biekesblog


woensdag 21 juni 2017

Bikiniproof


Door omstandigheden die er verder niet toe doen, bevond ik me gisteravond temidden van een hoogoplopende discussie over boerka’s en vrouwenrechten. Zoals dat gaat met dat soort dicussies, week geen van beide partijen een millimeter van het eigen gebetonneerde standpunt. Dat het te warm was voor heftige debatten, wilde ik opperen, maar ik zweeg en liet mezelf zuchtend nog een glas wijn inschenken.

Ik liet mijn gedachten afdwalen naar de reis die de zonen en ik in het verschiet hebben. In mijn verhitte hoofd stelde ik lijstjes op van wat er in te pakken valt, en wat er nog dient aangeschaft. Dat bleek heel wat te zijn, vermits ik zelden of nooit op reis ga, en dus bedroevend slecht uitgerust ben voor de onderneming. Zo stelde ik vast dat ik niet in het bezit was van een bikini, nochtans een onmisbaar item voor de moderne zomervrouw, als ik de talloze “Hoe word je in no time bikiniproof”-berichten in mijn mailbox en op facebook mag geloven. Ik had geen idee of ik al dan niet bikiniproof was, maar voegde het item vastberaden toe aan mijn virtuele aankooplijst.

Ik herinner me een beeldig, maar hoogst onpraktisch gehaakt rood setje, waarvan het bovenstuk steevast naar boven en het broekje loodrecht naar beneden gleed wanneer je uit het water kwam. Ik moet een jaar of twaalf geweest zijn. Iets in mijn ontluikende inzicht besefte toen al dat bikini’s onheil meebrengen. En dat je beter niet met gehaakt tricot in het water springt.

Desalniettemin en alle bedenkelijke ervaringen ten spijt trok ik naar de dichtstbijzijnde winkel die eruitzag alsof een vrouw met een reisplan zich er een bikini kon aanschaffen. Twijfelend liep ik de rijen felgekleurde broekjes en topjes af. Was het werkelijk de bedoeling dat zo’n broekje hooguit 2 halve schaamlippen en 2 halve billen kon ontvangen? Waar bleef je dan met de rest? Waarom gingen bikini-ontwerpers er eensgezind van uit dat alle vrouwen vurig naar een paar extra cupmaten verlangen? Wat deden die onnozele gouden franjes tussen die twee zwarte driehoekjes? Deze en andere existentiële vragen vroegen spontaan om mijn aandacht en om heldere antwoorden.

In het pashok, nauwelijks groter dan mijn koelkast, wurmde ik mezelf in de ene bikini na de andere. Bij het vijfde setje vroeg ik me vertwijfeld af of de maat wel klopte, gezien de hoeveelheid huid en weefsel die in geen van de geselecteerde broekjes bleek te passen. “Dat is gewoon zo. Dat is mode.”, orakelde de kekke verkoopster op licht spottende toon, een dienstmededeling die mij bovenmatig irriteerde.
Ik duwde de veelkleurige bundel bikini’s verontschuldigend in de keurig gemanicuurde handen van de verkoopster en verliet het pand zonder aankoop. Een boerka leek me plots een verstandiger en comfortabeler investering.




zaterdag 10 juni 2017

Scharreltijd

-->
Wanneer werelds onheil als smog de lucht verstikt en het zicht bezoedelt, dan plooi ik mezelf op, als een goedkoop tentje van de Decathlon. Even met je ogen knipperen en waar een wijd open en gastvrije tent stond, ligt enkel nog een nietzeggend rondje zeil.

Scharreldagen zijn mijn reddingsboei. Zodra het stormt en de golven onbehagen mij dreigen te verzuipen ga ik in scharrelmodus. Als een kip in haar ren beweeg ik schijnbaar doelloos heen en weer, hier iets oprapend wat ik elders weer neerleg; opruimend, ordenend, zoekend naar iets waarvan ik niet wist dat ik het kwijt was.

Mijn actieradius verkleint, mijn zicht wordt bijziend, mijn stem valt stil en keert naar binnen. Ik draai alle volumeknoppen dicht en sluit de gordijnen. Gegons van buren, kinderen, wasmachine, stofzuiger en oven zijn de enige geluiden die door mijn verstopte filter kruipen.

Ik doe niets waarvoor ik mijn hoofd dien in te schakelen, herleid mijn bestaan tot een intuïtieve aaneenschakeling van eenvoudige en routineuze handelingen. Mijn handen nemen het roer over. Ik pers citroenen uit tot verkoelende sorbet. Ik klop en roer en kneed en rol tot het huis zich vult met zoete en licht gebrande huiselijke geuren. Ik wroet verbeten in zanderige en zure aarde alsof er iets voedzaams of moois in zou kunnen kiemen. Ik hang natte kledingstukken aan de doorhangende waslijn en wacht geduldig tot ik ze droog kan vouwen en stapelen, gladstrijkend wat gekreukt is.

Ongevraagd zet ik de zonen zelfgemaakte citroenlimonade en Finse kaneelbroodjes voor. Zij herkennen mijn scharreldrang en stellen geen vragen. Ze kauwen, slikken en verbijten hun expansiedrang. Ze weten dat we vandaag nergens naartoe gaan, dat de wereld vandaag stopt bij de verroeste brievenbus in de voortuin of de zwalpende boom in de achtertuin.
Op vragen antwoord ik met vertraging, in zinnen die uitblinken in gebalde gelatenheid.

Het scharrelen duurt zolang het duurt, zolang de noodzaak dwingt. Uitgescharreld zet ik de tent weer op. De was blijft liggen in de mand. Brood koop ik  gewoon bij de bakker. Gedachten zijn geordend, onrust gesust. De zintuigen mogen terug op scherp. De filter is gespoeld. Voorlopig.





dinsdag 4 april 2017

Ronde zonder finish: brief aan mijn broer

-->
In mijn vergeelde herinnering liggen wij plat op onze buik, jij en ik. We liggen op de overloop voor onze kamers, elk met een pelotonnetje plastic wielrennertjes. Rennertjes die we een voor een verplaatsen volgens onze eigen dynamische spelregels.  Jij kreeg altijd Eddy Merckx, wat uiteraard oneerlijk was en tot hoog oplopende disputen zou leiden. De plastic Merckx had van jou een truitje in gele plakkaatverf gekregen. De morsige stippen op mijn Van Impe deden meer aan een paddestoel denken dan aan een klimkampioen.
Zo speelden wij de Ronde van Frankrijk na, landerig hangend op hete zomerdagen.

De plastic rennertjes gingen verloren. De koersmicrobe nooit. Jouw liefde was passioneel, loyaal en doorleefd. De mijne toonde zich al eens ontrouw, maar bleef toch stevig overeind. Tientallen jaren later wisselden we sms’jes uit op hoogdagen als de Ronde en Parijs-Roubaix, berichten die jouw onvoorwaardelijke steun aan Boonen en mijn liefde voor de sympathiekste Zwitser vriendelijk, gedogend, maar onverzettelijk tegenover elkaar plaatsten. Wie er ook won, een feest was het in ieder geval.

Een enkele keer heb ik de koers gehaat: die ene Ronde van Vlaanderen, 6 jaar geleden, op weinig heroïsche wijze gewonnen door de wat knullige Nick Nuyens. De Ronde waarvan jij de finish nooit zou zien. De ronde die in jouw laatste herinnering voor eens en altijd gewonnen werd door Philippe Gilbert, die je zo bewonderde en die nog hoopvol voorop lag toen je ons zomaar achterliet.
Dat je allerlaatste woorden uitgerekend “wie wint de ronde?” moesten zijn.

De Ronde zou nooit meer hetzelfde worden. Elke hoogdag voor de koers is een rare dag geworden, een dag die alleen maar over jou lijkt te gaan.
Ik vloek nog altijd even onpedagogisch luid wanneer een held tegen het asfalt smakt. In gedachten tik ik de woorden die ik je zou sturen: “Hij gaat het niet halen!” of “Wat een klote val!”.

Toen zondag Philippe Gilbert eindelijk en onverwacht die begeerde Ronde won, wist ik niet of ik moest lachen of huilen. Het werd een rare combinatie van de twee. Breed grijzend wandelde hij over de streep, zijn fiets triomfantelijk in de lucht. Alsof hij jou zeggen wou dat je alsnog gelijk had gekregen. Ik weet zeker dat jij even breed hebt teruggegrijnsd, zoals alleen jij dat kon.

maandag 2 januari 2017

Hygge

-->
Ik kwam onlangs achter het bestaan van hygge. Dat kwam zo. Ik stond in mijn favoriete boekhandel, op zoek naar een boek dat ik niet nodig had en wellicht pas binnen een jaar zou lezen, gezien de stapel ongelezen lectuur naast mijn bed, die mij dagelijks verwijtend aanstaart. De boekhandel bleek overbevolkt, zodat ik niet verder raakte dan de toonbank. Op die toonbank lag een selecte keure aan lectuur met hygge in de titel. Er was klaarblijkelijk een hygge-trend gaande waarvan ik het bestaan tot op dat moment niet had vermoed. Ze moest ze in groten getale aanslepen, zo wist de eigenaar van de boekhandel mij te vertellen. Het had iets te maken met Denen en geluk. De Denen, zo weet u misschien, zijn de gelukkigste bewoners van deze planeet.
De Denen zelf beweren dat hygge niet te vertalen valt. Zelfgenoegzaam volk. Wellicht komt gezelligheid het dichtst in de buurt.

Het spreekt vanzelf dat wij allemaal even gelukkig wensen te zijn als die bofkonten van Denen. Vandaar het succes van hygge-boeken vol hygge-tips.
Hoopvol struinde ik door de felbegeerde boekjes, in de blijde verwachting daar diepere en betekenisvolle inzichten te vinden voor een gelukkiger leven.

De eerste bladzijde die ik opensloeg hield verband met glühwein. Dat viel tegen. Ik heb een hekel aan glühwein. Als wijn lekker is, dan drink je hem zoals hij is. Als hij niet lekker is, dan laat je hem staan. Opwarmen met bedenkelijke kruidenmengsels maakt van een matig produkt geen vloeibaar goud.
Na de glühwein volgde een handleiding voor het weven van papieren hartjes.
Ontgoocheld klapte ik het populaire boek dicht. Misschien was ik vooringenomen, maar iets in mij wist stellig dat het weven van papieren hartjes, noch het drinken van warme wijn, mijn levensgeluk tot ongekende hoogte zou stuwen.

Ik kon verschillende redenen bedenken voor mijn ontgoocheling. De meest voor de hand liggende was dat al dat gehyggel marketingonzin is. Het kon natuurlijk ook zijn dat ik geen hyggelig mens ben, bij gebrek aan Deense genen. De derde reden die ik kon bedenken was een stuk confronterender. Misschien ben ik gewoon “niet rap content”. Voor minder dan wereldvrede, gelijkheid, iedereen een leefbaar inkomen en een fikse arbeidsduurverkorting ga ik niet hyggelig doen.

Het is vast niet de bedoeling van al die gezellige feelgoodboeken, maar ik word kribbig van hippe middenklassemantra’s à la “wees dankbaar voor wat je hebt of “neem quality time en steek een kaars aan wanneer je in bad gaat”. Uiteraard moeten we dankbaar zijn voor wat we hebben als dat bezit pakweg een flatscreen, een jacuzzi, twee auto’s op de oprit en een designzitbank betreft. Zelf bezit ik geen van de genoemde overbodige items, maar ik ben wel van mening dat ik geweldig bof. Waarom mensen die in een beschimmeld krot leven, met nauwelijks genoeg te eten en een waterfactuur die hen slapeloze nachten bezorgt, dankbaar zouden moeten zijn, dat ontgaat mij dan weer volkomen.

Op mijn vaste parcours van Brussel-Centraal naar kantoor ontmoet ik dagelijks dezelfde dakloze man. Hij woont in een tochtig portiek, onder een berg vuile dekens. Hij komt uit een ver Afrikaans land en had zich het leven hier allicht anders voorgesteld. Misschien moet ik hem vertellen dat het in Denemarken leuker is. Of hem een hygge-boek cadeau doen.











vrijdag 28 oktober 2016

Boekenbeurs

Beste uitgever,

U en ik, wij hebben iets gemeen. De liefde voor boeken. Ik hoop in ieder geval dat u voor het beroep van uitgever hebt gekozen omdat u van boeken houdt.
Dat ik van boeken houd is niets bijzonders. Volgens de Stichting Lezen lezen vrouwen namelijk opmerkelijk meer dan mannen. Wist u dat? Als u uw werk ernstig neemt weet u zulke dingen.

Toen ik nog op school zat kwam mijn moeder de lampen in mijn slaapkamer uitdraaien om te vermijden dat ik de hele nacht lag te lezen. Niet dat het hielp. Ooit ben ik nipt aan de verbrandingsdood ontsnapt omdat de bureaulamp, die mijn stiekeme nachtelijke leessessies moest belichten, omver viel op de gevaarlijk brandbare synthetische bedsprei.
Het lijkt me dan ook dat ik de uitgelezen Boekenbeursbezoeker ben. Blijkbaar bent u daar niet van overtuigd en meent u dat een extra inspanning moet doen om vrouwen naar een boeken-evenement te lokken. Een Ladies Night bijvoorbeeld.

Ik ga even niet in op de waarlijk spitsvondige en elegante benaming van het gebeuren.
Wel ga ik graag even in op de retorische vraag of er zoiets nodig is als een boekenbeurs-avond voor vrouwen. Ik zei het al: Vrouwen lezen meer dan mannen. Bovendien beslaan vrouwen zowat de helft van de bevolking. Wij zijn het dus die uw business doen draaien en uw eindejaarspremie op tafel leggen. Wat of wie heeft u doen geloven dat wij niet naar uw heugelijke boeken-event zouden komen tenzij u ons daar expliciet voor uitnodigt? Vanwaar de veronderstelling dat vrouwen nood hebben aan een aparte avond voor vrouwen op de boekenbeurs? Welke boodschap wil u daarmee precies kwijt?
Die boodschap, daarover kwam ik meer te weten toen ik even door het programma struinde en daar het volgende vond:
“Ladies Night - Alles wat je wilt weten over poetsen, wassen en strijken”.
Heel even meende ik dat u een grapje maakte. Ironie, weet u wel. Vrouwen kennen dat.
Maar vrij snel bleek dat u het meende.

Als ik het goed begrijp (ik ben natuurlijk maar een vrouw), dan bent u dus van mening dat 1. vrouwen dol zijn op schoonmaken 2. schoonmaken een vrouwenzaak is.
Ik ken u niet, dus ik vraag het maar even: kent u eigenlijk veel vrouwen die dol zijn op schoonmaken? Ik namelijk niet. Schoonmaken doen mensen uit noodzaak. Omdat iemand het moet doen. Uit hygiënische overwegingen. Al zijn er wellicht uitzonderingen die er ook plezier aan beleven. Dat mag.
Schoonmaken is dus zoiets als het gras maaien, de was doen, een nieuwe lamp indraaien, je bureau opruimen, met de auto naar de keuring gaan. Niet iets om al te lang en te ernstig over na te denken, laat staan om een cultus rond te bouwen. Bovenal niet iets om toe te wijzen aan de helft van de bevolking.

Ik weet het, tot ergens in de jaren vijftig was het heel normaal dat vrouwen aan de haard bleven en die haard en de directe omgeving van die haard netjes hielden. Maar die jaren vijftig zijn intussen al meer dan zestig jaar voorbij. Het kan zijn dat u met enige nostalgie terugblikt op die fijne tijd, maar de meeste vrouwen danken de hemel dagelijks op hun blote knieën dat hij voorbij is.
Het kan zijn dat het u ontgaan is, maar de meeste vrouwen hebben tegenwoordig jobs. Ze studeren, ze worden verpleegster, ingenieur, arts, ontwerper, journalist, schrijver en zelfs uitgever. Helaas moeten ze daarvoor al eens beroep doen op andere, veelal minder bedeelde vrouwen, die hun huizen schoonmaken voor een habbekrats. Maar over die perversie hebben we het wel een andere keer.
De meeste vrouwen kijken dan ook reikhalzend uit naar dat schijnbaar utopische moment in de toekomst waarop huishoudelijke taken fair verdeeld blijken te zijn. De knop van een wasmachine een slag of twee naar rechts draaien, een stofdoek over de kast halen, de knop van een stofzuiger indrukken: zulke complexe taken zijn dat nu ook niet dat men er een doorgedreven opleiding voor nodig heeft. Of een vrouwenbrein.

Tot slot, en vermits vrouwen uw grootste en trouwste doelgroep zijn zou die faire verdeling van het huishoudelijke werk uw winstmarges geweldig de hoogte in jagen. Bedenkt u eens welke zee van tijd vrouwen krijgen om te lezen, wanneer de helft van de huishoudtaken hen uit handen worden genomen.

Als kers op de taart staat er een girls night op het programma, waar kinderen van het vrouwelijke geslacht zich kunnen laten schminken, hun nagels kunnen laten pimpen en fotomodel kunnen spelen. Voor meisjes die gewoon graag lezen hebt u blijkbaar niets kunnen bedenken.
Ik kan hier alleen treurig en hoofdschuddend om zuchten.
Je zou denken dat een workshop voor kinderen op de boekenbeurs over de liefde voor lezen en boeken gaat; niet dat kinderen er geprepareerd en gehersenspoeld worden om te beantwoorden aan de genadeloze en schadelijke schoonheidsidealen waaraan vrouwen blijkbaar dienen te beantwoorden om hun bestaan te rechtvaardigen. Mijn tienjarige ik loopt diep ontgoocheld weg van uw girls night.

Afijn, al uw wellicht goedbedoelde en doorgedreven inspanningen ten spijt zal ik dit jaar met stellige zekerheid niet naar uw boekenbeurs komen. Ik heb gelukkig nog een stapel fijne boeken liggen.

Met vriendelijke groet,

dinsdag 13 september 2016

Tienerverdriet

-->

Van zodra je zwanger bent word je – meestal ongevraagd – bestookt met babytips. Hoe je ze doet drinken/zuigen/eten/slapen/plassen.  Hoe je ze verschoont. Hoe je ze best aan- en uitkleedt. Hoe je ze troost.
Baby’s zijn kinderspel. Meer dan een borst of twee en een paar warme armen heeft zo’n wurm doorgaans niet nodig. De enige waardevolle tip die ik besloot te volgen was ‘kijk naar je baby’. ‘En negeer al de rest’, dacht ik er zelf tevreden bij.

Wanneer de baby een tiener wordt blijft het verdacht stil. Die stilte kan twee dingen betekenen. De eerste, maar weinig geloofwaardige optie is dat iedereen intuïtief weet hoe je omgaat met tieners; dat tieners opvoeden dus als het ware vanzelf gaat. Voor die these is helaas geen enkel sluitend bewijs voorhanden. Bewijs van het tegendeel is er in overvloed.
De tweede optie is dat niemand het weet. Ik gok zelfzeker op optie twee.

Wanneer ik mijn prille tiener ophaal van school kijkt hij mij met bits vertrokken mondhoeken en rollende ogen aan omdat ik vraag waar zijn rugzak is. De belachelijkste vraag ooit, zo blijkt, tot overmaat van tienerergernis gesteld door de vervelendste moeder ooit. Ik kijk naar de grimmig strakke mond en de priemende ogen en zie in gedachten hoe de baby, ver weg en schijnbaar onvindbaar verstopt in het opschietende tienerlijf, breed naar mij lacht wanneer ik het kinderdagverblijf binnenwandel. Wiebelend en met uitgestoken armpjes kruipt de baby pijlsnel en doelbewust mijn richting uit, tot ik hem optil en hij zijn armpjes rond mijn nek klemt, alsof hij mij nooit meer wil loslaten.
Ik wuif de snoezige baby op mijn netvlies weg en focus op de tiener. Die is al weg, meters voor me uit, om de drie stappen een tak of een steen wegschoppend.

Wanneer we – zonder rugzak – huiswaarts keren herhaal ik in stilte dat het erbij hoort. Dat hij het niet helpen kan. Dat het hormonen zijn. Dat het normaal is. Die berustende stilte hou ik vol tot de tiener bij thuiskomst de deur snoeihard dichtslaat voor de neus van zijn zevenjarige broer, die het prompt op een dramatisch brullen zet. Ik stel de waarom-vraag. Een nanoseconde later weet ik al dat er geen antwoord volgen zal. Er is namelijk geen enkele zinnige reden te bedenken om zomaar de deur voor iemands neus dicht te gooien wanneer je een huis binnenstapt. Dat weet de tiener zelf ook. De vraag is absurd en wordt dus beter niet gesteld.

Ik doe wat ik daarnet nog besloot niet te zullen doen. Ik brul. Dat hij zich onaangenaam gedraagt en dat samenleven met hem niet meteen een feest is momenteel. Hij dendert de trap op naar boven, gooit daar een deur dicht en hult zich het eerstvolgende half uur in stilzwijgen. Ik begin binnensmonds sakkerend uien en knoflook fijn te hakken. Koken helpt. Driftig hakken in het bijzonder.

Wanneer de uien mijn ogen doen tranen leg ik het mes neer en ga ik aarzelend naar boven. De tiener ligt op bed. Met een doos Lego. Ik onderdruk een grijns en vraag of hij honger heeft. ‘Misschien’, zegt hij, zonder op te kijken van het ruimteschip dat hij in elkaar zet. ‘We eten pasta met kerstomaatjes, rucola en pijnboompitjes.’ roep ik vanop de trap naar beneden. Even later dekt de tiener de tafel. ‘Diepe of platte borden, mama?’
De armen rond mijn nek teken ik er in gedachten bij.












zondag 17 juli 2016

Fantoompijn



Ik raas als een tornado door het huis, mijn armen vol slaapzakken, gummi laarzen en andere onmisbare kampparafernalia. Het grootste deel van wat ik inpak zal wellicht onaangeroerd huiswaarts keren.

De zonen zijn hemeltergend contraproductief. Wat ik inpak wordt weer uit de rugzak gehaald, gescreend, meestal afgekeurd en vervangen door iets anders, wat ik dan weer ongeschikt vind voor 5 dagen op het woeste platteland. Gloednieuwe, spierwitte sneakers bijvoorbeeld. Of een flanellen piama in juli. En waarom mag er geen snoep mee? En waarom krijgt F een leukere slaapzak dan ik?

Ik foeter en sakker en sjees heen en weer, alsof we gehaast zijn. We zijn niet gehaast. Maar als ik ga neerzitten moet ik noodgedwongen stilstaan bij het feit dat ze er straks 5 dagen niet zijn.
De rust en de stilte waar ik nu dagelijks om smeek valt vanavond als dikke mist over het huis en zijn eenzaam achtergebleven bewoner.

Geen gekibbel over wie al hoe lang aan de computer zit. Geen gekrijs over verdwenen Lego-ninja’s. Geen lange gezichten en eindeloos gepriegel aan tafel. Geen hoopjes rommel en vuile was alom. Geen ostentatief landerig gehang.
De krant ononderbroken kunnen uitlezen. ‘s Avonds ongepland het huis kunnen verlaten, terwijl de stad feest.  Die vurig gewenste vrijheid zal dubbelzinnig blijken.

Kinderen zijn er altijd, ook als ze weg zijn. Wanneer ze niet gillend, gierend of ravottend om je heen dartelen, dan spelen ze op in je hoofd en je hart, waar ze onrust en een zeurend ontbreken achterlieten. Fantoompijn.






zaterdag 23 april 2016

Wormen

-->
Er staat geen rem op de grove taal en het schofferen. Ferme praat maakt deel uit van het traditionele steekspel der politiek. Maar dit spervuur van giftige woordenmunitie, daar was ik niet op voorzien. Het ontbreekt mij aan camouflage, loopgraven en afweergeschut.  
 
Dat het uit moet zijn met dat gepamper. Dat iedereen, ja echt iedereen, alle kansen krijgt. Dat we de dingen bij naam en toenaam moeten durven benoemen. Dat het tijd is om de politieke correctheid over de haag te gooien. Dat we boven onze stand leven. Dat “zij” feesten omdat “wij” aangevallen worden. Dat racisme niet het probleem is en een randverschijnsel. Dat wie een partijkaart heeft ongeloofwaardig is en dus beter zwijgt.

Ik laat me de adem benemen door de ene frontale aanval nog voor ik ben bekomen van de vorige. Soms blijf ik een paar tellen met open mond achter, alsof ik vergeten ben hoe ik mijn kaakspieren moet bedienen, omdat al mijn aandacht tijdelijk focust op het verwerken van alweer een verbijsterende quote. Ik voorspel dramatische en bljvende rimpelvorming als dit tempo aanhoudt.
Wat erger is dan de stramme kaken en het zuurstofgebrek is de genadeloze doeltreffendheid van de strategie. Rakketakketakketak. Dat blijft maar komen. Als een machinegeweer van de meest gesofisticeerde makelij. Geen verdedigen aan.

Ik zou er van weglopen als ik niet zo hardnekkig in iets anders geloofde. Ik loop niet weg. Ik vloek; ik bijt mijn tanden stuk; ik huil zo nu en dan omdat er niets anders aan te doen valt. Wanneer ik niet vloek, knarsetand of huil doe ik gewoon verder. Niet onverstoorbaar, al zou dat prettig zijn, maar wijfelend en wankelend en oververmoeid.

Ik wil niet kwaad zijn. Dat vreet energie als een overjaarse smartphone. Toch laat ik mij vangen en schrik ik van mijn eigen binnensmondse gesakker. Broodnodige energie die onbenut wegvloeit. De kraan is stuk en de loodgieter is met verlof.

Zie mij nu bezig. Met mijn onnozel geloof in liefde en begrip en dialoog en welwillend samenleven. Alles wat ik doe en waar ik voor werk wordt ondergraven, niet met de trage schop van de vrijetijdstuinier, maar met de graafmachine van de aannemer voor wie tijd vooral geld is.
Een paar grote halen en weg is de aarde, met alles wat daarin lag te kiemen. Zelfs de wormen zijn dood.

“Wij zijn geen wormen.”, mompel ik tegen mezelf. Ik wil geen worm zijn die zich kronkelend laat doodmeppen of in tweeën hakken. In mijn moedigste gedachten ben ik een goedhartige, maar onverschrokken draak.  Maar mijn gedachten zijn niet altijd moedig. Moed heeft voedsel nodig en de oogst is mislukt.

We hebben boeren en tuinders nodig. Die de moed en de vaardigheid vinden om opnieuw te spitten, al doet hun rug zeer en staan er blaren op hun handen. Die weten hoe je onkruid bij de wortel uittrekt. Die weten dat wormen nuttig en nodig zijn en alleen gedijen waar de bodem voedzaam is. Die elke keer opnieuw beginnen, ook als de grond te zuur, te droog of te drassig is, omdat er altijd wel iets eetbaars in groeit. Ook voor de wormen.

woensdag 13 april 2016

Liefje

Het kind heeft een liefje. 

Toen hij onmiddellijk en met buitensporige urgentie een skype-account moest aanmaken op de bejaarde iPad, ging er een schemerlichtje branden in mijn moederhoofd. Sindsdien wordt er gechat, met bijhorend gebliep, tot ik er zenuwziek van word en hem vriendelijk, maar kordaat verzoek de rest van de levensnoodzakelijke communicatie te bewaren voor op school, waar ze desgewenst de hele dag tegen elkaar kunnen kletsen.

Ik vraag niets en onthou me wijselijk van commentaar, om te vermijden dat ik de verkeerde dingen zeg. Dat hij te jong en te argeloos is voor de riskante en nietsontziende expeditie der liefde bijvoorbeeld. Dat de terminologie die hij hanteert onder vrienden om het spel der kinderliefde onder woorden te brengen mijn wenkbrauwen doet fronsen. Dat hij zich niet hoeft te haasten om de plot te ontrafelen van iets waar zijn moeder zelf nog steeds geen touw aan vast weet te knopen.

Ze willen naar de film. Ik doe alsof ik het niet gehoord heb. De mededeling wordt met klemtoon herhaald. “Oh, leuk, naar de film. Ja, laten we dat nog eens doen.” blijkt niet het verhoopte antwoord. Ik blijk geen deel uit te maken van de “we” die hij bedoelt. Voor het eerst is zijn “wij” een andere “wij” dan de mijne.

Ik had het vorige stadium in het opvoedkundig traject nog lang niet onder de knie. Nu zijn we ongemerkt en onvoorbereid in een nieuwe fase beland, eentje waar ik nog minder van begrijp dan van alle vorige fases bij elkaar. Ik hol blind achter voldongen feiten aan.
Deze onwelgekomen fase brengt nieuwe, voorlopig hypothetische, maar wellicht onvermijdelijke zorgen mee. Over hartzeer en andere soorten verdriet. Over verkeerd of ongewenst ouderlijk advies versus geen advies. 

Heimwee lijkt misplaatst wanneer je kinderen helpt opgroeien. Toch verlang ik even met weemoed terug naar wat vandaag ver weg lijkt. Naar opgerispte melk en veel te natte kussen. Naar dolle pret om niets en dramatische tranen om nog veel minder. Naar mijn rol in het geheel der dingen: de zon waar al de rest in een onverstoorbaar continuum omheen draaide. Die rol moet ik afleggen, een realiteit die plots, met dank aan het liefje, niet langer te ontkennen valt.

donderdag 24 maart 2016

Laat het niet wennen

-->
Een nieuwe dag aanvatten, met het besef dat er een tastbare reden is voor de ontreddering die je ochtendritueel vertraagt.
Besluiten dat je niet bang bent en gewoon de weg gaan die je elke dag bewandelt.; de trein op, richting Brussel, een plek waar je ondubbelzinnig van houdt, waar de wonden nog gapen en de troost tekort schiet, om daar te doen wat je elke dag probeert te doen: samen met anderen de rechten bepleiten van mensen op de vlucht.

Het perron is haast verlaten, net als de trein, waar je vandaag niet hoeft te vechten voor een zitplaats. Je weerstaat de ongewenste reflex om de andere passagiers met je ogen te screenen. Je leest kranten, die je niets vertellen omdat alles al lang gezegd was, lang voor het onheil had toegeslagen.

Je raakt voor het eerst van slag bij de aanblik  van zwaar bewapende militairen in het Noordstation. Ze zijn alom en lijken alles te zien. Hun aanwezigheid moet geruststellen, maar doet dat allerminst. Ze belichamen gevaar omdat gevaar hun voornaamste bestaansreden is.
De uitgang die je altijd neemt is afgesloten, dus wandel je een kilometer verder, om het stationsgebouw heen. Je haalt opgelucht adem omdat het permanente en alarmerende geloei van sirenes is verdwenen.
Twee dagen voordien liep je hier samen met 25.000 andere mensen, breed glimlachend, vol hoop en overtuiging dat de bruggen waar we aan bouwden stevig genoeg waren om ons allemaal naar de overkant te brengen. Je weet niet meer waar je die hoop en overtuiging hebt gelaten.
Je koopt een croissant bij je Marokkaanse bakker en wenst de vrouw die je bedient een fijne dag, wat ongepast klinkt zodra je het hebt uitgesproken.

Je opent berichten van onbekenden die je in blokletters toeschreeuwen dat het bloed, de angst, het dodentol de schuld is van 'jouw soort', 'jullie, achterlijke moslimknuffelaars'. Je klikt op delete, zonder verpinken.
Je sleutelt aan een obligaat jaarverslag en aan een tekst met pijnpunten en aanbevelingen inzake huisvesting voor vluchtelingen. Niet dat daar momenteel ook maar iemand interesse voor heeft.
's Middags staan we samen een minuut in stilte voor het kantoorgebouw. Niemand maakt een foto, niemand voelt de behoefte om de wereld te tonen dat we meeleven.

Je weet dat je lang zal moeten aanschuiven bij de ingang van het station, dat je gefouilleerd zal worden. Toch is het daar en dan dat je je koelbloedigheid vergeet en aan het wankelen gaat, dat de tranen hun weg zoeken naar buiten.
Hoe wij daar allemaal staan, gelaten, zonder drommen, en ons zonder bezwaar laten bevoelen, onze tassen laten doorzoeken. Hoe iedereen zwijgt en ondergaat. Alsof we nooit iets anders kenden.

 Alles went, zo luidt het gezegde. Je wenst dat het niet waar is. Je weet dat het niet waar is wanneer je bedenkt dat miljoenen mensen op de vlucht zijn voor terreur, omdat het maar niet wende.
Laat dit nooit wennen, dit verlammende onbehagen, dit gelaten ondergaan van wat onontkoombaar lijkt, deze verslagenheid.
Laat de bruggen steviger blijken dan we vrezen, zodat we allemaal veilig kunnen oversteken.