biekesblog


zaterdag 2 oktober 2021

Hel en heil

 Geen fotobeschrijving beschikbaar.Wie weet nog wie de allereerste winnaar van de helletocht was? De Duitse Josef Fischer reed in 1896 als primus over puin, grind en zand naar de meet van Roubaix. Van kasseien was nog geen sprake. Die kwamen er pas na WOI, om de wegen die door oorlogsgeweld waren vernield accuraat te herstellen. Vandaag staat Parijs-Roubaix synoniem voor het geluid van fietsbanden die oorverdovend luid en aan een verschroeiend tempo over de kasseien dokkeren. Dakadakadakakdaka. Wat dat schudden en denderen met een mensenlijf doet is voer voor urologen en psychologen. Zelfs als je met ongeschonden ballen of vulva aan de finish komt, zien je handpalmen eruit als pastrami. Rauw, rood en aan flarden geschuurd vlees. Kasseien kennen geen genade.

Daar lagen ze dan, schijnbaar achteloos en lukraak, zonder logisch of geometrisch patroon over de aarde uitgestrooid, als vers van de boom gevallen kastanjes. 

Eigenlijk waren ze nooit bedoeld om overheen te fietsen. Waarom zou je fietsen in een landschap dat opgekropte treurnis ademt? Waarom zou je fietsen van aardappel- naar maïsveld onder een ontroostbare heme, terwijl opspattend slijk je huidplooien doet dichtslibben? Waarom zou je fietsen op een plek die enkel herbergzaam is voor traag gelooide landbouwers, boerenpaarden en tractoren?

 

Maar ze wilden het zo graag, meneer. Was het de zwaar beladen geschiedenis van de race of de symboliek van de knoestige kassei die hen zo koppig deed verlangen? Ik denk dat ik weet waarom de vrouwen vandaag zo diep voldaan over de meet kwamen. Een slordige eeuw en een kwart was hen verteld dat hun tere gestel niet gemaakt was voor dit soort exploot. Hun baarmoeders en eileiders zouden imploderen; het voortbestaan van de mensheid zou in gedrang komen als vrouwen zichzelf aan dergelijke zelfkwelling blootstelden. Dat het voor velen “de schoonste want ellendigste koers van het jaar” was deed niet terzake. Vrouwen moest men tegen zichzelf en de elementen beschermen. Niet voor hen zelf, maar voor de goede orde der zaken. 

 

Vandaag zag ik 123 vrouwen aan de start staan van hun allereerste Paris-Roubaix. Onversaagd en opgewonden. Blij vooral, omdat het eindelijk mocht. Opgelucht, trots en geschonden kwamen ze over de finish, alle slijk en rampspoed ten spijt. Lizzie Deignan ging iedereen voor, haar ongeschoeide handen als pastrami, haar stuur bebloed, haar stem wiebelig van emotie. Lizzie had nochtans al vaker een lastige koers gewonnen. Lizzie had jaren gekoerst op het scherp van de snee, en passant een kind gebaard, en was vervolgens teruggekomen om opnieuw te koersen alsof ze nooit was weggeweest. Lizzie had luid en onbevreesd bepleit dat vrouwelijke renners een zwangerschapsverlof verdienen, zoals iedere andere werknemer. Lizzie had haar stem gebruikt wanneer het nodig was. Uitgerekend op deze heugelijk historische dag voor het vrouwenwielrennen sjeesde dappere Lizzie op 81 km van de finish weg, moederziel alleen, blote handen op een schokkend en schuddend stuur, blik op de einder. Dat Lizzie won was van de zuiverste poëtische gerechtigheid.

 

“Hoe ze zich voelde”, vroeg de journalist obligaat. Wist Lizzie veel. Ze had zichzelf net de koershistorie in gefietst; haar handpalmen brandden, en oh wat was ze vuil en moe. Achter Lizzie’s smalle en beproefde rug kwam de ene na de andere beslijkte renster binnen, grijnzend, ongeacht haar ranking. Allemaal wisten ze wat een bijzondere dag het was geweest. Zo’n dag die je nooit meer vergeet, niet zozeer omwille van de schaaf- en andere wonden, de kou en de smerige nattigheid, maar omdat je samen geschiedenis hebt geschreven; omdat er opnieuw een kassei verlegd is, hoe onooglijk en knoestig ook.

woensdag 28 juli 2021

Scharrelkippen

Eieren: scharrel, vrije uitloop, biologisch | Milieu Centraal

Terwijl ik grimassend van de spierpijn na een doodgewone sporttraining voor doodgewone stervelingen van de sofa naar het koffieapparaat sukkelde, begon Wout van Aert aan zijn Olympische tijdrit. De verwachtingen van de natie hingen zwaar en dreigend als onweer in de lucht. Wanneer wij onze olympische dromen de vrije loop laten zijn ze als scharrelkippen. Ze rennen en pikken lukraak in het rond, zonder zichtbare logica.

De vaderlandse sportmedia hadden het bier al koel gezet om de vanzelfsprekende medaille te vieren. Wout moest enkel nog starten en trappen. Eitje, zei de kip.

Niemand die zich afvroeg of je wel de beste kan zijn in een loeizware klimtijdrit nadat je in 4 weken tijd een krachttoer van een Tour de France en een exemplarische olympische wegrit hebt gereden. Sportdromen zijn ballonnetjes van teflon. Vragen en bedenkingen zijn voor later, veel later, wanneer het ei niet gelegd raakt en de ballon openspat met een sisser, wanneer wij verongelijkt naar het resultaat staren, alsof atleten voor ons, en alleen voor ons sporten.


Ontgoochelend, teleurstellend, afknapper. Er bestaan veel woorden voor wat we voelen als sportdromen geen waarheid worden. Het grappige is dat ze nooit onszelf betreffen. Altijd is het de atleet, de prestatie, de omstandigheid die ontgoochelt, teleurstelt, afknapt. Wijzelf zijn de zielige slachtoffers van het onderpresteren, de slappe tactiek, het gebrek aan wilskracht of motivatie, het ondermaatse vormpeil. Arme wij, zielig pruilend op de sofa. Want wij hadden recht op die medaille.


Dat topsporters zichzelf elke dag binnenste buiten keren, van hun gefocuste hoofd tot hun verkrampte tenen, schijnt aan onze aandacht te ontsnappen, verblind door de medaillespiegel.

Zelf vraag ik me permanent af hoe je dat doet, topsporter zijn en niet bezwijken onder de broeierige hoop en de drukkende verwachting, onder je eigen spartaanse leven; hoe je elke dag voor dag en dauw in een stinkend chloorbad kunt liggen zonder je af te vragen waarom; hoe je wekenlang weg van huis op een kale berg kunt zitten, ver van je gezin, om pestcols te vreten alsof het koekjes zijn; hoe je na elke ellendige en pijnlijke blessure weer rechtkrabbelt, je lijf gedeukt, gescheurd, gebroken, en gewoon weer van nul begint; hoe je niet gillend gek wordt van zo’n gepijnigd bestaan.


Wout won geen goud. Zelfs geen zilver of brons. Zesde worden bleek het hoogst haalbare. Wout bleek geen androïde, maar een mens te zijn, een vermoeide mens bovendien. De tank was leeg, het vat was af, het lijf sputterde. 

Daar vonden sommige mensen wat van, en veel bovendien. Want zij waren ontgoocheld, teleurgesteld, afgeknapt op deze povere prestatie. Zo gaat dat met verwachtingen: ze kakelen, maar denken niet. Ze pikken, maar herinneren niet. Ze scharrelen, ook al ligt er nergens nog wat eetbaars.


Ik dacht aan die keer dat de leraar Nederlands “Jij kan beter” op mijn rapport schreef, nadat ik mezelf dagenlang had uitgewrongen boven een blad papier en het beste wat ik daar en dan kon schrijven had neergepend.

“Fuck you”, dacht ik. “Hoe weet jij of ik beter kan? Zat je naast me terwijl ik schreef, schrapte, herschreef en nog meer schrapte, om vervolgens opnieuw te beginnen? Zat je in mijn hoofd, waar de letters en woorden over elkaar buitelden tot ik er duizelig van werd? Denk je dat ik schrijf voor jou, en je ongegeneerde wensen?"


Naar goede gewoonte zocht Wout geen excuses. “Ik kon niet beter.” Waarmee eigenlijk elke discussie beslecht had moeten zijn. Alsof iemand die net drie cruciale Touretappes heeft gewonnen en tweede werd in een slopende Olympische afvalrace zich moet verantwoorden. Wie het allerbeste van zichzelf geeft, die laat je voorts met rust. Die pijnig je niet met je eigen fabuleuze dromen en wensen. Die is jou niets verschuldigd.

zondag 18 juli 2021

Wat als

 Tour de France | Alles wat je moet weten over etappe 21: Mantes-la-Jolie –  Parijs | Wieler Revue

Wat als Primoz Roglic niet op dag drie z’n stuur in dat van Sonny Colbrell had gehaakt om vervolgens als een papieren vliegtuigje ter aarde te storten. Wat als Mathieu van der Poel niet zo nodig wilde mountainbiken en ook daarin zo idioot en zichtbaar goed zijn, en in Frankrijk was gebleven. Wat als Jonas Vingegaard zijn kopman en doelstelling niet op dag drie had zien zinken als een lekke sloep. Wat als het weer in Frankrijk niet zo ontmoedigend guur en klam was geweest, maar het peloton zich doorheen een langgerekte hittegolf van klif naar veldwegel naar col naar boulevard had gesleept.                                                                                                                             

Wat als Richard Carapaz net dat tikje beter z’n best had gedaan om een degelijke tijdrijder te worden. Wat als Mark Cavendish niet als een drenkeling aan boord was gehesen van de blauwe tanker. Wat als Dries Devenyns niet drie weken lang voor Cav had gezorgd als een toegewijde vader voor z’n bedlegerige zieke kind en gewoon voor zichzelf en niemand anders had getrapt.

Wat als Wout van Aert in de modder en het zand van zijn geliefde Kempen was gebleven en niet zo schrikwekkend en splijtend hard over asfalt was beginnen fietsen. Wat als Tadej Pogacar op z’n tiende was gaan voetballen zoals alle andere tienjarige jongetjes.

Wat als iemand op die laatste dag richting Parijs had besloten dat het pas voorbij is op de meet en dat lauwe bubbels slurpen op een racefiets voor boomers is.

 

De koers is als het leven: een bakje fichekaarten met zinloze “wat als?”-vragen. Hoop en verwachting lopen vast in toevallige feiten en stommiteiten. Die ene gemiste bocht of afslag; die ene dag met een jasje te weinig om het lijf; die ene dwaze beslissing of het uitblijven van eender welke beslissing. Achteraf is alles helder als een Alpenbeekje. Waarom en door wiens stomme schuld de dingen liepen zoals ze niet hoorden te lopen; waarom wij toch gelijk hadden in ons flagrante ongelijk: na afloop en met de puinhoop voor ogen lag de plot van bij het begin vast. Zie je wel dat en ik zei het toch en had ik het niet voorspeld.

 

Het einde van een Tour de France is als het opbreken van een scoutskamp. Bij het neerhalen van de tenten, het blussen van de laatste restjes smeulend vuur en het bij elkaar grabbelen van verloren voorwerpen hebben we al heimwee. Verkleumde vingers en zere ledematen worden futiliteiten of kostbare vertelsels wanneer het einde zich presenteert. Zelfs de vervelendste pestkop van de groep krijgt instant vergiffenis wanneer alles onherroepelijk voorbij is.

Het einde van een Tour de France is als de allerlaatste episode van je favoriete feuilleton. Terwijl de eindgeneriek over het scherm schuift mis je de personages al, zelfs de kleurloze en de gemene, de irritante en de overbodige. Je vergeeft de scenarist die paar ongeloofwaardige of al te noodlottige afleveringen. 

 

Wat ik ga missen: het kluwen aan verhaallijnen; de publiek geheime vetes; de kansloze vlucht van de dag die plots niet kansloos blijkt; de suizende geruchtenmolen vol roddels en vermoedens over mechanische en andere doping; de astronomische verwachtingen die de verzamelde koersmedia dagelijks projecteren op het granieten lijf van Wout; José die Bissegger hardnekkig Bissinger blijft noemen, ook na nadrukkelijke correcties van Michel; de geaffecteerde nadruk op de eerste lettergreep van het woord landgenoten in de mond van Michel Wuyts; Renaat die van geestdrift bijna van z’n motor stuitert; vloeken naar hersenloos meehobbelende toeschouwers in een bezwete onderbroek; vruchteloze pogingen om wanhoopstactieken te doorgronden; blij zijn dat de afdaling voorbij is; voorbeschouwen, nabeschouwen, voorbeschouwen op het nabeschouwen; het dagelijkse verheugen op alweer een nieuwe dag vol nieuwe kansen.

 

Het enige mooie aan de laatste etappe van een Tour de France zijn de mondhoeken op elk rennersgezicht, krullend van vreugde, trots, opluchting, of een combinatie van al die dingen, voor het blote oog amper van elkaar te onderscheiden. De foltering is voorbij. De schijnwerpers worden gedoofd. Commentatoren houden hun mond. Ploegleiders brullen niet langer in je oren dat je harder moet trappen of net niet, terwijl het melkzuur uit die getergde oren spuit. Een fris biertje en een pizza ipv een weegschaaltje met eiwitten en koolhydraten. Geen camera’s en microfoons, maar je lief, je vrouw, je kind, je moeder, je vader, je vrienden, je eigen bed die op je wachten. Elke reis leidt uiteindelijk naar huis, naar een thuis waar zelfs een coureur weer gewoon een mens mag worden.

Op is op

Thomas De Gendt tot einde 2022 bij Lotto Soudal | Lotto Soudal

Hij liet het haast achteloos vallen, als iemand die meedeelt dat hij even naar de bakker gaat. Thomas De Gendt was nooit de man van het grote gebaar en de ronkende verklaring. Mensen die hard kunnen fietsen hebben weinig woorden nodig en beperken zich tot het noodzakelijke en feitelijke. "De kans is heel groot dat dit mijn laatste Tour was. Ik heb hier nog weinig te zoeken." Noodzakelijk en feitelijk of niet, mijn hart kromp even samen. Natuurlijk wist ik dat Thomas niet eeuwig zou blijven trappen, zoals schrijvers niet eeuwig blijven schrijven. Vroeg of laat, op een willekeurig en onvoorzien moment is het op. Wat er precies op is, dat is niet altijd duidelijk, maar dat “het” op is staat vast.

Thomas heeft een speciaal plekje in de koerskamer van mijn hart. Geen sterallures, maar laconieke eigenzinnigheid. Geen boodschappenlijst aan zeges, maar een verpletterende manier van winnen. Als Thomas zegevierde, kostte het vingernagels, grijze haren, tranen en sleetplekken in de parketvloer. Zijn laatste en meest ophefmakende solo in de Tour van 2019 jaagde mijn kinderen uit de voortuin naar binnen met het dringende en gegêneerde verzoek om alstublieft en in vredesnaam wat minder luid te roepen voor de buren. 

Renners komen, renners gaan. Het lot van elke renner is een definitieve eindmeet, een laatste eindstand. Nog één keer over de finish bollen en dan is het voorbij. Ik vraag me af hoe je best afstapt na een leven op, door en voor de fiets. Zwierig en vol bravoure, of traag en met zware benen en gedachten; met tegenzin en spijt, of eerder opgelucht na een jong leven vol ijver en streven?

Dat er volgend jaar een Tourpeloton van start gaat zonder Thomas is een gedachte die ik liever uit de weg ga. Maar aan eindigheid valt niet te ontkomen. Niet die van een renner die zijn lijf heeft opgebruikt. Niet die van de Tour die op z’n laatste stramme benen richting Parijs bolt. Niet die van de strijd om een gele trui die ontiegelijk vroeg in een gestreken plooi lag en alle alternatieve uitkomsten van de tafel veegde. 

 

Ook het peloton had last van de nakende eindigheid in de laatste gewone etappe. Wie nog niet scoorde hengelde naar een laatste waterkans. Slechts twintig fortuinlijke ontsnappers konden nog een paar uur dromen van de bloemen. De vluchters hadden mieren in hun broek en serveerden een wilde kermiskoers met 7 demarrages per minuut. Ik werd er een beetje duizelig van. Het was Sloveens kampioen Matej Mohoric die onverbiddelijk een einde maakte aan 19 ijdele dromen. Matej ging solo, zoals Thomas op z’n beste dagen, en snorde gezwind door de tegenwind. “Jammer, niks aan te doen”, zuchtte Jasper Stuyven met een stem die oversloeg van ontgoocheling. Nog twee keer slapen, jongens, en dan is het voorbij.

donderdag 15 juli 2021

Oord van verderf

Voor miljoenen schade na overstromingen in Zwitserland | Bergwijzer

Tot WO I was Pau een mondain kuuroord, waar gegoede Engelsen de gezonde berglucht kwamen opsnuiven. Vandaag staat de stad vooral bekend als een van de vaste pleisterplaatsen van de Tour, die er dit jaar voor de 74ste keer langskwam. Bijzonder glorieus kan je de recente geschiedenis van Pau en de Tour nochtans niet noemen. In mijn herinnering staat Pau garant voor koersellende en commotie.

In 2001 zat Lance Armstrong er oog in oog met een perszaal vol beschuldigende gezichten. In 2007 verliet Alexandr Vinokourov er hals over kop de Tour na een positieve bloedtest. Contador werd er betrapt op clenbuterol in 2010. Frank Schleck moest er het tourpeloton verlaten na een positieve plas in 2012. Wout Van Aert bleef er akelig aan een nadarhek haken in 2019.

Altijd gedoe in Pau. Je zou denken dat de ASO zo’n oord van verderf mijdt als de pest, maar niet dus. Het mocht dan ook niet verrasssen dat de ploeg Bahrain-Victorious in Pau nachtelijk bezoek kreeg van dopingjagers. Dat was immers weer een tijdje geleden. Iemand had de kat de bel aan gebonden en luidop argwaan geuit over de verbluffende prestaties van het team. De bevoegde diensten vertrokken rond 02u am uit het ploeghotel met een stapeltje trainingsdata. Niemand verwacht hier ooit nog iets over te vernemen, tenminste niet voor 2031. Frank Hoste, voormalige groene trui en rijk aan koerskennis, uitte zijn aandoenlijke en heilige geloof in de zuiverheid van het hedendaagse wielrennen. Frank deed me een beetje denken aan de mensen die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid stellen dat noodweer niets te maken heeft met klimaatopwarming. Ongemakkelijke waarheden worden slechts schoorvoetend en met tegenzin geloofd en dringen pas door wanneer de werkelijkheid zich in al haar brute lelijkheid laat voelen.

 

De mist boven Pau deed vermoeden dat het een grauwe dag zou worden, zo’n dag die van de Tour bijzaak maakte. Philippe Gilbert deelde een beeld van zijn overstromende geboortedorp. In de Duitse Eiffel raakten 60 mensen vermist in rampgebied nadat hun dorp werd weggevaagd door wassend water. De coronacijfers bleven stijgen. Mensen verdronken zomaar, zonder verweer. Peter R. De Vries ging toch dood. Even, heel even maar, was ik jaloers op de ploeterende renners in de Tour, in hun keurig afgebakende paralelle universum, waar enkel hard trappen telt en de wereld stopt aan de meet. 

Aan die meet stonden de mama en de papa van Tadej Pogacar blinkend van trots te wachten op hun zoon, voorteken van een demarrage als een onstuitbare overstroming. Veelvraat Tadej pakte alles: geel, wit, bollen en glorie. Nog drie ritten te gaan, waarin enkel rechtop blijven van tel is. 

woensdag 14 juli 2021

Koffieritje

 Geen druk op Vingegaard om podium te halen: 'Tiende worden is ook oké' | NU  - Het laatste nieuws het eerst op NU.nl

Halfweg de laatste tourweek klom het peloton naar het hoogste punt van de Pyreneeën, de col du Portet, een onding op 2215 m boven de zeespiegel, en een nieuweling in de Tour de France. Behalve skiërs en wielertoeristen heeft niemand er wat te zoeken. In normale omstandigheden kijken we in dit soort etappes uit naar een verbeten strijd voor het geel, maar van normale omstandigheden was al 2 weken geen sprake meer. Enkel de groene trui, de bollentrui en de twee resterende podiumplaatsen stonden nog ter discussie. Als kind was ik bovengemiddeld geboeid door de bollentrui, de mooiste en de heldhaftigste van alle truien, met een historie vol ronkende namen als Bartali, Bobet, Coppi, Bahamontes, Gaul en Merckx. Intussen is de glans van de bollen al lang vervaagd door gewiekste en doordachte puntensystemen allerhande. Niet dat Wout Poels het aan z’n hart liet komen. Al dagen knokte Poels voor die begeerde trui, en niets deed vermoeden dat hij die strijd snel zou staken. Ook, of vooral renners die afzien hebben tastbare en haalbare doelen nodig.

Het eerste obstakel van de dag, de Peyresourde, maakte meteen slachtoffers. Wie zonder klimmersbenen aan de start was gekomen was weerloos. Camera’s en commentatoren zoomden in op de vertrokken tronies van paniekerig lossende landgenoten en notabelen, waarna hypotheses en schijnverklaringen in verband met de onderpresterende sukkels volgden. Genade en compassie spelen zelden een hoofdrol in de koersanalyse. Schitteren en bejubeld worden of falen en te pletter storten, iets anders is er niet. Tao Geoghan Hart, de Girowinnaar van vorig jaar, ontbeerde interesse en motivatie. Greg was een schim van zijn gouden zelf. Zo leerden wij. Ik zuchtte luid en louterend. 

Wat betreft het eventuele en vurig gewenste zwakke moment van Tadej Pogacar liet de situatie eveneens te wensen over. Terwijl de meeste renners dubbelgeplooid tussen hun frame hingen met de tong op hun pedalen, huppelde Tadej zonder handen en gezellig keuvelend naar boven, alsof het een koffieritje met de vrienden betrof. Ik vroeg me af hoezeer Tadej zijn minder bedeelde collega’s irriteerde met al zijn sprekend gemak, als het slimste jongetje van de klas dat zonder studeren de hoogste cijfers haalt.

 

Anthony Perez, bij zijn geboorte in een vat aanvalslust gevallen, reed zich de ziel en het snot uit het lijf om de nationale feestdag feestelijk te kleuren, maar kwam van een kale reis thuis. Koninginnenetappes zijn niet bedoeld voor de mindere goden. Zij mogen zichzelf hooguit in de kijker rijden en lijden. Ik keek vol bewondering naar Jonas Vingegaard, een eerder timide jongen met een leeuwenhart, een pitbull in teckelvacht. Jonas vocht, loste, vocht terug, sloot weer aan en reed zichzelf de toekomstvoorspellingen in. Als je geen geel kan winnen zijn er altijd nog harten te veroveren.

dinsdag 13 juli 2021

Voltooid voorwaardelijk

 Tour passeert plek waar Casartelli viel en overleed | Sportnieuws

De 16de etappe van de Tour leidde het peloton over de beruchte col de Portet d’Aspet. De bergpas speelde een belangrijke rol tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de Maquis, de Franse verzetsstrijders, er oorlogsvluchtelingen van divers allooi de grens met Spanje over smokkelden om ze uit de klauwen van de Duitsers te houden. 

Bij wielerfans staat de col vooral en treurig bekend als de plek waar jonge belofte Fabio Casartelli de dood vond. In de voorlaatste afdaling vloog Fabio verschroeiend snel en finaal uit de bocht en belandde hij met zijn jeugdige hoofd tegen een betonblok. Als Fabio een helm had gedragen zou hij wellicht nog leven. Als, als, als. De voltooid voorwaardelijke wijs leidt zelden ergens heen. Pas 8 jaar later zouden coureurs verplicht een helm dragen, een maatregel waar ze initieel tegen protesteerden. Inzicht schrijdt altijd voort, maar doet dat tergend traag.


De noodlottige etappe werd gewonnen door Richard Virenque. Ik herinner me veel te goed met welk gevoel van verdovende verbijstering ik Virenque juichend over de meet zag komen en met bloemen op het podium zag staan. Daar en toen schoot mijn afkeer van Virenque diep en stevig wortel, een weerzin die later gul gevoed zou worden door zijn gehuichel na de Festina-malaise. Vele jaren later, toen mijn Festina-trauma min of meer verwerkt was, zag ik Philippe Gilbert pardoes over een muurtje vliegen in diezelfde afdaling van de col de Portet d’Aspet. Vervloekte col. Vervloekte afdaling.

Koersherinneringen kunnen ook gitzwart zijn.

 

Die ochtend, voor dag en dauw, en lang voor het peloton zich op gang trok voor een pittige Pyreneeënetappe, zette Education First-prof Lachlan Morton een punt achter zijn eigenzinnige expeditie. Na 18 dagen, 220 uren en 5510 km, reed Morton solo, op sletsen, maar mét helm de Champs Elysées op, met 415.000 euro op zak voor World Bicycle Relief, een organisatie die fietsen doneert aan plattelandsgemeenschappen in ontwikkelingslanden. Lachlan wond er geen doekjes om en gaf grif toe dat het verdomd lastig en bij momenten hels was geweest. Mijn bewondering voor Lachlan Morton was omgekeerd evenredig met mijn hardnekkig overlevende weerzin jegens Richard Virenque. Een paar uur later zou ik Lachlan nochtans vurig verwensen omwille van de impulsieve aankoop van een vederlichte, maar dure fietstrekkingtent. Mensen inspireren is mooi, maar je moet daar niet in overdrijven.

 

De noodlottige Port d’Aspet hulde zich voor de gelegenheid in mist en regen. Voorts zagen wij vooral een vrij saaie overgangsetappe, een mening die altijd makkelijk te bezigen valt vanop de sofa. Het kon Patrick Konrad niet deren. Een beetje Oostenrijker deinst niet terug voor wat herfstweer. Patrick had nog nooit een touretappe achter z’n naam geschreven en wist op een paar kilometer van de finish dat het binnen was. Hij ritste z’n truitje dicht, beet op z’n onderlip en greep met beide handen naar z’n ongelovige, maar veilig gehelmde hoofd. Zou Patrick vandaag aan Fabio en zijn broze hoofd hebben gedacht?

maandag 12 juli 2021

Feest

 Honran a Gino Bartali | Excelencias del Motor

Voetbal kwam niet thuis, maar zocht zonniger en gastronomisch verfijnder oorden op. Feest in Italië, woede en rouw in Engeland. Ontgoocheling hoort bij sport als regen bij Belgische kwakkelzomers. Nergens schurken euforie en ellende zo ongemakkelijk tegen elkaar aan als langs een voetbalveld. Niet dat er in andere sporten niet glorieus gewonnen, meedogenloos verloren en sporadisch vurig gehaat wordt. 

Al valt het met die haat wel mee. Om een of andere reden slagen koersfans erin hun ontgoocheling toe te dekken onder een deken van relativiteit. Zelfs wanneer ze stomdronken een col oprennen in een pandapak of een fluogroene string, komen ze niet op het onzalige idee om elkaar verrot te meppen. Ook op een hoogdag als de Ronde van Vlaanderen wordt de Oude Kwaremont geen strijdtoneel waar gebikkeld wordt om een plekje. Toch was ook de koers niet altijd een feest.

 

Totalitaire leiders als Mussolini, en later Hitler, wisten decennia geleden al dat sport, en voetbal in het bijzonder, een prima instrument was om mensen te verenigen tegen een collectieve vijand. Mussolini was geen groot voetbalfan, maar slim genoeg om in te zien dat de sport veel meer dan een spel was voor haar fans. Een triomferend Italiaans elftal was het middel bij uitstek om de superioriteit van de fascistische Italiaanse staat te propageren. Met de wielersport had Il Duce het veel minder hoog op. Voetbalwedstrijden vereerde hij met zijn aanwezigheid, maar de start of het slot van de Giro woonde hij nooit bij. Hij zou als student zelfs ooit spijkers hebben gestrooid op het parcours, als protest tegen een sport die volgens hem ‘symbool stond voor armoezaaiers en een levensstandaard van het verleden’. 

De wielrennerij stond al stevig op poten voor het fascisme er een vinger in de polenta kreeg. De sport was ook ongeschikt voor de nationalistische doelstellingen van Mussolini’s sportbeleid. Het was een volkse en vuile sport, met laaggeschoolde atleten en vooral regonale sympathieën. Renners waren geen gracieuze atleten, maar ruwe en bonkige kerels zonder groepsdiscipline en vooral eigenbelang voor ogen. Toch werd ook de wielersport uiteindelijk ingeschakeld ter meerdere eer en glorie van het land. Gino Bartali werd in 1938 zorgvuldig klaargestoomd om de Tour de France te winnen. Bartali zegevierde, met 20 minuten voorsprong op de Belg Félicien Vervaecke. Toch bleek vrome Gino niet zo’n gewillig instrument van het fascisme. Tijdens de tweede wereldoorlog bood Bartali in het geheim hulp aan 800 vervolgde Joden die ondergedoken zaten in een klooster in Assisi, een daad van verzet waarvoor hij werd opgepakt en gefolterd.

In 1948 verscheen Bartali voor het eerst weer aan de start van de Ronde van Frankrijk. 10 jaar na zijn eeerste overwinning won hij zijn tweede Tour. Volgens de verhalen had de Italiaanse president Enaudi Bartali gesmeekt de Tour te winnen om de eenheid en de lieve vrede in revolutionair Italië te herstellen.  

Twee jaar later leek Bartali op weg naar z’n derde Tourzege, tot de beklimming van de Col d’Aspin, waar hij door Franse koersfans werd aangevallen. Uit protest verlieten de twee Italiaanse teams de Tour. Ook de rechtmatige derde gele trui van Gino Bartali kwam niet naar huis.

lichte gedachten

 birds flying during day photo – Free Blue Image on Unsplash

Andorra wordt beschouwd als het laatste resterende gebied van de Marca Hispanica, de bufferstaten die werden gesticht door Karel de Grote. Volgens de overlevering schonk Karel de Grote het Andorrese volk in 805 een stuk onhergbergzaam land in ruil voor hun strijd tegen de Moren. 

Drie cols van eerste categorie en een duizelingwekkende afdaling richting finish in Andorra La Vella, de hoofdstad van het kleine prinsdom, luidden het laatste en zwaarste klimgedeelte van de Tour in. Klimmen is in theorie een eenvoudige taak. Je moet gewoon weerstand overwinnen: rolweerstand, luchtweerstand, mechanische weerstand en uiteraard zwaartekracht. Om al die factoren te bezweren kan je twee dingen doen: minder wegen en harder trappen. 

Klimcoach Andy Applegate voegt daar nog wat mentale hocuspocus aan toe, een techniek die wel eens Qigong-klimmen wordt genoemd, en die positief denken combineert met onspanning. Als de voet van de col nadert, moet je focussen op “lichte” gedachten: wolken, vogels, vlinders, … eender welke fladderende visualisering die je geest verlicht, zo luidt het advies. Persoonlijk ben ik er nog nooit in geslaagd dit schijnbaar eenvoudige trucje toe te passen. Mijn geest raakt niet verlicht maar bezwaard wanneer ik omhoog fiets. Mijn enige wens is dat het zo snel mogelijk bergafwaarts gaat.

Nieuwsgierig scande ik de koppen van de renners voorin, op zoek naar eventuele signalen van lichte gedachten. Ik zag niets dat in die richting wees, maar wie weet wat een klimmende coureur denkt? Denken klimmende coureurs überhaupt? De enige wielrenner die nooit lijkt te lijden tijdens het klimmen, en die ik durf verdenken van lichtheid in het hoofd, heet Anna van der Breggen; diezelfde Anna die net met verbluffend gemak en vederlicht pedallerend haar laatste Giro Donne had gewonnen, zoals in de sterren geschreven stond. Ik baalde van de gedachte dat Anna er niet bij zou zijn in de eerste Tour de France voor vrouwen sinds mensenheugenis.

Er waren er nog die baalden, zij het om andere redenen. De sprinters piepten, kreunden en hapten naar adem achterin de staart van het klimmende en slingerende peloton, duidelijk niet geholpen door lichte gedachten, en al evenmin door de vileine tegenwind. Boasson Hagen zwabberde moederziel alleen achter de feiten aan, op 10 minuten van de gruppetto. 

Vooraan schudde Nairo Quintana wijfelend van nee terwijl van Aert zich in de sprint voor de bollentrui smeet. Ook Nairo leek niet aangestuurd door lichte gedachten, maar herpakte gewoon zijn moed en verbetenheid. Achterin de kopgroep vielen ze druppelend uit de hemel. Sep Kuss, die mijn hart stal door z’n eerste etappe in een grote ronde al highfivend te winnen, zag z’n momentum en vertrok. Bijna niemand klimt lichter en mooier dan Sep Kuss die z’n dagje heeft.

Wout van Aert zette z’n multifuncionaliteit vet in de glimmende lakverf door bergpunten te sprokkelen, de ploegbevoorrading op zich te nemen, het tempo in de vlucht te leiden, z’n ploegmaat Kuss in de lift naar de zege te nestelen en zich te laten uitzakken om kopman Vingegaard bij te staan. Terwijl teflon leider Pogacar alles alleen opknapte, zonder zichtbare schade, was Wout een veelkoppige ploeg in één massief lijf. Als je Wout van Aert heet heb je geen lichte gedachten nodig.

Schandpaal

 Aan de schandpaal!' – Schandpalen in de geschiedenis | Historiek

Dag 14. Nog 154 renners over van de 184. Vlakke rit. Vroege vlucht. Keuvelend peloton. Anecdotes en historiek. Panorama’s vol glooiende velden. Transfergeruchten. Contractverlengingen. Het record van Eddy. De dagschotel van José. La cité de Carcassonne. Kijkers die morren over ondraaglijke monotonie. Geeuwen, indommelen en bij het wakker worden vaststellen dat er niets is gebeurd. Van zoveel verdovende gemoedelijkheid komt altijd heibel. De schandpaal bijvoorbeeld, die vroeg of laat wordt opgesteld voor de ongelukkigen die nog geen platte prijs hebben gereden, erger nog, die niet eens in de buurt zijn gekomen van eender welke troostprijs.

Ploegleiders werden streng ondervraagd over de oorzaken van het collectieve en schandelijke falen. Renners werden onomwonden gepeild naar hun noodzakelijke offensieve intenties. Wonderlijk genoeg bleven alle ondervraagden vriendelijk en beleefd, en snauwde niemand “doe het dan zelf”.

In de ploegwagen van Total Energie werd dan weer misnoegd gesnoven over een van hun renners de zich al te aanvallend toonde. Frontsoldaat Pierre Latour bleek de ploegorders te hebben genegeerd door mee te glippen in de vlucht, in plaats van de honneurs van de dag aan zijn ploeggenoot Turgis te laten zoals dat afgesproken was. Dan zit je fluks en alert voorin, is het ook weer niet goed.

 

Wat doe je als coureur met 220 oervervelende vlakke kilometers voor de boeg? Wegglippen en de hele dag ploeteren om op 50 km van de finish opgeraapt te worden, of je stierlijk vervelen in een lijdzaam peloton? De pest of de cholera?

Net toen ik dacht dat ik evengoed een boek kon lezen of de hond kon uitlaten dook er een kluitje renners pardoes de afgrond in. Een niet gesignaliseerde wegversmalling bleek de boosdoener. Niet het soort animatie waarop ik had gehoopt. Tim Declercq, de grote vriendelijke reus, bleef wat verdoofd op de grond zitten, terwijl de ene na de andere renner bloedend uit de braamstruiken werd geplukt. Niemand wachtte op Tim, die altijd op iedereen wacht. Het stuitend onrechtvaardige lot van de domestique. 

 

Nog 151 renners in koers. Een riskant bochtige afdaling, vol putten, stenen en gaten. Renaat die kukelend gunstige wind en waaierkans aankondigde. “Als ze willen, dan kan het. Maar ze moeten willen.”

Zelf wilde ik alleen maar dat iedereen recht bleef, vooral Wout, met de Olympische Spelen in het vooruitzicht.

Er viel niet op te sprinten tegen de snelste riksja van de wereld, Michael Mørkøv. Een groene splinterbom, het kletterende geluid van een sneuvelend record, de verholen teleurstelling in de stem van Michel. “Always use your head”, zei Cav, die stellig beweerde niet wakker te liggen van records. Ik geloofde hem nog ook.