, boterhammen en hulpstukken worden minutieus geteld. Het aantal minuten aandacht waarop we recht hebben evenzeer. De loonkost, weet u wel.
De eindbalans van een leven, hoe harmonieus ook geleefd, raakt zelden in evenwicht als we het rekenen aan boekhouders overlaten.



woensdag 21 juni 2017

Bikiniproof


Door omstandigheden die er verder niet toe doen, bevond ik me gisteravond temidden van een hoogoplopende discussie over boerka’s en vrouwenrechten. Zoals dat gaat met dat soort dicussies, week geen van beide partijen een millimeter van het eigen gebetonneerde standpunt. Dat het te warm was voor heftige debatten, wilde ik opperen, maar ik zweeg en liet mezelf zuchtend nog een glas wijn inschenken.

Ik liet mijn gedachten afdwalen naar de reis die de zonen en ik in het verschiet hebben. In mijn verhitte hoofd stelde ik lijstjes op van wat er in te pakken valt, en wat er nog dient aangeschaft. Dat bleek heel wat te zijn, vermits ik zelden of nooit op reis ga, en dus bedroevend slecht uitgerust ben voor de onderneming. Zo stelde ik vast dat ik niet in het bezit was van een bikini, nochtans een onmisbaar item voor de moderne zomervrouw, als ik de talloze “Hoe word je in no time bikiniproof”-berichten in mijn mailbox en op facebook mag geloven. Ik had geen idee of ik al dan niet bikiniproof was, maar voegde het item vastberaden toe aan mijn virtuele aankooplijst.

Ik herinner me een beeldig, maar hoogst onpraktisch gehaakt rood setje, waarvan het bovenstuk steevast naar boven en het broekje loodrecht naar beneden gleed wanneer je uit het water kwam. Ik moet een jaar of twaalf geweest zijn. Iets in mijn ontluikende inzicht besefte toen al dat bikini’s onheil meebrengen. En dat je beter niet met gehaakt tricot in het water springt.

Desalniettemin en alle bedenkelijke ervaringen ten spijt trok ik naar de dichtstbijzijnde winkel die eruitzag alsof een vrouw met een reisplan zich er een bikini kon aanschaffen. Twijfelend liep ik de rijen felgekleurde broekjes en topjes af. Was het werkelijk de bedoeling dat zo’n broekje hooguit 2 halve schaamlippen en 2 halve billen kon ontvangen? Waar bleef je dan met de rest? Waarom gingen bikini-ontwerpers er eensgezind van uit dat alle vrouwen vurig naar een paar extra cupmaten verlangen? Wat deden die onnozele gouden franjes tussen die twee zwarte driehoekjes? Deze en andere existentiële vragen vroegen spontaan om mijn aandacht en om heldere antwoorden.

In het pashok, nauwelijks groter dan mijn koelkast, wurmde ik mezelf in de ene bikini na de andere. Bij het vijfde setje vroeg ik me vertwijfeld af of de maat wel klopte, gezien de hoeveelheid huid en weefsel die in geen van de geselecteerde broekjes bleek te passen. “Dat is gewoon zo. Dat is mode.”, orakelde de kekke verkoopster op licht spottende toon, een dienstmededeling die mij bovenmatig irriteerde.
Ik duwde de veelkleurige bundel bikini’s verontschuldigend in de keurig gemanicuurde handen van de verkoopster en verliet het pand zonder aankoop. Een boerka leek me plots een verstandiger en comfortabeler investering.