biekesblog


dinsdag 13 september 2016

Tienerverdriet

-->

Van zodra je zwanger bent word je – meestal ongevraagd – bestookt met babytips. Hoe je ze doet drinken/zuigen/eten/slapen/plassen.  Hoe je ze verschoont. Hoe je ze best aan- en uitkleedt. Hoe je ze troost.
Baby’s zijn kinderspel. Meer dan een borst of twee en een paar warme armen heeft zo’n wurm doorgaans niet nodig. De enige waardevolle tip die ik besloot te volgen was ‘kijk naar je baby’. ‘En negeer al de rest’, dacht ik er zelf tevreden bij.

Wanneer de baby een tiener wordt blijft het verdacht stil. Die stilte kan twee dingen betekenen. De eerste, maar weinig geloofwaardige optie is dat iedereen intuïtief weet hoe je omgaat met tieners; dat tieners opvoeden dus als het ware vanzelf gaat. Voor die these is helaas geen enkel sluitend bewijs voorhanden. Bewijs van het tegendeel is er in overvloed.
De tweede optie is dat niemand het weet. Ik gok zelfzeker op optie twee.

Wanneer ik mijn prille tiener ophaal van school kijkt hij mij met bits vertrokken mondhoeken en rollende ogen aan omdat ik vraag waar zijn rugzak is. De belachelijkste vraag ooit, zo blijkt, tot overmaat van tienerergernis gesteld door de vervelendste moeder ooit. Ik kijk naar de grimmig strakke mond en de priemende ogen en zie in gedachten hoe de baby, ver weg en schijnbaar onvindbaar verstopt in het opschietende tienerlijf, breed naar mij lacht wanneer ik het kinderdagverblijf binnenwandel. Wiebelend en met uitgestoken armpjes kruipt de baby pijlsnel en doelbewust mijn richting uit, tot ik hem optil en hij zijn armpjes rond mijn nek klemt, alsof hij mij nooit meer wil loslaten.
Ik wuif de snoezige baby op mijn netvlies weg en focus op de tiener. Die is al weg, meters voor me uit, om de drie stappen een tak of een steen wegschoppend.

Wanneer we – zonder rugzak – huiswaarts keren herhaal ik in stilte dat het erbij hoort. Dat hij het niet helpen kan. Dat het hormonen zijn. Dat het normaal is. Die berustende stilte hou ik vol tot de tiener bij thuiskomst de deur snoeihard dichtslaat voor de neus van zijn zevenjarige broer, die het prompt op een dramatisch brullen zet. Ik stel de waarom-vraag. Een nanoseconde later weet ik al dat er geen antwoord volgen zal. Er is namelijk geen enkele zinnige reden te bedenken om zomaar de deur voor iemands neus dicht te gooien wanneer je een huis binnenstapt. Dat weet de tiener zelf ook. De vraag is absurd en wordt dus beter niet gesteld.

Ik doe wat ik daarnet nog besloot niet te zullen doen. Ik brul. Dat hij zich onaangenaam gedraagt en dat samenleven met hem niet meteen een feest is momenteel. Hij dendert de trap op naar boven, gooit daar een deur dicht en hult zich het eerstvolgende half uur in stilzwijgen. Ik begin binnensmonds sakkerend uien en knoflook fijn te hakken. Koken helpt. Driftig hakken in het bijzonder.

Wanneer de uien mijn ogen doen tranen leg ik het mes neer en ga ik aarzelend naar boven. De tiener ligt op bed. Met een doos Lego. Ik onderdruk een grijns en vraag of hij honger heeft. ‘Misschien’, zegt hij, zonder op te kijken van het ruimteschip dat hij in elkaar zet. ‘We eten pasta met kerstomaatjes, rucola en pijnboompitjes.’ roep ik vanop de trap naar beneden. Even later dekt de tiener de tafel. ‘Diepe of platte borden, mama?’
De armen rond mijn nek teken ik er in gedachten bij.












zondag 17 juli 2016

Fantoompijn



Ik raas als een tornado door het huis, mijn armen vol slaapzakken, gummi laarzen en andere onmisbare kampparafernalia. Het grootste deel van wat ik inpak zal wellicht onaangeroerd huiswaarts keren.

De zonen zijn hemeltergend contraproductief. Wat ik inpak wordt weer uit de rugzak gehaald, gescreend, meestal afgekeurd en vervangen door iets anders, wat ik dan weer ongeschikt vind voor 5 dagen op het woeste platteland. Gloednieuwe, spierwitte sneakers bijvoorbeeld. Of een flanellen piama in juli. En waarom mag er geen snoep mee? En waarom krijgt F een leukere slaapzak dan ik?

Ik foeter en sakker en sjees heen en weer, alsof we gehaast zijn. We zijn niet gehaast. Maar als ik ga neerzitten moet ik noodgedwongen stilstaan bij het feit dat ze er straks 5 dagen niet zijn.
De rust en de stilte waar ik nu dagelijks om smeek valt vanavond als dikke mist over het huis en zijn eenzaam achtergebleven bewoner.

Geen gekibbel over wie al hoe lang aan de computer zit. Geen gekrijs over verdwenen Lego-ninja’s. Geen lange gezichten en eindeloos gepriegel aan tafel. Geen hoopjes rommel en vuile was alom. Geen ostentatief landerig gehang.
De krant ononderbroken kunnen uitlezen. ‘s Avonds ongepland het huis kunnen verlaten, terwijl de stad feest.  Die vurig gewenste vrijheid zal dubbelzinnig blijken.

Kinderen zijn er altijd, ook als ze weg zijn. Wanneer ze niet gillend, gierend of ravottend om je heen dartelen, dan spelen ze op in je hoofd en je hart, waar ze onrust en een zeurend ontbreken achterlieten. Fantoompijn.






zaterdag 23 april 2016

Wormen

-->
Er staat geen rem op de grove taal en het schofferen. Ferme praat maakt deel uit van het traditionele steekspel der politiek. Maar dit spervuur van giftige woordenmunitie, daar was ik niet op voorzien. Het ontbreekt mij aan camouflage, loopgraven en afweergeschut.  
 
Dat het uit moet zijn met dat gepamper. Dat iedereen, ja echt iedereen, alle kansen krijgt. Dat we de dingen bij naam en toenaam moeten durven benoemen. Dat het tijd is om de politieke correctheid over de haag te gooien. Dat we boven onze stand leven. Dat “zij” feesten omdat “wij” aangevallen worden. Dat racisme niet het probleem is en een randverschijnsel. Dat wie een partijkaart heeft ongeloofwaardig is en dus beter zwijgt.

Ik laat me de adem benemen door de ene frontale aanval nog voor ik ben bekomen van de vorige. Soms blijf ik een paar tellen met open mond achter, alsof ik vergeten ben hoe ik mijn kaakspieren moet bedienen, omdat al mijn aandacht tijdelijk focust op het verwerken van alweer een verbijsterende quote. Ik voorspel dramatische en bljvende rimpelvorming als dit tempo aanhoudt.
Wat erger is dan de stramme kaken en het zuurstofgebrek is de genadeloze doeltreffendheid van de strategie. Rakketakketakketak. Dat blijft maar komen. Als een machinegeweer van de meest gesofisticeerde makelij. Geen verdedigen aan.

Ik zou er van weglopen als ik niet zo hardnekkig in iets anders geloofde. Ik loop niet weg. Ik vloek; ik bijt mijn tanden stuk; ik huil zo nu en dan omdat er niets anders aan te doen valt. Wanneer ik niet vloek, knarsetand of huil doe ik gewoon verder. Niet onverstoorbaar, al zou dat prettig zijn, maar wijfelend en wankelend en oververmoeid.

Ik wil niet kwaad zijn. Dat vreet energie als een overjaarse smartphone. Toch laat ik mij vangen en schrik ik van mijn eigen binnensmondse gesakker. Broodnodige energie die onbenut wegvloeit. De kraan is stuk en de loodgieter is met verlof.

Zie mij nu bezig. Met mijn onnozel geloof in liefde en begrip en dialoog en welwillend samenleven. Alles wat ik doe en waar ik voor werk wordt ondergraven, niet met de trage schop van de vrijetijdstuinier, maar met de graafmachine van de aannemer voor wie tijd vooral geld is.
Een paar grote halen en weg is de aarde, met alles wat daarin lag te kiemen. Zelfs de wormen zijn dood.

“Wij zijn geen wormen.”, mompel ik tegen mezelf. Ik wil geen worm zijn die zich kronkelend laat doodmeppen of in tweeën hakken. In mijn moedigste gedachten ben ik een goedhartige, maar onverschrokken draak.  Maar mijn gedachten zijn niet altijd moedig. Moed heeft voedsel nodig en de oogst is mislukt.

We hebben boeren en tuinders nodig. Die de moed en de vaardigheid vinden om opnieuw te spitten, al doet hun rug zeer en staan er blaren op hun handen. Die weten hoe je onkruid bij de wortel uittrekt. Die weten dat wormen nuttig en nodig zijn en alleen gedijen waar de bodem voedzaam is. Die elke keer opnieuw beginnen, ook als de grond te zuur, te droog of te drassig is, omdat er altijd wel iets eetbaars in groeit. Ook voor de wormen.

woensdag 13 april 2016

Liefje

Het kind heeft een liefje. 

Toen hij onmiddellijk en met buitensporige urgentie een skype-account moest aanmaken op de bejaarde iPad, ging er een schemerlichtje branden in mijn moederhoofd. Sindsdien wordt er gechat, met bijhorend gebliep, tot ik er zenuwziek van word en hem vriendelijk, maar kordaat verzoek de rest van de levensnoodzakelijke communicatie te bewaren voor op school, waar ze desgewenst de hele dag tegen elkaar kunnen kletsen.

Ik vraag niets en onthou me wijselijk van commentaar, om te vermijden dat ik de verkeerde dingen zeg. Dat hij te jong en te argeloos is voor de riskante en nietsontziende expeditie der liefde bijvoorbeeld. Dat de terminologie die hij hanteert onder vrienden om het spel der kinderliefde onder woorden te brengen mijn wenkbrauwen doet fronsen. Dat hij zich niet hoeft te haasten om de plot te ontrafelen van iets waar zijn moeder zelf nog steeds geen touw aan vast weet te knopen.

Ze willen naar de film. Ik doe alsof ik het niet gehoord heb. De mededeling wordt met klemtoon herhaald. “Oh, leuk, naar de film. Ja, laten we dat nog eens doen.” blijkt niet het verhoopte antwoord. Ik blijk geen deel uit te maken van de “we” die hij bedoelt. Voor het eerst is zijn “wij” een andere “wij” dan de mijne.

Ik had het vorige stadium in het opvoedkundig traject nog lang niet onder de knie. Nu zijn we ongemerkt en onvoorbereid in een nieuwe fase beland, eentje waar ik nog minder van begrijp dan van alle vorige fases bij elkaar. Ik hol blind achter voldongen feiten aan.
Deze onwelgekomen fase brengt nieuwe, voorlopig hypothetische, maar wellicht onvermijdelijke zorgen mee. Over hartzeer en andere soorten verdriet. Over verkeerd of ongewenst ouderlijk advies versus geen advies. 

Heimwee lijkt misplaatst wanneer je kinderen helpt opgroeien. Toch verlang ik even met weemoed terug naar wat vandaag ver weg lijkt. Naar opgerispte melk en veel te natte kussen. Naar dolle pret om niets en dramatische tranen om nog veel minder. Naar mijn rol in het geheel der dingen: de zon waar al de rest in een onverstoorbaar continuum omheen draaide. Die rol moet ik afleggen, een realiteit die plots, met dank aan het liefje, niet langer te ontkennen valt.

donderdag 24 maart 2016

Laat het niet wennen

-->
Een nieuwe dag aanvatten, met het besef dat er een tastbare reden is voor de ontreddering die je ochtendritueel vertraagt.
Besluiten dat je niet bang bent en gewoon de weg gaan die je elke dag bewandelt.; de trein op, richting Brussel, een plek waar je ondubbelzinnig van houdt, waar de wonden nog gapen en de troost tekort schiet, om daar te doen wat je elke dag probeert te doen: samen met anderen de rechten bepleiten van mensen op de vlucht.

Het perron is haast verlaten, net als de trein, waar je vandaag niet hoeft te vechten voor een zitplaats. Je weerstaat de ongewenste reflex om de andere passagiers met je ogen te screenen. Je leest kranten, die je niets vertellen omdat alles al lang gezegd was, lang voor het onheil had toegeslagen.

Je raakt voor het eerst van slag bij de aanblik  van zwaar bewapende militairen in het Noordstation. Ze zijn alom en lijken alles te zien. Hun aanwezigheid moet geruststellen, maar doet dat allerminst. Ze belichamen gevaar omdat gevaar hun voornaamste bestaansreden is.
De uitgang die je altijd neemt is afgesloten, dus wandel je een kilometer verder, om het stationsgebouw heen. Je haalt opgelucht adem omdat het permanente en alarmerende geloei van sirenes is verdwenen.
Twee dagen voordien liep je hier samen met 25.000 andere mensen, breed glimlachend, vol hoop en overtuiging dat de bruggen waar we aan bouwden stevig genoeg waren om ons allemaal naar de overkant te brengen. Je weet niet meer waar je die hoop en overtuiging hebt gelaten.
Je koopt een croissant bij je Marokkaanse bakker en wenst de vrouw die je bedient een fijne dag, wat ongepast klinkt zodra je het hebt uitgesproken.

Je opent berichten van onbekenden die je in blokletters toeschreeuwen dat het bloed, de angst, het dodentol de schuld is van 'jouw soort', 'jullie, achterlijke moslimknuffelaars'. Je klikt op delete, zonder verpinken.
Je sleutelt aan een obligaat jaarverslag en aan een tekst met pijnpunten en aanbevelingen inzake huisvesting voor vluchtelingen. Niet dat daar momenteel ook maar iemand interesse voor heeft.
's Middags staan we samen een minuut in stilte voor het kantoorgebouw. Niemand maakt een foto, niemand voelt de behoefte om de wereld te tonen dat we meeleven.

Je weet dat je lang zal moeten aanschuiven bij de ingang van het station, dat je gefouilleerd zal worden. Toch is het daar en dan dat je je koelbloedigheid vergeet en aan het wankelen gaat, dat de tranen hun weg zoeken naar buiten.
Hoe wij daar allemaal staan, gelaten, zonder drommen, en ons zonder bezwaar laten bevoelen, onze tassen laten doorzoeken. Hoe iedereen zwijgt en ondergaat. Alsof we nooit iets anders kenden.

 Alles went, zo luidt het gezegde. Je wenst dat het niet waar is. Je weet dat het niet waar is wanneer je bedenkt dat miljoenen mensen op de vlucht zijn voor terreur, omdat het maar niet wende.
Laat dit nooit wennen, dit verlammende onbehagen, dit gelaten ondergaan van wat onontkoombaar lijkt, deze verslagenheid.
Laat de bruggen steviger blijken dan we vrezen, zodat we allemaal veilig kunnen oversteken.


donderdag 11 februari 2016

Brief aan Sint-Valentijn

-->
Beste Sint-Valentijn,

Ik schreef u vorig jaar een brief ter gelegenheid van uw verjaardag, weet u nog? U hebt hem vast met enige ergernis gewist. Ik breng hem graag even terug onder uw aandacht, voor het geval dat u me al te voortvarend uit uw geheugen hebt gebannen: http://biekepurnelle.blogspot.be/2015/02/brief-aan-sint-valentijn.html

Weet u, ik wil niet zeuren. Evenmin wil ik opnieuw uw feest bederven. Maar u laat me weinig keuze.
Ik word deze dagen namelijk getergd en gestalkt door uw apostelen, nijvere strevers die uw verjaardag aangrijpen om mij aan te zetten tot 1. irrationeel en onfunctioneel koopgedrag, het soort koopgedrag dat de planeet om zeep helpt 2. de aanschaf van een lief 3. treurnis en weemoed omwille van het ontbreken van een lief. Ik vertik ze alledrie.

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat u nog steeds aan enige misconceptie lijdt wat het begrip ‘liefde’ betreft. Voor iemand die zich genoegzaam voordoet als deskundig en ervaren in het thema houdt u er een – vergeef mij – waarlijk achterhaalde, weinig wervende en vooral onconstructieve kijk op de liefde op na.
Ik ging vorig jaar al dieper in op een paar van uw meest in het oog springende misvattingen. U hebt er duidelijk voor gekozen mijn aanbevelingen in de wind te slaan, gezien de hoeveelheid roze pluche en zoete meuk waar ik in elke winkel over struikel.
Laat ik het dit jaar eens over een andere boeg gooien.

Leest u wel eens een krant? Kijkt u wel eens naar het journaal? Hebt u überhaupt enig benul van de toestand van de wereld waarin wij dat feest van u dienen te vieren?
Ik heb de indruk van niet en zie me dan ook genoodzaakt u op een aantal belangwekkende feiten te wijzen.

U lijkt te denken dat liefde iets is dat zich afspeelt tussen een man en een vrouw, of twee mannen of twee vrouwen, of in ieder geval twee individuen, die vervolgens, in de vlaag van zinsverbijstering die verliefdheid heet, besluiten samen een setje te vormen; een setje dat als een vastgesmeed baken de storm van het leven moet doorstaan. Als dat mislukt (even vaak niet als wel, zo blijkt), dan proberen ze het gewoon opnieuw, maar met een ander, mogelijk geschikter individu. Kent u het spreekwoord van de ezel en de steen? Google het eens, dan weet u wat ik bedoel. Afijn, mijn punt is dat al dat gekoketteer met de romantiek weinig vruchtbare zoden aan de overstromende dijk brengt, de voortplanting even buiten beschouwing gelaten.

Mocht u zich nu eens richten op een ander soort liefde, eentje die de wereld redden kan? Dan deed u eindelijk eens wat nuttigs, behalve het spijzen van de middenstand.
Ik heb intussen begrepen dat u eerder traag van begrip en niet altijd welwillend bent, dus ik verklaar me nader:

De wereld staat in brand. U hebt er wellicht niets van gemerkt, daar op uw roze wolk, maar geloof me: het gaat niet goed. En dan heb ik het niet over het hernemen van Temptation Island, een deerniswekkende brok entertainment, die als voornaamste inzet heeft uw feest der liefde te vergallen.

Ik heb het over de mensen. Niet deze of gene, maar alle mensen. Ze zijn bang, ziet u. Waarvan in vredesnaam, hoor ik u denken. Wel, sommige mensen hebben weliswaar heel wat om bang voor te zijn. Anderen dan weer minder, maar ze zijn evengoed bang. Angst is ‘hot and trending'.

Angst voor bommen, om maar iets te zeggen. U kent ze vast niet, vermits nog niemand op het idee kwam er een hartvormige roze versie van te bedenken. Maar geloof me, ze zijn vilein. En dodelijk, dat ook. Verder in het gamma ‘legitieme redenen voor angst’:
Aanzwellende legioenen gehersenspoelde psychopaten met vlijmscherpe kromzwaarden.
Machinegeweren.
Gevangenissen.
Foltertuigen.
Ik kan zo nog wel even verdergaan, maar u ziet het plaatje.

Het spreekt voor zich dat wie zich redden kan van dat soort dreiging, andere en veiliger oorden opzoekt. Onze oorden bijvoorbeeld, aangezien wij doorgaans gespaard blijven van alle voornoemde onheil. Hoe zou u zelf zijn?

Het gekke is: de mensen in veiligheid zijn bang van de mensen die veiligheid zoeken.
“Duh!?” Denkt u nu terecht. Maar helaas, het is zo.

Uiteraard is het allemaal een stuk complexer, maar ik vermoed dat u intussen moe bent geworden van mijn betoog en zo onderhand tot de pointe wilt komen, zonder eerst nog een essay over geopolitiek, religie, kapitalisme en machtswellust te doorploeteren.
“Wat heeft dat allemaal met de liefde te maken?”, hoor ik u al lang geïrriteerd vragen.
Alles, zeg ik u.

Ik weet niet of u het weet, maar het is angst die liefde doodmept. Niet haat, zoals ons tot in den treure is verteld. Wie bang is, die heeft geen plaats voor liefde.
Alleen liefde kan weerzin en afkeer overwinnen. Liefde is niet blind, zoals de kortzichtige volksmond wel eens beweert, maar helpt ons net scherper zien. Zien dat de ander een mens is, met een verhaal, hoop en dromen, net als wijzelf.
Omarmen wat anders en onbekend, maar tegelijk verrassend vertrouwd is, met compassie en mededogen, dat is liefde.
Alle fatsoenlijke samenlevingen moeten zich tegen verdeeldheid en hiërarchische verhoudingen wapenen door passende gevoelens van mededogen en liefde te cultiveren.”
Dat heb ik niet bedacht, maar de pientere filosofe Martha Nussbaum. Misschien moet u bij gelegenheid, als u even de tijd vindt tussen het neuriën van My Funny Valentine en het verorberen van roze bavarois door, eens een boek van haar lezen.

U beseft het niet, maar u heerst over het machtigste wapen dat ooit werd uitgevonden. En wat doet u ermee? Schabouwelijke versies van muzikale klassiekers, roze knuffelkonijnen, spuuglelijke postkaartjes, verlepte rode rozen, stuiververzen en flutcava aan de man/vrouw brengen.

Uitgerekend in tijden waarin iedereen de tering naar de nering moet zetten, zijn steentje moet bijdragen, zijn verantwoordelijkheid moet nemen, presteert u het om uw indrukwekkendste gave te verkwanselen aan waardeloze prullen en smakeloze troep. Schaam u diep.

Wordt het niet eens tijd om volwassen te worden en u nuttig te maken?

Steeds kritisch, maar immer welwillend de uwe.







donderdag 24 december 2015

Lijstjestijd

-->
Hoeveel beter we zijn in terugkijken dan in vooruitblikken, het blijkt jaarlijks, wanneer de kerstkalkoen wordt geslacht, radiozenders hun klefste muziekarchief openen en de weeïge geur van glühwein ons de adem beneemt.

Eindejaarslijstjes vol boeken, voorstellingen en muziek om ons te wijzen op al het moois en interessants dat we gemist hebben, terwijl we gemakzuchtig en vruchteloos op de bank naar de Slimste Mens keken, op Facebook rondhingen of de was vouwden.
Naast al het onmisbare moois dat we helaas hebben gemist, zijn er de affreuze en deprimerende jaaroverzichten. Retrospectie die hoogst zelden gewag maakt van ontroerende schoonheid. Alsof zo’n jaaroverzicht als voornaamste doel heeft een collectieve zucht van opluchting te laten ontsnappen. Opluchting dat het voorbij is, dat we het hebben overleefd, ondanks de dreiging, de terreur en de rampspoed, wij overlevers en uitverkorenen.

Wie heeft er eigenlijk iets aan dat gegrasduin in wat voorbij is? Wie heeft er zin om tegelijkertijd met de neus op uitgeklede en bedroevende nieuwsfeiten te worden gedrukt en in eenzelfde vloeiende beweging te worden gewezen op wat hij miste, naliet of vergat?

Hoeveel zinnigs valt er eigenlijk te zeggen over wat voorbij is, wanneer de geschiedenis leert dat wij niets van haar wensen te leren?
Dat wij collectief en individueel dezelfde onverklaarbare stommiteiten blijven herhalen. Dat we nee denken terwijl we ja knikken. Dat we in slecht gecamoufleerde valkuilen blijven trappen, alsof we de vorige kwetsuren vergeten zijn, ook al jeuken de littekens en blijven de schrammen aan onze kleren haperen.

Waarom kijken we niet wijselijk vooruit, ver genoeg om daar iets te ontwaren dat substantieel anders en beter is?
Vooruitkijken vraagt moed, meer dan we te geef hebben, meer dan onze zuinige hoop verstandig acht. Geloven dat de wereld er volgend jaar al veel beter uitziet, het vereist meer welwillendheid dan eender welke religieuze overtuiging.

Moed is lastig en uitputtend. Moed vreet energie als een peuter, als een smartphone van drie jaar oud. Moed is gerantsoeneerd als roomboter in 1944. Moed lijkt verdacht veel op dwaasheid.

Dus blijven we halsstarrig in het hier en nu, surplacend, watertrappelend, neus en ogen krap boven de waterlijn, waar zuurstof is en we net de horizon zien aftekenen.

Ik wens ons allen veel moed.













vrijdag 27 november 2015

Radicaliseren


Rond mijn ontbijttafel zitten 4 onbekende en licht beschroomde jonge mannen. Ik ben hun namen intussen al twee keer vergeten en durf hen niet nog eens vragen hoe ze ook alweer heten.
Ik bel rond, op zoek naar iemand die weet wat te doen, waar en wanneer ze zich ergens kunnen aanmelden om een stap vooruit te zetten, om in ieder geval niet op straat te moeten slapen.
We checken het zalmroze vodje papier dat ze meekregen. Het vertelt enkel dat ze uit Afghanistan komen en dat ze zich op 11 december moeten aanmelden. 11 december, dat is binnen twee weken. Een eeuwigheid wanneer je niets weet, niets hebt en nergens terecht kan.

De Dienst Vreemdelingenzaken weigerde deze week voor het eerst om asielzoekers te registreren. Zelfs vluchtelingen die zich de voorbije weken al aanmeldden en kwamen opdagen met een terugroepbrief in de hand, bleken niet meer zeker van een bed. Vluchtelingen met een ‘zwak profiel’, zoals moeders met kinderen of ouderen, krijgen nu absolute voorrang. De rest heeft pech en moet hopen op een van de schaarse overgebleven plaatsen. Dagen op rij stonden een hondertal mannen in de rij met hun roze papiertje te zwaaien, in de regen en de kou. Meer dan honderd mensen sliepen op straat.
Burgers die het niet meer konden aanzien reden naar de WTC-torens om mensen op te pikken en hen een bed aan te bieden.
Ook ik had er schoon genoeg van, van de onzin. Als de overheid niet doet wat ze hoort te doen, dan doen we het zelf wel. Ik heb steeds minder geduld voor gepalaver wanneer de nood roept.
Zo kwam het dat hier gisteravond 4 jonge mannen in de woonkamer stonden. De zonen vonden het spannend en stelden zich wat aan. De kat kwam iedereen kopjes geven. Ik zette grote potten dampende harira op tafel. Er werd zwijgend gegeten tot de pot leeg was.

Wat later op de avond zaten we samen voetbal te kijken, een van de jongemannen en ik. Ik kijk zelden of nooit voetbal, maar hij bleek een liefhebber en een kenner. We zagen Anderlecht scoren in een leeg stadion. Ik probeerde uit te leggen waarom de tribunes leeg waren. Mijn uitleg was belabberd, vermoedelijk omdat ik het zelf zo belachelijk vond. Hij keek me onbegrijpend aan. Ik begon opnieuw. Aanslagen in Parijs, de link met Brussel, de angst voor terreur … “Bij ons zijn er elke dag aanslagen. Er gaan elke dag mensen dood.” was zijn laconieke reactie. Ik zweeg.
De jongeman toonde me foto’s van familie en vrienden op z’n smartphone. In zijn gebrekkige Engels legde hij uit dat hij het moeilijk kreeg wanneer hij naar die foto’s keek. Ik knikte en mompelde dat ik dat begreep, maar ik wist niet zeker of dat wel waar kon zijn.

Intussen heeft onze regering beslist dat de toestand in Afghanistan weliswaar ernstig is, maar niet van die aard dat we Afghanen moeten beschermen en opvangen. We hebben het over diezelfde regering die onze hoofdstad een hele week platlegde omdat er eventueel, misschien, jeweetmaarnooit, ergens een aanslag zou kunnen gepleegd worden. Winkels en horecazaken bleven dicht of in ieder geval leeg. Scholen werden plompweg gesloten. Het noodnummer waar mensen naar konden bellen werd overspoeld met vragen alla “Kan ik veilig om een brood hier bij ons in Scheldewindeke?”.
Krijg dat soort panische angst maar uitgelegd aan mensen die gewend zijn aan dagelijkse terreur en die een maand over land en zee reisden om ergens veiligheid te vinden. Om uiteindelijk te stranden in een land waar nooit wat gebeurt, maar waar iedereen bang is. Waar men van mening is dat het veilig genoeg is waar zij wegvluchtten.

‘s Avonds laat kreeg ik een bericht van een vriend. Of ik niet bang was, zo alleen met 4 wildvreemde mannen in huis. En of ik wel wist wat ik deed. Ik moest bekennen dat het geen moment bij me was opgekomen om ergens bang voor te zijn. Het leek me vooral triest, dat het blijkbaar een eerste reflex moest zijn om bang te zijn van andere mensen. Bang, dat was ik wanneer ik met mijn kinderen langs de Antwerpsesteenweg fietste of de Dampoort overstak met de fiets.
We sliepen allen als roosjes, de zonen en ik en de 4 jonge mannen. Twee van hen bleken luid te snurken. Daar moesten we bij het ontbijt allemaal geweldig om lachen. 
Toen ik naar boven ging stelde ik verbaasd vast dat ze alle vier hun bed hadden opgemaakt en de dekens netjes opgevouwen aan het voeteneind gelegd.

Straks gaan ze terug naar Brussel. Ze willen in de buurt zijn als de situatie verandert. Ik krabbel onze telefoonnummers op een briefje, voor het geval dat ze opnieuw zonder onderdak stranden.

Terwijl zij aan tafel blijven hangen, vergaar ik nieuws. Over de klimaatmars die verboden wordt (gevaarlijk!), over ministers die zonder een zweem van visie naar een klimaattop trekken, over toenemende energiearmoede, over bedrijven die alle werknemers ouder dan 58 laten afvloeien, over bibbertaks voor buschauffeurs, over verdachte pakjes die het verkeer doen stroppen, over radicalisering.

Ik heb verdacht veel goesting om eens flink te radicaliseren.







woensdag 18 november 2015

Breaking

-->
De waterval van breaking news dat naar vers bloed ruikt beneemt mij de adem. Ik hap naar verse, onbezoedelde lucht, maar wat ik adem ruikt ranzig en bevat te weinig zuurstof.
Liefst zou ik mezelf opvouwen tot een nietig element en me verbergen in de plooien van mijn huis. Schuilen tot de storm is gaan liggen, wegkruipen waar het stil en donker is, als een veldmuis.

Elk beeld staat op scherp, tot ik er lang genoeg naar tuur en het vervaagt, wegglijdt achter mijn netvlies, opgeslagen op een oververhitte harde schijf.
Alsof we in een verhoogde staat van paraatheid door het leven moeten, hyperalert, op onze hoede. Ontreddering doet stilstaan. Angst doet lopen. Moeten we nu stilstaan of lopen?
Ik loop niet, maar wankel, het enige haalbare compromis.

We kijken naar vrolijk kwekkende dieren en dansende kinderen op tv, mijn zonen en ik. We doen alsof alles hetzelfde is als kort geleden en ook zo blijven zal. Ze merken niet dat ik langer dan gewoon naar hen kijk en hen besnuffel, alsof ik wil weten hoe onschuld ruikt.
“Mama, je doet me pijn”, klaagt de jongste wanneer ik hem in een houdgreep neem die twijfelt tussen knuffelen en vastklampen.

Dat ik bang moet zijn, zo vertelt mij het nieuws en de stemming. Ik ben niet bang. Ik ben verlamd in mijn gedachten. Ik spat uit elkaar van opgehoopte en ongebruikte liefde voor wat zou kunnen zijn. Ik zie zoveel zo graag dat ik er geen blijf mee weet. Mijn armen zijn te groot om ze allemaal te omarmen, de mensen en de dingen die geen weet hebben van hun schoonheid.

Het kind dat giechelt omdat de hond zijn neus likt. De twijfelende zon die door de ongewassen ramen binnenvalt en huiselijke chaos verlicht. De uren, dagen, zeeën van tijd die mijn bondgenoten, helpers en engelen, besteden aan het scheppen van warmte en hoop. Een warm en stevig lijf om tegen te kruipen en met ongeneerde tranen te besmeuren. De toon van een gesprek als een cadeau dat even graag geschonken als ontvangen wordt.

Wat nu? vraagt alles en iedereen. Nu doen we gewoon verder. En morgen ook. Met graag zien, soms hartstochtelijk en openlijk, soms wat minder opgemerkt en in de luwte. Maar wel erg graag.






vrijdag 6 november 2015

Uitgenodigd


‘Asielzoekers voelen zich uitgenodigd.’ Dat zei onze Staatssecretaris voor Asiel en Migratie gisteren, aldus de krant.
Geen wonder dat vluchtelingen zich verdringen aan onze grenzen als we ze vriendelijk inviteren.
Ik vroeg me af wie die mensen dan wel had uitgenodigd en vooral hoe. Had een of andere anonieme, grootmoedige hippie een virale tweet gepost met de boodschap dat iedereen welkom was voor een gratis all-invakantie? Had Topvakanties bussen naar Syrië, Irak en Afghanistan gestuurd om er gewillige toeristen op te pikken? Ik heb tegenwoordig maar weinig geduld voor dergelijke absurditeiten, die als traangas het collectieve zicht dienen te verblinden.

Diezelfde middag fietste ik gezwind naar een afspraak in de stad. Ter hoogte van het Dampoortstation hield ik halt om een vriend te begroeten. We hadden elkaar een tijdje niet gezien en een en ander bij te praten. Ons prille gesprek werd onderbroken door een sjofele man die ons in gebrekkig Frans aansprak. Of we niet wat geld konden missen zodat hij iets kon eten. Ik vroeg hem waar hij vandaan kwam, hoe lang hij hier al was en waar hij sliep. De man bleek uit Syrië te zijn gevlucht, een tijdje geleden in Brussel gestrand en nu door Gent te dolen, waar bijna niemand hem verstond en hij niemand kende. In Brussel was het beter, meende hij. Slapen deed hij in het St-Pietersstation, wanneer dat open was tenminste. Dat hij in geen tijden was gewassen hoefde hij niet te vertellen. Maar groezelig en onwelriekend of niet, hij had honger.

De vriend en ik tastten in onze broekzakken, op zoek naar wat geld. Hij had geen cash op zak. Ik enkel wat muntjes en een al te royaal biljet dat ik zelf niet echt missen kon. Het stapeltje muntjes bleek niet eens voldoende voor een croissant, laat staan voor iets voedzaams waar een mens die op straat leeft een tijdje mee verder kan.
Ik gaf hem het contact van een organisatie die maaltijden uitdeelde aan mensen in nood, en die hem misschien verder kon helpen in zijn zoektocht naar hulp. Hij sloeg het nummer op in zijn mobiele telefoon, zijn enige tastbare houvast.

Vertwijfeld bedacht ik wat ik moest doen. Mijn afspraak wachtte op mij. Ik kon het mij niet permitteren om zonder enig gevolg bankbiljetten uit te delen. Bovendien geloofde ik in leren vissen, niet in het uitdelen van gebakken vis. Liefdadigheid, een vies woord met een bedenkelijke nasmaak, zo beweerde ik al jaren. Theorie die plots weinig waard lijkt wanneer je oog in oog staat met een uitgehongerde medemens.

‘Zal ik met je meegaan en iets te eten voor je kopen?’ floepte uit mijn mond. De man knikte gretig. Zo kwam het dat wij even later samen in een kebab-tent stonden, de onbekende man en ik.

Ik vroeg hem wat hij wilde eten en bestelde op gegeneerde fluistertoon. Een grote kebab en een blik Fanta, hoe lang zou dat je maag vullen? Ik zag mezelf daar staan door zijn ogen. Ik, het wandelende privilege, warm en degelijk gekleed, op weg naar een plek die ik zelf had gekozen, waar dampende merkkoffie werd geserveerd. Ik, die perfect wist dat ik vanavond verse groene koolstamppot zou eten en in mijn eigen warme bed zou slapen. Hij, de verloren reiziger zonder bagage, op zoek naar een normaal leven, een leven zoals het mijne bijvoorbeeld.
Ik vroeg me af hoe dat voelde, eten voor je laten kopen door een wildvreemde, op een plek die je niet kent en waar je weinig van begrijpt. Wat dat deed met je eigenwaarde en je trots, of met wat daarvan was overgebleven.

Hij toonde me een foto van een klein meisje, zijn dochtertje, en vroeg of ik kinderen had. Ik beaamde. Twee jongens. Hij vond dat ik geluk had. Ik knikte bevestigend en voegde eraan toe dat ik vooral geluk had dat ik hier geboren was, en niet in Syrië zoals hij.
Ik betaalde, mijn blik krampachtig op mijn portefeuille en het wisselgeld gericht, om vooral niet in zijn ogen te hoeven kijken.

Zo stonden wij ons daar allebei te schamen, elk om onze eigen redenen. Hij bedankte me omstandig. Ik wenste hem geluk, een groot woord dat ik daar en dan onnozel vond klinken. Hij vroeg of hij me mocht omhelzen. Dat mocht.

Nadat we afscheid hadden genomen sloeg de twijfel toe. Waarom had ik mijn afspraak niet afgebeld en de man niet meegenomen naar huis voor een bad, een maaltijd en een echt bed? Waarom had ik zijn naam niet gevraagd, zodat we niet langer wildvreemden voor elkaar hoefden te zijn? Waarom had ik hem niet uitgenodigd?

Terwijl ik verder fietste veegde ik tranen weg. De wind wellicht.