biekesblog


maandag 19 oktober 2020

Stuiptrekking

 


Zelden keek ik meer uit naar een koers dan naar deze Ronde van Vlaanderen. Natuurlijk omdat het een van de meest slopende koersen ter wereld is; uiteraard omdat we in april verweesd achterbleven zonder Ronde; ook omdat er geen Parijs-Roubaix in het verschiet lag, maar bovenal omdat dit bizarre koersseizoen gestaag ten einde loopt en het onvermijdelijke zwarte gat ons gemeen toegaapt, uitgerekend nu, wanneer zelfs de kerstdis ons niet gegund lijkt.

Terwijl de ene koers na de andere cross werd afgelast deden de organisatoren van de Ronde onverstoorbaar en vol vertrouwen al wat ze konden om koersfanaten een historische dag te bezorgen. Het leverde bevreemdende beelden op, van een lege Oude Kwaremont en een verlaten Paterberg, zonder geestdriftige massa en opzwepend gejuich. 

De renners lieten het niet aan hun hart komen en koersten als nieuwelingen, alsof elke kilometer de laatste van hun leven kon zijn. Sommige dingen verliepen zoals ze in een Ronde van Vlaanderen horen te verlopen: Sep viel en sukkelde met z’n fiets, ondanks de grote Sepkaars die ik elk jaar in april aansteek omdat Sep Vanmarcke een kasseiklassieker verdient. Maar koersgoden zijn gevoelloos voor dat soort sentiment.

 

En toen voltrok zich een droomscenario, een soort script waarvan een kniesoor zou zeuren dat het te voorspelbaar was. Zo kwam het dat de drie beste eendagsrenners ter wereld de rest meedogenloos achterlieten en het thuisfront zenuwachtig heen en weer deden schuifelen. Iedereen had het gehoopt en roekeloos voorspeld, maar als het echt gebeurt is het een cadeautje op een willekeurige dag. Daar gingen ze, de blinkende wereldkampioen en de twee crossers die de cross overstegen. Debutant Julian Alaphilippe huppelde op zijn pedalen als een reebok in de lente, leek amper te ademen op de Vlaamse hellingen. Het pleit leek al bijna beslecht, als frisheid en gretigheid argumenten waren.

En toen was daar die motor, die om godweetwelke reden langs de kant van de weg stond, die Juju in al zijn verhakkelde attentie niet had gezien. Kwak en smak deed de wereldkampioen. En dat het pijn deed, zo bleek uit zijn jammerlijke geschreeuw. De twee aartsrivalen tegen wil en dank keken om, namen de schade op en reden zonder aarzelen verder. De koers wacht nooit, ook niet op wereldkampioenen.

 

Ik wist meteen dat niemand hen terug zou halen; niet die twee pitbulls, opgetrokken uit graniet en het soort hardnekkigheid dat makkelijk te verwarren valt met overmoed. We kregen het Duel waar we op hadden gewacht en dat we niet mooier hadden kunnen fantaseren. Van Aert en van der Poel raakten niet van elkaar af en hadden daar vrede mee. De Minderbroedersstraat lag geduldig en in stilte te wachten op hun denderende doorkomst. Ik kon het niet laten me deze triomftocht voor te stellen tussen joelende en geestdriftige fans, doorheen een tunnel van oorverdovende koersliefde. Nu bleef het wonderlijk stil, op de wilde vreugdekreten van ‘Matje’ aan de meet na. Een mooiere ultieme stuiptrekking had dit wild geshakete koersseizoen niet kunnen opleveren. 

dinsdag 13 oktober 2020

In de coulissen

 


Op zondag 25 oktober had ik met mijn rubberlaarzen in een godverlaten Noordfrans aardappelveld willen staan, mijn ogen op een gegeseld peloton vol dokkerende, lijdende, zwalpende, vallende, vloekende coureurs. Het mag niet zijn. De mooiste koers van het jaar werd voor de tweede keer dit jaar afgelast. Ik was goddank alleen thuis toen ik het nieuws vernam, zodat ik zonder didactische bezwaren kon vloeken. Geen bos van Wallers, geen Mons-en-Pévèle, geen Carrefour de l’Arbre. Geen vergane glorie van de Vélodrome André Pétrieux. Geen beslijkte of bestofte tronies. Geen renners met ontstoken teelballen van het gerammel en gedreun over schots en scheef neergekwakte kasseien.

Gelukkig was er Gent-Wevelgem, de koers die al jaren in Deinze en sinds dit jaar in Ieper start, maar geen Gentenaar die daar moeilijk over doet. Gelukkig was er herfstig weer voorspeld, met wind, regen en beslijkte wegen vol smurrie en gevallen bladeren op en rond de Kemmelberg.

De koers moest zich ontvouwen als een duel tussen meestercrossers van Aert en van der Poel, ridders in de orde van het modderspoor. De ene moest niets meer want had al bijna alles gewonnen dit jaar, de andere had zich na een lastige aanloop opnieuw haast onklopbaar getoond. Genoeg redenen om de hypothese van de derde hond en het been wijselijk in het achterhoofd te houden.

In een elitegroepje van robuuste reuzen gluurde iedereen halvelings naar de gedoodverfde winnaars, en die twee alleen naar elkaar. Dus won iemand anders. Goeie benen zijn leuk, maar je wint er niet per se de koers mee. Ik vloekte onwelvoeglijk luid terwijl Mads Pedersen zijn medevluchters aftroefde in de sprint en Dylan Teuns als een verdwaald roodborstje achter een vlucht valken kwam aangefladderd, alsof hij zich van koers vergist had. 

Wout flapte z’n ontgoocheling eruit als een gulpje braaksel. Na 230 kilometer aan een rotvaart in het zadel zegt een mens al eens iets dat hij achteraf bekeken liever voor zichzelf had gehouden. Wielercommentatoren en -analysten sprongen op de quote als aasgieren op een vers en mals kadaver. De invasie van Nederland door woeste Vlamen met fakkels en rieken leek nabij. 

 

Ironisch genoeg was het uitgerekend bij de vrouwen, waar het al jaren steevast Nederland boven is, dat twee Belgische vrouwen vochten tot op de meet. Tactisch spel, sprinten op de snee en Dhoore die Kopecky klopte met een bandlengte. Ik hoopte dat alle meisjes die twijfelden om op een koersfiets te stappen goed gekeken hadden.

 

Voorts ging mijn aandacht zoals wel vaker naar de coulissen van de koers, waar soms de mooiste strijd wordt geleverd. Daar stond Marc Cavendish, die geen blijf wist met zijn emoties. Cav reed z’n laatste loodjes, na twee jaar zonder prijs. De man met 30 Touretappes, 48 grote ronde-etappes, drie puntentruien een een regenboogtrui op z’n palmarès, keek vandaag het einde van z’n loopbaan in de ogen en huilde om wat geweest was en om wat nooit meer zou komen.

 

Maar ik dacht vooral aan Griet Langedock, de vrouw achter de koers. Brandweervrouw, koersorganisator, moeder, onvermoeibaar lid van de commissie vrouwenwielrennen, en nu vooral ongeneeslijk ziek, een feit waar ze geen spel van maakt. Terwijl de analysten en andere tisten hun uiterste best deden om van 5 minuten frustratie een vete te maken omdat conflict een lucratief verdienmodel is, juichte ik voor Griet, die een prachtige koers georganiseerd, verdiend en in stilte gewonnen had. 

maandag 5 oktober 2020

Ogen te kort

 


Een beetje koersgek komt nergens aan toe in dit krankzinnige, samengebalde seizoen. Elke dag is er ergens koers. Elke dag valt er nog zoveel te verlangen. De was blijft liggen. Maaltijden blinken uit in eenvoud. Stofnesten dwarrelen vrijelijk door het huis. De kinderen houden zich in relatieve stilte bezig. Wanneer de avond valt zijn onze ogen moe van het kijken en registreren.

Het week-end kondigde zich aan als één langgerekt en uitputtend koersfeest. Ik noteerde start- en finishtijden van de laatste etappe van de BinckBank Tour, de proloog van de Giro, La Doyenne voor vrouwen en mannen en installeerde mijn laptop naast het tv-scherm, kwestie van niets te missen. Onzin, aangezien je sowieso altijd vanalles mist. De vrouwen startten zo ontieglijk vroeg dat ik nog aan het ontbijt zat terwijl Lizzie Deignan ontsnapte. Terwijl de wereldkampioen tijdrijden naar de zege brommerde kregen we reclame voor deodorant. Bovendien bleek het lastig focussen op de chrono in Italië, terwijl Mathieu van der Poel zichzelf succesvol uitperste op de muur van Geraardsbergen, als een fris limoentje boven een mojito.

Net zoals het niet lukte om tegelijkertijd ‘Hup Thomas!’ en ‘Oh nee!’ te roepen terwijl De Gendt lustig voor het Giropeloton uitreed en Greg Van Avermaet tussen Luik en Bastogne iets deed wat hij hoogst zelden doet: vallen. De man die altijd als een blok gewapend beton op z’n fiets blijft zitten, knalde op een verdoken verkeerseiland en brak drie ribben en verrekte z’n schouder, terwijl zijn speeltijd in Vlaanderen nog moest komen. Om je gouden helm van op te eten.

 

Nog geen kwartier later stapte het gedoodverfde witte konijn van de Giro van z’n fiets. Alexander Vlasov, door iedereen getipt als dé renner om in de gaten te houden, had last van maagproblemen. Wonderlijk hoe renners kunnen trappen met gebroken knieschijven en schouderbladen, maar grauwe dweiltjes worden als hun maag het begeeft.

 

Zekerheden zijn schaars geworden. Snotneuzen verschansen gevestigde waarden. Renners die niet gebouwd zijn om bergop te rijden bestormen hellingen als hemelbestormers. Alles en iedereen is in de war. Zelfs wereldkampioenen verliezen hun aplomb.

Julian Alaphilippe, voorts een geweldige coureur, zwalpte over de weg als een wielertoerist die een café te veel aandeed op zijn zondagse rondje, en bracht zijn collega’s topfavorieten Pogacar en Hirschi van hun stuk. Het was niet met opzet, maar wel erg dom. Nog dommer was het zegegebaar waarmee hij over de meet kwam terwijl hij langs rechts werd ingehaald door een foutloos sprintende Primoz Roglic, de Tourverliezer die een week geleden de kop van jut was in Vlaanderen omdat hij “onze Wout” niet aan de regenboogtrui had geholpen. Dat hij niet beter kon en zichzelf compleet had leeggereden had de gemoederen niet kunnen bedaren. Primoz was aangeschoten wild.

 

Ik hoorde Primoz een “onorthodoxe winnaar” noemen door twee commentatoren die in een parallel universum meeleefden met “die arme Alaphilippe” en zapte weg. De brede grijns op mijn mond was niet weg te zappen. Poëtische rechtvaardigheid voelt heerlijker dan nijd.

Best Goed

 


Wereldkampioenschappen zijn snoepgoed voor wie van podiumceremonies houdt: de nationale hymnes, van bombastisch tot ingetogen, de blinkende medailles, de opwellende tranen. Dat sommige landen in de wielersport geen schijn van kans maken is bijzaak. Fier meedoen is wat telt. 

De eerste drie dagen van deze editie hielden zich vrij keurig aan de afgesproken verwachtingen. Of toch bijna. Dat Chloe Dygert met tijdritfiets en al over de reling de diepte in zou duiken was niet voorzien. De affreuze jaap in haar been had ik dan weer liever niet gezien. Terwijl Chloe in een ziekenhuisbed machteloos toekeek, trapte Anna van der Breggen koelbloedig, ritmisch en als gebeeldhouwd door een adembenemend landschap naar het hoogste schavot. Niemand had ooit mooier op een fiets gezeten. Na afloop van haar dubbele krachttoer vertelde Anna dat haar seizoen “best goed” was. Best goed betekent soms buitengewoon, maar om dat te begrijpen moet je de taal spreken. Vreugde is niet altijd uitbundig. Ooit breide de oma van Anna fietshandschoentjes voor haar met regenboogstrepen. Anna is een godenkind in de gedaante van het bescheiden buurmeisje. Excentrieker dan een paar handgebreide regenbooghandschoentjes zie je haar nooit.

 

Ons eigen godenkind reed op vrijdag een “best goede” tijdrit. Niet goed genoeg voor goud, maar wel buitengewoon voor iemand die net drie weken bergop en aan een belachelijk tempo door Frankrijk had gebanjerd.

Gedoodverfde winnaars kunnen alleen maar verliezen. Zo knuffelen wij onze helden dood: we versmachten hen met ons verlangen. Wout moest alleen maar starten om met die gouden plak en die begeerde trui naar huis te gaan, zo leek het. Het was alsof er geen dozijn andere pretendanten met hem meefietsten; alsof de rest van het peloton bestond uit gepensioneerde kermiscoureurs en wielertoeristen met twee dubbele Westmalles in hun kraag.

 

De werkelijkheid slaat altijd toe wanneer je even niet op haar let. Alles ging zoals verwacht: van “iedereen bondscoach” tot de gouden benen van Wout, die amper leek te ademen. Het zag er belachelijk perfect uit. Terwijl Van Avermaet en Benoot een masterclass geolied ploegwerk gaven, sprong Julian Alfaphilippe weg. Ik wist meteen dat het kalf verdronken, de vogel gaan vliegen, de beer geschoten was. 

 

Teleurstelling zoekt altijd een schuldige, deze keer in de voor de hand liggende gedaante van Primoz Roglic, die drie weken lang met Wout z’n wonderlijke hartslag en z’n superbenen had mogen rondrijden, en hier een gedroomde kans liet liggen om zich eindelijk populair te maken in het meest koersgekke land van de wereld. 

De ogen en de stem van Wout voelden zwaar van ontgoocheling, net als de avondlucht boven het land. Kampioenen horen te balen als ze tweede worden. Diplomatisch en vergevingsgezind hoeven ze niet te zijn, maar als ze het kunnen opbrengen siert het hen des te meer.

zondag 20 september 2020

Nog één keer


Die ochtend werd Primoz wakker als een kind op z’n verjaardag. De gele fiets. De kratjes champagne. De speech. De cadeautjes voor de ploegmaats. Alles lag klaar. Aan alles was gedacht. Het zou de mooiste dag worden van zijn leven. Zo’n dag waar hij later met fonkelogen aan zou terugdenken. Het zou alle moeite, alle pijn, alle schaafwonden, al die maanden ver van huis, ver weg van vrouw en kind waard zijn geweest. Hij moest alleen nog één keer heel hard fietsen. Nog één keer door de pijnmuur trappen. Daarna was het voorbij. Daarna was het feest. En wat een feest zou het zijn. 

Tien uur later valt Primoz op de grond als een bundeltje vuile was. Hij is alleen nog pijn. Twee benen, een hoofd en een hart vol krampen. Hij staart naar het asfalt. Naar boven kijken kan hij niet, want daar zijn ogen vol ongeloof en teleurstelling, ogen waar hij niet in wil kijken. Wat doet hij hier? Waarom ligt hij hier, op deze ruwe, kille weg? Hoe moet hij ooit weer rechtstaan? Primoz is omver geblazen, als een vogeljong door een orkaan waar geen enkele weerkundige voor had gewaarschuwd.

 

Even later beantwoordt hij vragen, domme vragen, zinloze vragen, harde vragen, vragen waarop geen juiste antwoorden te verzinnen vallen. Zijn ogen zijn rood van het huilen, maar het rouwen moet wachten. Hij feliciteert de orkaan. Hij bedankt zijn toegewijde team. Hij zegt sorry, alsof hij stout geweest is. Vandaag is de donkerste dag van zijn leven.

 

Die ochtend werd Tadej wakker als een kind op z’n verjaardag. De gele fiets. De kratjes champagne. De speech. De cadeautjes voor z’n ploegmaats. Hij had ze allemaal gezien in z’n dromen. Het kon de mooiste dag worden van z’n leven. Zo’n dag waar hij later met fonkelogen aan zou terugdenken. Het zou alle moeite, alle pijn, alle schaafwonden, al die maanden ver weg van huis waard zijn geweest. Hij moest alleen nog één keer heel hard fietsen. Nog één keer door de pijnmuur trappen. Daarna was het voorbij. Daarna was het feest. En wat een feest zou het zijn.

 

Tien uur later rijdt Tadej over de meet als een komeet. Het zou kunnen dat hij pijn heeft, maar die voelt hij niet. Hij weet dat hij iets ongelooflijks heeft gedaan. Hij ziet het aan de ogen, die naar hem kijken als naar een goddelijke verschijning. Hij hoort het aan het gejuich. Bijna vergeet hij zelf te juichen. Ooit, toen hij een kleine jongen was, droomde hij ervan de Tour de France te rijden. Vandaag heeft hij de Tour de France gewonnen. Hij heeft iedereen omver geblazen, als een orkaan. Vandaag is de mooiste dag van zijn leven.

 

59 seconden tussen alles verliezen, en winnen omdat je niets te verliezen hebt. 59 seconden tussen peilloos verdriet en euforie. Koers is ombarmhartig. Koers is prachtig.

vrijdag 18 september 2020

Laatste kansen

 


Ooit slikte ik nietsvermoedend een wesp in. Nu vond ik wespen altijd al rotbeesten, maar sinds die keer, toen ik nipt aan de verstikkingsdood ontsnapte, haat ik ze met vuur. Lucas Pöstlberger kreeg zo’n rotbeest in z’n mond. Heb je wekenlang half Frankrijk doorgekacheld, en dan word je met de verlossing in zicht uitgeschakeld door een insect. Lucas, nochtans geen pannenkoek, ging langs de kant van de weg liggen, truitje wijd open, alsof hij daar ter plekke wilde sterven.

Terwijl Lucas gered werd, stoomde Rémi Cavagna, een renner die net zo goed een bokser zou kunnen zijn, als een kanonskogel rechtdoor. Het mocht niet van de ploegleider, maar Rémi deed alsof hij dat niet gehoord had en zijn exploot enige kans op slagen had. Rémi deed me denken aan de drummer van de band, die halverwege het bisnummer een veel te lange solo mept, terwijl de manager in de coulissen met z’n ogen rolt.

 

Mijn focus gleed weg, weg van Lucas en Rémi, richting tijdrit. Een rit waar ik bovengemiddeld naar uitkeek. Veel mensen vinden tijdrijden niet boeiend, naar het schijnt. Daar begrijp ik weinig van. Tijdrijden is poëzie van de zuiverste soort, wiskundig en ritmisch als een rijmenvers, als een sonate van Bach. 

Ik blijf kinderlijk verwonderd wanneer een renner en zijn fiets een gestroomlijnd hybride wezen worden: hoofd, hart en benen in perfecte harmonie, blik op oneindig en nog verder. 

In een tijdrit is geen plaats voor clementie. Elke vergissing, elke zwieper, elk moment van zwakte wordt onmiddellijk afgestraft. Wie alleen tegen zichzelf en de elementen rijdt vindt geen plaats om zich te verstoppen; niet achter de brede schouders van de domestique, niet in de buik van het peloton, niet achterin de bus. Van anonimiteit kan geen sprake zijn. De harken en de ploegen worden onverbiddellijk onderscheiden van de geoliede machines.

 

Zo’n thriller als in 1989 zou het vast niet worden, maar ik rekende op de laatste restjes krachten, op zorgvuldig opgespaarde reserves. Een mens kan vaak wat meer als het einde van een marteling nabij is. 

Die steile strook op la Planche des Belles Filles zou verschrikkelijk veel pijn doen. Ik keek schaamteloos uit naar opengesperde monden en doffe blikken. Ik verheugde me erop renners na afloop van de beproeving trillend van hun fiets te zien vallen, als dooie mussen op het asfalt. 

 

Terwijl ik me zat te verheugen reed Søren Kragh Andersen gewiekst weg van een foeterend groepje vol vermoeide laatste kansen, waaronder een paar Belgen. Stiekem hoop ik dat die andere veelbesproken Belg, met benen van titanium en een onvermoeibaar leeuwenhart, ons morgen nog een eresaluut gunt. Het einde kroont het werk.

Zwerfafval

 


Er lijkt geen einde te komen aan de opwaartse lijn van deze Tour. Als hemelbestormers klimmen, stijgen, klauteren de renners omhoog, altijd maar omhoog, alsof er geen horizon bestaat.

 

Op de eerste klim van de dag verliest Sam Bennett zijn greep op een voorspoedige uitkomst. Als een gevallen klimmer aan een touw boven een ravijn bungelt hij aan de grupetto. Hopelijk hijst iemand hem naar boven.

André Greipel, de vriendelijkste sprinter uit de koersgeschiedenis, stapt af ergens halverwege een berg. Hij vraagt zich af wat hij daar doet. Iedereen vraagt zich af wat André daar doet. Misschien vragen wel meer renners zich vandaag af wat ze daar doen.

Thomas De Gendt vraagt zich niets af, maar trapt, alsof de vorige 2800 km zuiver ter opwarming waren, alsof hij alleen op de wereld is. Op de flanken naar het plateau des Glières zullen zijn reisgezellen hem achterlaten. Dat geeft niet. Thomas is een eenzaat.

 

Het lichtpunt aan het einde van de tunnel omhoog is Isaac Newton. “Alles wat omhooggaat, komt ook weer naar beneden”. Na klimmen volgt dalen.

Ik hou niet van dalen, vooral niet van dalende reners. Sommigen dalen zoals een slechtvalk naar z’n prooi duikt; anderen als een wiebelend hertenjong dat z’n eerste stapjes zet. In beide gevallen zie ik het niet graag, maar kijk ik toch, zoals mensen likkebaardend een dubbele steak béarnaise bestellen terwijl ze denken aan de impact van de veeteelt op het klimaat.

Marc Hirschi is een slechtvalk, maar ook slechtvalken hebben wel eens een mindere dag, zo’n dag waarop de prooi hen net ontglipt. Ik zie Marc vallen en kijk weg. Wanneer ik weer durf kijken zit hij terug op z’n fiets en werpt zich met dezelfde doodverachting naar beneden, met één ontvelde linkerarm en een vuile broek. De slechtvalk is alleen. De prooi is weg.

 

En dan is het tijd. In de achterhoede worden uitgewrongen renners als hoopjes zwerfafval langs de weg gedropt. Wout hapt ze weg als Pac-Man en bestormt het gravelpad alsof daar een leven te redden valt. Die arme Richie Porte, tot op dit moment op wonderbaarlijke wijze gespaard van zijn gebruikelijke pech, rijdt lek. 

De man in het geel raast als een stormram naar voren, waar nog volk op te rapen valt, rakelings langs een ereteken voor gesneuvelde verzetsstrijders. Hier en nu is elk verzet dapper, maar zinloos, fluistert hij in het oor van z’n jonge vijandelijke vriend en landgenoot. Voorin overleggen twee Grenadiers over wie de bloemen krijgt. De meesterknecht mag voorgaan, een mooi en wijs besluit na zoveel labeur.

 

Als het stof is gaan liggen en de prijzen zijn verdeeld ruist een vermoeide zucht van verlichting door de Alpen. Iedereen leeft nog. Parijs lijkt plots niet meer zo ver.

donderdag 17 september 2020

Klotecol

 


De aankondigingen, verkenningen en previews van de zeventiende etappe klonken even apocalyptisch als de covid-berichtgeving. Ik hoopte dat de renners die hun best deden om goedgeluimd op de fiets te stappen geen wielersites en kranten lazen. “Monsterlijk”, “overdreven”, “brutaal”, “extreem”, “slopend”, orakelden de verkenners. Doorgaans doet zoveel onheilspelling mij vermoeden dat het allemaal wel zal meevallen, een ingesteldheid die wat makkelijker aan te nemen valt terwijl je achterover leunt in een stapel kussens.

Ik hoorde Christophe Vandegoor drie keer het woord “flitsend” gebruiken. Hij hoopte op flitsen. Hoe je flitst op een veel te hoge berg na tweeëneenhalve week in het zadel en met 2816 kilometers in de benen, vroeg ik me af. 

 

Op de col de la Madeleine posteerde Wout Poels zich gezwind voorin. Poels kwakte op dag 1 lelijk tegen de grond en liep een scheur in z’n rib en bloeduitstortingen aan z’n longen op. Dat hij bloed spuugde, vertelde hij monter aan een reporter, die niet verpinkte. 

Soms vervloek ik die hele heldencultus die aan het wielrennen kleeft. Al val je halfdood, zolang je kan trappen rijd je verder. 

Vijf dagen geleden zagen we Romain Bardet een smak maken, recht krabbelen en meteen weer door z’n benen zakken. Romain werd als een robotje weer op z’n fiets geduwd om de resterende 87 km af te leggen. Die avond bleek Bardet een zware hersenschudding te hebben. Sivakov kwam uit de eerste horroretappe met kneuzingen aan heup en knie en rijdt sindsdien even doelloos als lijdzaam verder. Schachmann brak z’n sleutelbeen een week voor de Tour in de ronde van Lombardije. Buchmann liep diepe wonden op bij een valpartij in de Dauphiné. Beiden verschenen gewoon aan de start in Nice.

Topsporters, die elke gram koolhydraten en proteïnen minutieus afwegen voor ze hem verorberen, woekeren met hun lijf. Coureurs wanen zich onsterfelijk, tot ze niet meer rechtstaan. We noemen hen helden. We geven hen de prijs voor de strijdlust. Niemand zegt hen dat ze gek zijn. Niemand komt hen van hun fiets sleuren wanneer ze er bloedend weer op zijn geklommen.

 

Intussen moeten parcours steeds origineler, spectaculairder, spannender, slopender. Een ongeëxploreerd geitenpad; een gravelstrook waar je tot aan je enkels inzakt, een col met een hellingsgraad waar je alleen met mountainbike versnellingen overheen geraakt. Niets is te gek of te lastig.

Intussen stapte het peloton in de Ronde van Luxemburg verbolgen van de fiets omdat de organisatoren er niet in slaagden het parcours fatsoenlijk te beveiligen. 

Wat zou ik graag eens een grote Tourstaking zien, met piketten, werkloze fietsen in de berm en renners die luid scanderen: “Rot toch op met je klotecoi. Fiets er zelf overheen.”

 

Miguel Angel Lopéz, de man die de prachtige klotecol de la Loze als eerste overwon, heeft als bijnaam Superman Lopéz. Zolang we maar onthouden dat het maar een bijnaam is.

dinsdag 15 september 2020

Flink

 


Na de tweede en laatste rustdag mocht iedereen weer starten. Ik vroeg me meteen af of alle renners daar blij om waren, gezien de hoogtemeters die nog op de agenda stonden. Dinsdag was het meteen prijs: 5 cols lagen er tussen de start in La Tour-du-Pin en de finish in Villard-de-Lans, waar de Alpen zich ontvouwen. Hoera, de Alpen! Die hadden we nog te goed.

Over een kleine zes dagen zijn we thuis, deelde Michel vrolijk mee. Ik checkte het parcours en zag geen “kleine” dagen. Ik zag alleen maar grote bergen. Op een verloren moment fantaseer ik al eens wat ik zou doen met iemand die me drie weken lang op twee wielen over zulke wegen zou jagen. 

 

Wie nog iets wilde winnen of bewijzen moest zich haasten en dat deden ze. Rustig opwarmen in de aanloop van een Touretappe leek alweer een bedreigd gebruik. Waar is de tijd dat er eerst een uurtje keuvelend door het landschap werd gefietst? Je kon wegkapitein Tony Martin bijna geërgerd met z’n tong horen klakken, als een onderwijzer die een meute stuiterende zesjarigen op een rij probeert te krijgen.

Ik werd zelf ook doodnerveus van het jachtige gespring. Maar ik hoefde dan ook geen manager, ploegleider of sponsor te overtuigen van mijn intrinsieke kwaliteiten op de fiets.

 

Zodra de rust weerkeerde en granieten Tony kordaat aan het roer had postgevat, werd in het commentaarhok de kwestie van Aert nog maar eens aangekaart. Meer bepaald de medische, sportieve en menselijke plausibiliteit van Wout als toekomstig Tourwinnaar. En dat op zijn verjaardag. Op mijn eigen verjaardag wil ik vooral met rust worden gelaten. Maar wielercommentatoren zijn jezuïeten. Plus est en vous. Hoe goed je ook bent, het moet altijd nog beter. 

Wat Wout zelf droomt of wenst leek een voetnoot, een futiel detail in het debat. Uit Woutliefde hoop ik dat Wout nooit de Tour wil winnen. Nooit meer die fonkel in zijn ogen van zodra hij door de modder mag banjeren. Nooit meer driftig dokkeren over de kasseien. Nooit meer de gezelligste thuis. Altijd honger. Altijd controle. De blik permanent op die drie heilige weken. 

 

Even later, terwijl de koers in een vertrouwde plooi viel, en de Giro Rosa terloops ter sprake kwam, vroegen de commentatoren zich luidop af of vrouwelijke renners emotioneler en rancuneuzer waren, een retorische vraag, zo bleek. Ik diepte beelden van knokkende, spuwende, duwende, bidonsmijtende, huilende, stampvoetende en furieuze coureurs op uit mijn omvangrijke koersgeheugen en liet ze als een onderhoudende langspeelfilm over mijn netvlies glijden. 

 

De verdiende winnaar van de dag, Lennard Kämna, had twee jaar geleden een dipje. De druk op zijn piepjonge schouders trok hem naar beneden. Burn-out is geen ingeburgerd begrip in de topsport. Renners moeten flink zijn en trappen. Lennard nam een pauze en kwam terug. En kijk nu.

Coureurs hebben emoties. Ook de vrouwen. Goddank.

Geeuw

 


Twee dolle weken raasden voorbij. Terwijl Frankrijk zorgwekkend rood kleurt en een afgepeigerd peloton zich opnieuw bang laat testen, duizel ik na van een bewogen tweedaagse in de bergen.

Hebben wij nu echt die prachtige, piepjonge koningsknaap Bernal zien kraken op zijn favoriete speelterrein?

Hebben wij werkelijk Wout van Aert, crosser, puncher, sprintgevaarte, tijdritkanon, belachelijk lang en hard bergop zien rijden, terwijl een resem topklimmers kreunend uit z’n kielzog gleed?

Draait de Tour uit op een duel tussen twee Slovenen, renners uit een land waar wielrennen een rariteit, een gekke exotische hobby is?

Het is allemaal echt gebeurd, en niemand had het zo voorspeld. Toch zeuren en klagen mensen dat het saai is. 

Dat de Tour saai hoor ik al zolang ik ernaar kijk. De Tour was ‘saai’ toen hij gedomineerd werd door de onpeilbare reus Indurain. De Tour was ‘saai’ toen Lance Armstrong hem kaapte. De Tour was ‘saai’ toen Sky en Froome er beslag op legden. Ik weet zeker dat mensen de Tour ‘saai’ vonden toen Merckx iedereen kleineerde.

 

Gevallen renners rijden etappes uit met een hersenschudding. Sprinttoppers moeten bijna vooruit geduwd en gedreigd worden om binnen tijd over de finish te geraken. Snelheidsrecords worden verpulverd. Renners springen als jonge springbokken uit het peloton nog voor de uitzending start. Wout blijkt een homo universalis. We zien asgrauwe koppen, verwrongen grimassen, bittere tranen, blutsen, barsten, builen en vooral veel balen. Er komt voor het eerst in acht jaar een einde aan de hegemonie van het team van Brailsford. Maar de verwende koerskijker vindt het voorspelbaar.

Koerskijkers die languit op de sofa hun beklag doen over het gebrek aan spektakel in een loodzware ronde van drie weken: wie zijn ze, wat drijft hen? En vooral: wat verwachten mensen die de Tour saai vinden eigenlijk te zien? Renners die over een bergpas springen met hun fiets? Paraglidende coureurs? Expeditie Robinson op de fiets? Roglic die door een brandende hoepel over de meet springt?

 

Nog zes dagen scheiden de overblijvende renners van het bevrijdingsfeest op de Champs Elysées. Op dit moment bedraagt het verschil tussen de leider en de rode lantaarn 4 uur, 43 minuten en 19 seconden, tien veelzeggende minuten meer dan vorig jaar aan het einde van de Tour. Het wordt nog een ellendig lange zesdaagse voor de sprinters en de helpers op het vlakke.

Overmorgen gaat het alweer moordend steil bergop, over het dak van de Tour, de Col de la Loze, die door een opgetogen Christian Prudhomme als volgt werd aangekondigd: “De ontdekking van de Col de la Loze zal een schok zijn. Sommige bochten zijn even steil als de Muur van Hoei. De Col de la Loze is door zijn bijzondere profiel hét prototype van de col van de 21e eeuw.”

Ik heb nu al medelijden met de arme jongens die over dat gruwelijke toekomstvisioen heen moeten fietsen. Ik verwacht opnieuw een slagveld. Maar er zullen vast wel weer mensen zijn die het slaapverwekkend vinden. Misschien kunnen zij intussen een rondje gaan fietsen.