biekesblog


maandag 1 maart 2021

Doodgewoon

Dit zijn alle klimmen en kasseienstroken van Omloop Het Nieuwsblad

Het Openingsweekend schrijf je met grote O. Net als de Omloop. Hoofdletters vertalen vurig verlangen. Verlangen naar de broeierige opwinding in ’t Kuipke, waar de voorpret gul van de muren druipt. Verlangen naar de ­verbijstering in de ogen van argeloze neo-profs uit andere contreien die onthutst en richtingloos de verkeerde kant uit fietsen te midden van zoveel chaotische commotie. Verlangen naar een zompig veld tussen Zegelsem en Elst, waar de ijzige wind door je wollen ­ondergoed blaast terwijl Heinrich Haussler monter, met blote benen en zonder handschoenen, voorbijraast. Verlangen naar glans, glorie en kasseien.

Het laatste weekend van februari klinkt als een langgerekte collectieve zucht van verlichting, zelfs wanneer een pandemie aan de koersbeleving knaagt en ons veroordeelt tot de sofa.

De coureurs van de eerste voorjaarskoers zijn als zwaluwen die de lente ­inluiden. Langverwacht, opgetogen verwelkomd en vooral: doodgewoon. Niets heerlijkers dan doodgewonigheid in ­deze tijden.

Doodgewoon was de kansloze vroege vlucht. Doodgewoon was Sep ­Van­marcke die pardoes tegen het asfalt smakte omdat het seizoen pas echt ­begint als Sep valt. Doodgewoon was de bruisende overmoed van Julian Alaphilippe. Doodgewoon was de lenige overmacht van de blauwe kasseivreters­brigade. Doodgewoon was de vederlichte tred waarmee Anna van der Breggen schijnbaar moeiteloos naar haar eerste zege van het jaar pedaleerde. Dood­gewoon was Mathieu van der Poel die op ruim 80 kilometer van de meet rücksichtslos wegsjeesde als een balorige puber die zich verveelde op het familiefeest. Doodgewoon was de paniek in de ogen van alle favorieten die niet van der Poel heetten.

Gelukkig bleef er genoeg ongewoons op te tekenen, zodat wij niet indommelden van zoveel onverstoorbare dood­gewonigheid.

De massasprint die bijna niemand had verwacht. De massasprint die ­iedereen had verwacht tot we hem niet meer verwachtten. Klokrijder Victor Campenaerts in de aanval. En nog eens. Veteraan Heinrich Haussler op het ­podium in Ninove. Sep de Onfortuinlijke op het podium in Ninove. De verdwaalde padvinders van Trek die op dag één in geen Vlaamse velden of wegen te bespeuren vielen. Annemiek van Vleuten die niet ten strijde trok. Een Ecuadoraan aan Matje z’n zij. Het peloton dat zich tussen Gent en Wevelgem waande in plaats van tussen Kuurne en Kuurne. Iedereen in de aanval tot niemand nog wist wie waar zat, laat staan waarom. Het hoorbare knarsen van tanden en kiezen in de groep vol kanjers die jaagde op Van der Poel. Van der Poel die niet won, een stuitend onrecht dat weldra zal worden rechtgezet.

Welkom terug, volstrekt onvoorspelbare voorspelbaarheid. Welkom terug, heerlijke, beminde, broodnodige, ongewone doodgewonigheid.

zondag 15 november 2020

Het Zwarte Gat

Wat is een zwart gat? - Alles over Sterrenkunde

Al wat rest van een wielerseizoen als een wilde feestnacht op LSD is duizelingwekkend diepe en donkere leegte. Het post-koerssyndroom, kort en bondig het Zwarte Gat genoemd, is een bekende, relatief goedaardige, maar hardnekkige koersfanatenkwaal. Theorieën over de meest geschikte behandelingswijze lopen uiteen en variëren van “ga fietsen” tot “wacht tot volgend jaar en hou je intussen zinvol bezig”.

Ontwennen van zo’n overdosis voelt als koortsige malaise, die dagelijks een piek bereikt tussen 14u30 en 17u, uren van een ondraaglijke onbeduidendheid zonder José of Karsten, zonder desolaat landschap met fietsers, zonder verrassende uitkomst.

 

Onlangs dacht ik tijdens zo’n dipje onbedoeld aan Primoz Roglic. Primoz deelde een foto van zichzelf op de glijbaan met z’n zoontje. Hij zag er onbetamelijk blij uit. Zelf zou ik vast ook glunderen na 4 belachelijk slopende maanden op de fiets, ver weg van wat mij lief is. De peuter op de foto leek papa’s abrupte beschikbaarheid wel fijn, maar ook wat vreemd te vinden. “Wie ben jij en wat doe jij hier?”, scheen de blik van het kind te vragen.

 

Grischa Niermann, ploegleider bij Jumbo-Visma, tweette eergisteren dat hij het huis verliet op 19 juni. Op 9 november kwam Grischa thuis, waar hij opgelucht vaststelde dat vrouw en kinderen er nog woonden.

 

Op de voorlaatste dag van de Vuelta fietste ik van Gent naar Semmerzake met 5 kilo m&m’s, kwestie van een ondoordachte belofte aan meester-ontsnapper en verdoken tijdrijder Thomas De Gendt in te lossen. Thomas is verzot op m&m’s, een relatief onschuldige verslaving, tenzij voor een wielrenner. Vandaar dat hij zijn guilty pleasure ooit verstopte onder de zetel van de bus. Thomas liet onlangs zijn koersverhaal optekenen in een boek, niet geheel toevallig ‘Solo’ getiteld. Ook van eenzaamheid kan je een handelsmerk maken. Dat hij tijdens de lockdown zin had om z’n fiets voor eeuwig aan de haak te hangen, dat wist niemand. Dat het jaren geleden donker was in zijn hoofd evenmin. Hij voelde zich een indringer in z’n eigen huis, waar vrouw en kinderen al lang niet meer op hem rekenden. Hoe je een normaal gezinsleven combineert met een loopbaan als coureur, daar is nog geen app voor ontwikkeld.

 

In diverse uithoeken ter wereld zijn renners, ploegleiders en verzorgers eindelijk thuisgekomen, in een huis waar ze werden verwacht, maar waar niemand op hen had gewacht. Het leven was er onverstoorbaar verder gegaan zonder hen; kinderen waren er gegroeid en hadden nieuwe dingen geleerd van iemand anders. Hoe kom je thuis wanneer thuis niet lijkt op je herinnering? Hoe leef je samen met iemand die elders een ander leven leidt? Hoe masseer je heimwee weg?

 

Een wielrennershart is gewend aan intensieve inspanning. Het past zich aan; het wordt groter en sterker. Maar in de rechterkamer zit een zwakke plek. Daar gaapt het echte zwarte gat, een gat waar we liever niet in kijken omdat het er ijzig koud en eenzaam is.

maandag 2 november 2020

Achtbaan


Ik weet nog waar ik was toen Jasper Stuyven de Omloop won. Tijden van volle cafés en gul schuimende bierkragen, van samen langs vettige kasseistroken staan en onze opgewonden ademwolken en kreten in elkaars gezicht blazen zonder zorgen. Het seizoen dat feestelijk en vol animo begon werd brutaal op pauze gezet. Een voorjaar zonder klassiekers, een zomer zonder Tour de France, een koershart vol onstilbaar verlangen. Vier zonovergoten maanden lang bleven kasseien onbevochten, wachtten bochtige en tochtige wegen geduldig op de doorkomst van een daverend peloton.

Het koortsachtige wachten werd beloond met het vreemdste en verrassendste wielerseizoen sinds mensenheugenis.

 

De heropstanding van de gevallen zoon

Hoe Wout op de eerste en allermooiste koers van het corona-seizoen schijnbaar zonder te ademen over het witte grind raasde, een wolk Toscaans stof in de longen van de tegenstand blazend. Hoe hij op de Via Roma in San Remo de vinnige Alaphilippe vermorzelde in de sprint. Hoe hij in de Tour het kruim der klimmers deed kreunen bergop en tussendoor even bidons ging halen. Hoe hij in Imola alleen het hoofd moest buigen voor een zeldzaam tijdritfenomeen en de beste puncheur van de wereld, en daar zichtbaar om baalde. Hoe hij in Vlaanderens mooiste voor het meest geanticipeerde en spannendste duel van het jaar zorgde en aartsrivaal van der Poel broederlijk omarmde. Op 1 augustus dacht ik bevreesd aan dat kapotte been; op 18 oktober was het been een gouden been geworden.

 

Noodlot

De noodlottigste val van het seizoen werd uitgevoerd door dat andere godenkind, het jochie dat ons wielergekke land voor het eerst in dorre decennia weer een rondewinnaar moest schenken. Zegezeker brommerde Remco Evenepoel over de Muro di Sormano richting Como, om vervolgens in de afdaling op onverklaarbare wijze over een muurtje te ploffen. Plots stond daar een fiets. Een fiets zonder renner als ultiem koersalarm. Miljoenen harten sloegen over. Remco zou geen wereldkampioen worden. Remco zou de Giro niet winnen. Niet dit jaar.

 

De klok

Winnen of verliezen wordt zelden zo onverbiddellijk eerlijk als tegen de klok. Twee keer werd een grote ronde in de definitieve plooi gelegd in een tijdrit, met als eenzaam hoogtepunt de verbijsterende wijze waarop Tadej Pogacar het asfalt deed branden op de voorlaatste dag van de Tour. Dergelijke consternatie en commotie hadden wij niet gevoeld sinds 23 juli 1989. Wit konijn en kopman tegen wil den dank Tao Geoghan Hart, een snaak met een naam als een Victoriaans romanpersonage, legde in de slottijdrit van de Giro dan weer de roekeloze strategie van Team Sunweb bloot.

Mensen die tijdrijden saai vinden worden hopelijk nooit meer ernstig genomen.

 

Ophef

Geen koersseizoen zonder commotie. Bij gebrek aan dopingschandalen was er nood aan een kop van jut. Die diende zich hulpvaardig aan in de gedaante van Primoz Roglic, een enigmatische Sloveen, gespeend van het soort aanstellerij dat ook wel eens ‘star quality’ wordt genoemd. Primoz fietst hard, maar heeft daar voorts weinig over te vertellen. Op danspasjes en ronkende verklaringen valt hij niet te betrappen. Zoveel gebrek aan poeha en tralala irriteert. Bovendien had Primoz de pech dat Wout in z’n ploeg zat. Primoz had Wout in de Tour uitgeperst als een verse sinaasappel. Primoz was een flutcoureur met een scheve helm. Primoz had Wout aan een gouden plak moeten helpen in Imola. Zelfs als Primoz Wout op z’n blote knieën over de meet had gedragen had er wel iemand gevonden dat hij wat sneller kon kruipen. Wie onverstoorbaar bleef temidden van al dat geblaat was Primoz zelf, die doodgemoedereerd Luik-Bastenaken-Luik won omdat hij beter oplette dan de rest, en een maand later met verbluffende panache door Spanje vlamde.

 

Het Duel van Vlaanderen

We-ken hadden we er over gefantaseerd en erop geanticipeerd. Er was naartoe geleefd als naar een huwelijksfeest na een veel te lange verloving. Toen het zich uiteindelijk voltrok stonden de zenuwen thuis even strak gespannen als op de verlaten hellingen van de Vlaamse Ardennen. Nooit eerder hadden wij zo gebiologeerd gestaard naar twee coureurs die samen richting finish reden, waar Mathieu zijn vreugde uitschreeuwde als iemand de net aan een aanslag is ontsnapt.

Het Duel van Aert – van der Poel was louterend vuurwerk na een vreugdeloos jaar. 

 

Anna

Het mooiste beeld van het jaar was dat van een eenzame Anna van der Breggen, op wonderlijk sierlijke en vanzelfsprekende wijze op weg naar de meet, het podium en een gouden medaille. Nooit had iemand mooier op een fiets gezeten. Nooit was iemand op zulke schijnbaar moeiteloze wijze wereldkampioen geworden, alsof het zo moest zijn, alsof elk ander scenario belachelijk was.

 

Jonkies

De jeugd bonkte vorig jaar luid op de poort en ramde ze dit jaar open met een knal. Tadej Pogacar, Joao Almeida, Jai Hindley, Tao Geoghan Hart, Filippo Ganna, Wout van Aert, Mathieu van der Poel, Remco Evenepoel. Het werd het jaar van de jonkies, het jaar waarin ervaren coureurs en gevestigde namen deemoedig het hoofd moesten buigen voor een meute driest aanstormend talent. Alleen bij de vrouwen heersten de oudste renners als nooit tevoren, alsof er nooit een tijdperk zonder Anna, Annemiek en Marianne zou bestaan. 


Regenjasjes

We kunnen mensen naar Mars sturen en continenten uitroeien met een druk op een knop, maar regenjasjes bedenken die je fietsend kan aantrekken zonder ongelukken is nog steeds te moeilijk. Hindley en Keldermen worstelden minutenlang met een tergend onhandelbaar regenjasje op de flanken van de Stevlio, alsof de berg niet al lastig genoeg was. Roglic verloor z'n leiderstrui en kostbare tijd terwijl hij in de zesde etappe van de Vuelta zo'n rotjasje probeerde aan te trekken. Renners rijden rond op fietsen die drie ribben en een arm kosten, maar behelpen zich met wapperende en weerspannige regenjasjes.


Actie

Lag het aan het virus, aan het malle sneltreinseizoen, of aan voortschrijdend inzicht? Vast staat dat het peloton in een activistische bui was. Er werd gemord en gestaakt uit ongenoegen omtrent veiligheid, onnozel slopende etappes en wispelturige regelgeving. Het protest oogste evenveel weerstand als applaus. Ook, of vooral in pandemische tijden leken koersfans te vergeten dat wielrenners mensen waren. Mensen die maandenlang van huis waren, die vergaten hoe hun familie eruitzag na zoveel voorzichtige afzondering, die elke week een wisser langs hun neus tot in hun hersenen lieten priemen, die meer koersdagen afwerkten in drie maanden tijd als anders in een ruim half jaar, die de kilometers aan elkaar regen als kraaltjes aan een snoer. De grijze tronies in week drie van de Vuelta spraken boekdelen over de tol van een ultrageconcentreerd seizoen.

 

Tranen

Tranen stroomden overvloedig als de regen in oktober. Er kon een olympisch zwembad worden gevuld met traanvocht van lekkende coureurs. Er werd prachtig en onstuitbaar gejankt, gesnikt, gesnotterd van vreugde, verdriet en ellende, alsof de wereld niet al een tranendal was zonder al die rennerstranen. 


Het publiek

Meer dan ooit tevoren keken wij naar de mensen. Naar hun mondmasker, of het ontbreken van dat geruststellende mondmasker; naar de afstand die ze bewaarden van elkaar en van de renners; naar de gapende leegte van hun afwezigheid op plekken waar ze elk jaar samentroepen. Een lege Oude Kwaremont; een desolate Stelvio; een verlaten Angliru. Ik miste ze niet, de mensen. Er was zoveel meer duizelingwekkend landschap en eenzame strijd te bewonderen zonder dronken selfiegekken en dolgedraaide meelopers in een panda-onesie. De berg en de renners, al de rest bleek ruis. Voor het eerst in de geschiedenis kon je versnellingen horen reutelen, renners horen hijgen, ploegleiders horen vloeken.


Panorama

Terwijl onze leefwereld en bewegingsvrijheid krompen als wol in de kookwas, baande het peloton zich onbewogen en flegmatiek een weg langs Vlaamse, Franse, Italiaanse en Spaanse wegen. Elk duizelingwekkend panorama, de vetes en de vriendschap, zelfs het zichtbare lijden deed verlangen naar de wereld buiten onze muren, waar gereisd, gewonnen, verloren, gejuicht en gerouwd werd, en waar werkelijk alles mogelijk was. De koers was een parallel universum dat deed dromen en hopen.

maandag 26 oktober 2020

Maar ja

 


Een Giro en een Vuelta tegelijk is als Pasen en Sinterklaas op dezelfde dag. In beide gevallen is er een risico op indigestie, maar toch vooral dubbel plezier en dilemma. De keuzestress werd aangescherpt door een stormachtige editie van Brugge-de Panne, waar de wind SuperMatje de gracht in blies en de jongens van de Melkerie de laatste eendagskoers afsloten met een hilarisch en onverstaanbaar Westvlaams theekransje en foto’s van hun welverdiende pak frieten. Vlaamser wordt koers niet geserveerd.

De laatste Giroweek ontvouwde zich als een crimireeks waarvan elke aflevering eindigde met een cliffhanger. Het meest van al keek ik uit naar de passage over de Stelvio, een prachtig, mythisch maar bruut monster van een berg, waar de eerste sneeuw het desolate landschap bevlekte. Op de flanken van het monster was geen plaats voor hubris. De Stelvio scheidde de reuzen van de mensen, en de reuzen van elkaar. De etappe zal voor altijd te boek staan als de dag waarop Joao Almeida, een pitbullpuppy in snoepjesroze, finaal kraakte, maar niet helemaal; als de dag waarop Wilco Kelderman, een van de meest getalenteerde en door het noodlot getarte Nederlandse renners ooit, de Giro verloor; als de dag waarop Nederlandse wielerfans hun woede uitschreeuwden over de manier waarop de ploegwagen Wilco voorbijreed, hem eenzaam aan z’n wrede lot overlatend. “Een putch, een coup, een schande was het!” Het was vooral zonde voor Wilco, zo’n renner met een palmarès vol malheuren en kwetsuren, die je wel eens een dosis geluk gunt. Het was wreed, en jammerlijk, maar oh zo mooi hoe Wilco, door God en iedereen verlaten, naar boven bleef trappen, z’n tanden op elkaar, met daartussen meer pijn en gramschap dan een mens vlot verteren kan, terwijl zijn ploegmaat Hindley zonder omkijken de etappe won.

 

Het roze stond Wilco beeldig, alsof het voor hem bedacht was. Maar zijn eerste dag in de leiderstrui ging van start op ongebruikelijke wijze. Het peloton staakte. Niemand, op een paar alfamannetjes na, had zin in 260 km in het zadel onder een druipende hemel, aan het einde van een moordende Giro en een seizoen als een mokerhamer. Mauro Vegni, grote baas van de Giro, brieste van colère. Renners die niet wilden rijden, daar begreep hij niets van. En hij had nog wel zo z’n best gedaan. Het regende macho-quotes van het verbolgen sofapeloton. Watjes waren het, die coureurs van tegenwoordig; suikerspinnen op twee wielen. Veel mensen houden van wielrennen, maar van die veel mensen houden veel mensen niet van wielrenners. Ze beschouwen coureurs als circusaapjes, die hun kunstjes vertonen op eenvoudig commando. 

 

Een dag later werd Wilco Kelderman als een schattig, maar weerloos insect vertrappeld. De getergde ziel van Rohan Dennis sloeg op hol, liet iedereen half bewusteloos achter op de laatste col en schonk de Giro aan kopman-per-abuis Tao Geoghan Hart en aan zijn onthoofde ploeg. De koers is het mooist wanneer ze zich niets aantrekt van voorspellingen.

 “Het zal nu even niet zo zijn. Maar ja”, zei Wilco gelaten. Woorden van een profetische toepasselijkheid voor deze tijden.

maandag 19 oktober 2020

Stuiptrekking

 


Zelden keek ik meer uit naar een koers dan naar deze Ronde van Vlaanderen. Natuurlijk omdat het een van de meest slopende koersen ter wereld is; uiteraard omdat we in april verweesd achterbleven zonder Ronde; ook omdat er geen Parijs-Roubaix in het verschiet lag, maar bovenal omdat dit bizarre koersseizoen gestaag ten einde loopt en het onvermijdelijke zwarte gat ons gemeen toegaapt, uitgerekend nu, wanneer zelfs de kerstdis ons niet gegund lijkt.

Terwijl de ene koers na de andere cross werd afgelast deden de organisatoren van de Ronde onverstoorbaar en vol vertrouwen al wat ze konden om koersfanaten een historische dag te bezorgen. Het leverde bevreemdende beelden op, van een lege Oude Kwaremont en een verlaten Paterberg, zonder geestdriftige massa en opzwepend gejuich. 

De renners lieten het niet aan hun hart komen en koersten als nieuwelingen, alsof elke kilometer de laatste van hun leven kon zijn. Sommige dingen verliepen zoals ze in een Ronde van Vlaanderen horen te verlopen: Sep viel en sukkelde met z’n fiets, ondanks de grote Sepkaars die ik elk jaar in april aansteek omdat Sep Vanmarcke een kasseiklassieker verdient. Maar koersgoden zijn gevoelloos voor dat soort sentiment.

 

En toen voltrok zich een droomscenario, een soort script waarvan een kniesoor zou zeuren dat het te voorspelbaar was. Zo kwam het dat de drie beste eendagsrenners ter wereld de rest meedogenloos achterlieten en het thuisfront zenuwachtig heen en weer deden schuifelen. Iedereen had het gehoopt en roekeloos voorspeld, maar als het echt gebeurt is het een cadeautje op een willekeurige dag. Daar gingen ze, de blinkende wereldkampioen en de twee crossers die de cross overstegen. Debutant Julian Alaphilippe huppelde op zijn pedalen als een reebok in de lente, leek amper te ademen op de Vlaamse hellingen. Het pleit leek al bijna beslecht, als frisheid en gretigheid argumenten waren.

En toen was daar die motor, die om godweetwelke reden langs de kant van de weg stond, die Juju in al zijn verhakkelde attentie niet had gezien. Kwak en smak deed de wereldkampioen. En dat het pijn deed, zo bleek uit zijn jammerlijke geschreeuw. De twee aartsrivalen tegen wil en dank keken om, namen de schade op en reden zonder aarzelen verder. De koers wacht nooit, ook niet op wereldkampioenen.

 

Ik wist meteen dat niemand hen terug zou halen; niet die twee pitbulls, opgetrokken uit graniet en het soort hardnekkigheid dat makkelijk te verwarren valt met overmoed. We kregen het Duel waar we op hadden gewacht en dat we niet mooier hadden kunnen fantaseren. Van Aert en van der Poel raakten niet van elkaar af en hadden daar vrede mee. De Minderbroedersstraat lag geduldig en in stilte te wachten op hun denderende doorkomst. Ik kon het niet laten me deze triomftocht voor te stellen tussen joelende en geestdriftige fans, doorheen een tunnel van oorverdovende koersliefde. Nu bleef het wonderlijk stil, op de wilde vreugdekreten van ‘Matje’ aan de meet na. Een mooiere ultieme stuiptrekking had dit wild geshakete koersseizoen niet kunnen opleveren. 

dinsdag 13 oktober 2020

In de coulissen

 


Op zondag 25 oktober had ik met mijn rubberlaarzen in een godverlaten Noordfrans aardappelveld willen staan, mijn ogen op een gegeseld peloton vol dokkerende, lijdende, zwalpende, vallende, vloekende coureurs. Het mag niet zijn. De mooiste koers van het jaar werd voor de tweede keer dit jaar afgelast. Ik was goddank alleen thuis toen ik het nieuws vernam, zodat ik zonder didactische bezwaren kon vloeken. Geen bos van Wallers, geen Mons-en-Pévèle, geen Carrefour de l’Arbre. Geen vergane glorie van de Vélodrome André Pétrieux. Geen beslijkte of bestofte tronies. Geen renners met ontstoken teelballen van het gerammel en gedreun over schots en scheef neergekwakte kasseien.

Gelukkig was er Gent-Wevelgem, de koers die al jaren in Deinze en sinds dit jaar in Ieper start, maar geen Gentenaar die daar moeilijk over doet. Gelukkig was er herfstig weer voorspeld, met wind, regen en beslijkte wegen vol smurrie en gevallen bladeren op en rond de Kemmelberg.

De koers moest zich ontvouwen als een duel tussen meestercrossers van Aert en van der Poel, ridders in de orde van het modderspoor. De ene moest niets meer want had al bijna alles gewonnen dit jaar, de andere had zich na een lastige aanloop opnieuw haast onklopbaar getoond. Genoeg redenen om de hypothese van de derde hond en het been wijselijk in het achterhoofd te houden.

In een elitegroepje van robuuste reuzen gluurde iedereen halvelings naar de gedoodverfde winnaars, en die twee alleen naar elkaar. Dus won iemand anders. Goeie benen zijn leuk, maar je wint er niet per se de koers mee. Ik vloekte onwelvoeglijk luid terwijl Mads Pedersen zijn medevluchters aftroefde in de sprint en Dylan Teuns als een verdwaald roodborstje achter een vlucht valken kwam aangefladderd, alsof hij zich van koers vergist had. 

Wout flapte z’n ontgoocheling eruit als een gulpje braaksel. Na 230 kilometer aan een rotvaart in het zadel zegt een mens al eens iets dat hij achteraf bekeken liever voor zichzelf had gehouden. Wielercommentatoren en -analysten sprongen op de quote als aasgieren op een vers en mals kadaver. De invasie van Nederland door woeste Vlamen met fakkels en rieken leek nabij. 

 

Ironisch genoeg was het uitgerekend bij de vrouwen, waar het al jaren steevast Nederland boven is, dat twee Belgische vrouwen vochten tot op de meet. Tactisch spel, sprinten op de snee en Dhoore die Kopecky klopte met een bandlengte. Ik hoopte dat alle meisjes die twijfelden om op een koersfiets te stappen goed gekeken hadden.

 

Voorts ging mijn aandacht zoals wel vaker naar de coulissen van de koers, waar soms de mooiste strijd wordt geleverd. Daar stond Marc Cavendish, die geen blijf wist met zijn emoties. Cav reed z’n laatste loodjes, na twee jaar zonder prijs. De man met 30 Touretappes, 48 grote ronde-etappes, drie puntentruien een een regenboogtrui op z’n palmarès, keek vandaag het einde van z’n loopbaan in de ogen en huilde om wat geweest was en om wat nooit meer zou komen.

 

Maar ik dacht vooral aan Griet Langedock, de vrouw achter de koers. Brandweervrouw, koersorganisator, moeder, onvermoeibaar lid van de commissie vrouwenwielrennen, en nu vooral ongeneeslijk ziek, een feit waar ze geen spel van maakt. Terwijl de analysten en andere tisten hun uiterste best deden om van 5 minuten frustratie een vete te maken omdat conflict een lucratief verdienmodel is, juichte ik voor Griet, die een prachtige koers georganiseerd, verdiend en in stilte gewonnen had. 

maandag 5 oktober 2020

Ogen te kort

 


Een beetje koersgek komt nergens aan toe in dit krankzinnige, samengebalde seizoen. Elke dag is er ergens koers. Elke dag valt er nog zoveel te verlangen. De was blijft liggen. Maaltijden blinken uit in eenvoud. Stofnesten dwarrelen vrijelijk door het huis. De kinderen houden zich in relatieve stilte bezig. Wanneer de avond valt zijn onze ogen moe van het kijken en registreren.

Het week-end kondigde zich aan als één langgerekt en uitputtend koersfeest. Ik noteerde start- en finishtijden van de laatste etappe van de BinckBank Tour, de proloog van de Giro, La Doyenne voor vrouwen en mannen en installeerde mijn laptop naast het tv-scherm, kwestie van niets te missen. Onzin, aangezien je sowieso altijd vanalles mist. De vrouwen startten zo ontieglijk vroeg dat ik nog aan het ontbijt zat terwijl Lizzie Deignan ontsnapte. Terwijl de wereldkampioen tijdrijden naar de zege brommerde kregen we reclame voor deodorant. Bovendien bleek het lastig focussen op de chrono in Italië, terwijl Mathieu van der Poel zichzelf succesvol uitperste op de muur van Geraardsbergen, als een fris limoentje boven een mojito.

Net zoals het niet lukte om tegelijkertijd ‘Hup Thomas!’ en ‘Oh nee!’ te roepen terwijl De Gendt lustig voor het Giropeloton uitreed en Greg Van Avermaet tussen Luik en Bastogne iets deed wat hij hoogst zelden doet: vallen. De man die altijd als een blok gewapend beton op z’n fiets blijft zitten, knalde op een verdoken verkeerseiland en brak drie ribben en verrekte z’n schouder, terwijl zijn speeltijd in Vlaanderen nog moest komen. Om je gouden helm van op te eten.

 

Nog geen kwartier later stapte het gedoodverfde witte konijn van de Giro van z’n fiets. Alexander Vlasov, door iedereen getipt als dé renner om in de gaten te houden, had last van maagproblemen. Wonderlijk hoe renners kunnen trappen met gebroken knieschijven en schouderbladen, maar grauwe dweiltjes worden als hun maag het begeeft.

 

Zekerheden zijn schaars geworden. Snotneuzen verschansen gevestigde waarden. Renners die niet gebouwd zijn om bergop te rijden bestormen hellingen als hemelbestormers. Alles en iedereen is in de war. Zelfs wereldkampioenen verliezen hun aplomb.

Julian Alaphilippe, voorts een geweldige coureur, zwalpte over de weg als een wielertoerist die een café te veel aandeed op zijn zondagse rondje, en bracht zijn collega’s topfavorieten Pogacar en Hirschi van hun stuk. Het was niet met opzet, maar wel erg dom. Nog dommer was het zegegebaar waarmee hij over de meet kwam terwijl hij langs rechts werd ingehaald door een foutloos sprintende Primoz Roglic, de Tourverliezer die een week geleden de kop van jut was in Vlaanderen omdat hij “onze Wout” niet aan de regenboogtrui had geholpen. Dat hij niet beter kon en zichzelf compleet had leeggereden had de gemoederen niet kunnen bedaren. Primoz was aangeschoten wild.

 

Ik hoorde Primoz een “onorthodoxe winnaar” noemen door twee commentatoren die in een parallel universum meeleefden met “die arme Alaphilippe” en zapte weg. De brede grijns op mijn mond was niet weg te zappen. Poëtische rechtvaardigheid voelt heerlijker dan nijd.

Best Goed

 


Wereldkampioenschappen zijn snoepgoed voor wie van podiumceremonies houdt: de nationale hymnes, van bombastisch tot ingetogen, de blinkende medailles, de opwellende tranen. Dat sommige landen in de wielersport geen schijn van kans maken is bijzaak. Fier meedoen is wat telt. 

De eerste drie dagen van deze editie hielden zich vrij keurig aan de afgesproken verwachtingen. Of toch bijna. Dat Chloe Dygert met tijdritfiets en al over de reling de diepte in zou duiken was niet voorzien. De affreuze jaap in haar been had ik dan weer liever niet gezien. Terwijl Chloe in een ziekenhuisbed machteloos toekeek, trapte Anna van der Breggen koelbloedig, ritmisch en als gebeeldhouwd door een adembenemend landschap naar het hoogste schavot. Niemand had ooit mooier op een fiets gezeten. Na afloop van haar dubbele krachttoer vertelde Anna dat haar seizoen “best goed” was. Best goed betekent soms buitengewoon, maar om dat te begrijpen moet je de taal spreken. Vreugde is niet altijd uitbundig. Ooit breide de oma van Anna fietshandschoentjes voor haar met regenboogstrepen. Anna is een godenkind in de gedaante van het bescheiden buurmeisje. Excentrieker dan een paar handgebreide regenbooghandschoentjes zie je haar nooit.

 

Ons eigen godenkind reed op vrijdag een “best goede” tijdrit. Niet goed genoeg voor goud, maar wel buitengewoon voor iemand die net drie weken bergop en aan een belachelijk tempo door Frankrijk had gebanjerd.

Gedoodverfde winnaars kunnen alleen maar verliezen. Zo knuffelen wij onze helden dood: we versmachten hen met ons verlangen. Wout moest alleen maar starten om met die gouden plak en die begeerde trui naar huis te gaan, zo leek het. Het was alsof er geen dozijn andere pretendanten met hem meefietsten; alsof de rest van het peloton bestond uit gepensioneerde kermiscoureurs en wielertoeristen met twee dubbele Westmalles in hun kraag.

 

De werkelijkheid slaat altijd toe wanneer je even niet op haar let. Alles ging zoals verwacht: van “iedereen bondscoach” tot de gouden benen van Wout, die amper leek te ademen. Het zag er belachelijk perfect uit. Terwijl Van Avermaet en Benoot een masterclass geolied ploegwerk gaven, sprong Julian Alfaphilippe weg. Ik wist meteen dat het kalf verdronken, de vogel gaan vliegen, de beer geschoten was. 

 

Teleurstelling zoekt altijd een schuldige, deze keer in de voor de hand liggende gedaante van Primoz Roglic, die drie weken lang met Wout z’n wonderlijke hartslag en z’n superbenen had mogen rondrijden, en hier een gedroomde kans liet liggen om zich eindelijk populair te maken in het meest koersgekke land van de wereld. 

De ogen en de stem van Wout voelden zwaar van ontgoocheling, net als de avondlucht boven het land. Kampioenen horen te balen als ze tweede worden. Diplomatisch en vergevingsgezind hoeven ze niet te zijn, maar als ze het kunnen opbrengen siert het hen des te meer.

zondag 20 september 2020

Nog één keer


Die ochtend werd Primoz wakker als een kind op z’n verjaardag. De gele fiets. De kratjes champagne. De speech. De cadeautjes voor de ploegmaats. Alles lag klaar. Aan alles was gedacht. Het zou de mooiste dag worden van zijn leven. Zo’n dag waar hij later met fonkelogen aan zou terugdenken. Het zou alle moeite, alle pijn, alle schaafwonden, al die maanden ver van huis, ver weg van vrouw en kind waard zijn geweest. Hij moest alleen nog één keer heel hard fietsen. Nog één keer door de pijnmuur trappen. Daarna was het voorbij. Daarna was het feest. En wat een feest zou het zijn. 

Tien uur later valt Primoz op de grond als een bundeltje vuile was. Hij is alleen nog pijn. Twee benen, een hoofd en een hart vol krampen. Hij staart naar het asfalt. Naar boven kijken kan hij niet, want daar zijn ogen vol ongeloof en teleurstelling, ogen waar hij niet in wil kijken. Wat doet hij hier? Waarom ligt hij hier, op deze ruwe, kille weg? Hoe moet hij ooit weer rechtstaan? Primoz is omver geblazen, als een vogeljong door een orkaan waar geen enkele weerkundige voor had gewaarschuwd.

 

Even later beantwoordt hij vragen, domme vragen, zinloze vragen, harde vragen, vragen waarop geen juiste antwoorden te verzinnen vallen. Zijn ogen zijn rood van het huilen, maar het rouwen moet wachten. Hij feliciteert de orkaan. Hij bedankt zijn toegewijde team. Hij zegt sorry, alsof hij stout geweest is. Vandaag is de donkerste dag van zijn leven.

 

Die ochtend werd Tadej wakker als een kind op z’n verjaardag. De gele fiets. De kratjes champagne. De speech. De cadeautjes voor z’n ploegmaats. Hij had ze allemaal gezien in z’n dromen. Het kon de mooiste dag worden van z’n leven. Zo’n dag waar hij later met fonkelogen aan zou terugdenken. Het zou alle moeite, alle pijn, alle schaafwonden, al die maanden ver weg van huis waard zijn geweest. Hij moest alleen nog één keer heel hard fietsen. Nog één keer door de pijnmuur trappen. Daarna was het voorbij. Daarna was het feest. En wat een feest zou het zijn.

 

Tien uur later rijdt Tadej over de meet als een komeet. Het zou kunnen dat hij pijn heeft, maar die voelt hij niet. Hij weet dat hij iets ongelooflijks heeft gedaan. Hij ziet het aan de ogen, die naar hem kijken als naar een goddelijke verschijning. Hij hoort het aan het gejuich. Bijna vergeet hij zelf te juichen. Ooit, toen hij een kleine jongen was, droomde hij ervan de Tour de France te rijden. Vandaag heeft hij de Tour de France gewonnen. Hij heeft iedereen omver geblazen, als een orkaan. Vandaag is de mooiste dag van zijn leven.

 

59 seconden tussen alles verliezen, en winnen omdat je niets te verliezen hebt. 59 seconden tussen peilloos verdriet en euforie. Koers is ombarmhartig. Koers is prachtig.

vrijdag 18 september 2020

Laatste kansen

 


Ooit slikte ik nietsvermoedend een wesp in. Nu vond ik wespen altijd al rotbeesten, maar sinds die keer, toen ik nipt aan de verstikkingsdood ontsnapte, haat ik ze met vuur. Lucas Pöstlberger kreeg zo’n rotbeest in z’n mond. Heb je wekenlang half Frankrijk doorgekacheld, en dan word je met de verlossing in zicht uitgeschakeld door een insect. Lucas, nochtans geen pannenkoek, ging langs de kant van de weg liggen, truitje wijd open, alsof hij daar ter plekke wilde sterven.

Terwijl Lucas gered werd, stoomde Rémi Cavagna, een renner die net zo goed een bokser zou kunnen zijn, als een kanonskogel rechtdoor. Het mocht niet van de ploegleider, maar Rémi deed alsof hij dat niet gehoord had en zijn exploot enige kans op slagen had. Rémi deed me denken aan de drummer van de band, die halverwege het bisnummer een veel te lange solo mept, terwijl de manager in de coulissen met z’n ogen rolt.

 

Mijn focus gleed weg, weg van Lucas en Rémi, richting tijdrit. Een rit waar ik bovengemiddeld naar uitkeek. Veel mensen vinden tijdrijden niet boeiend, naar het schijnt. Daar begrijp ik weinig van. Tijdrijden is poëzie van de zuiverste soort, wiskundig en ritmisch als een rijmenvers, als een sonate van Bach. 

Ik blijf kinderlijk verwonderd wanneer een renner en zijn fiets een gestroomlijnd hybride wezen worden: hoofd, hart en benen in perfecte harmonie, blik op oneindig en nog verder. 

In een tijdrit is geen plaats voor clementie. Elke vergissing, elke zwieper, elk moment van zwakte wordt onmiddellijk afgestraft. Wie alleen tegen zichzelf en de elementen rijdt vindt geen plaats om zich te verstoppen; niet achter de brede schouders van de domestique, niet in de buik van het peloton, niet achterin de bus. Van anonimiteit kan geen sprake zijn. De harken en de ploegen worden onverbiddellijk onderscheiden van de geoliede machines.

 

Zo’n thriller als in 1989 zou het vast niet worden, maar ik rekende op de laatste restjes krachten, op zorgvuldig opgespaarde reserves. Een mens kan vaak wat meer als het einde van een marteling nabij is. 

Die steile strook op la Planche des Belles Filles zou verschrikkelijk veel pijn doen. Ik keek schaamteloos uit naar opengesperde monden en doffe blikken. Ik verheugde me erop renners na afloop van de beproeving trillend van hun fiets te zien vallen, als dooie mussen op het asfalt. 

 

Terwijl ik me zat te verheugen reed Søren Kragh Andersen gewiekst weg van een foeterend groepje vol vermoeide laatste kansen, waaronder een paar Belgen. Stiekem hoop ik dat die andere veelbesproken Belg, met benen van titanium en een onvermoeibaar leeuwenhart, ons morgen nog een eresaluut gunt. Het einde kroont het werk.