biekesblog


zondag 17 november 2019

'Le phénomène'

Het nadeel van een belachelijke voorraad talent is dat we achter het talent soms de mens niet zien. Als een bulldozer met een onuitputtelijke tank benzine stormde hij een paar weken geleden het veld in. De schrik van crossend Vlaanderen trok een spoor door de modder dat niemand volgen kon, alle ronkende verklaringen ten spijt. Dat hij zich niet top voelde, verklaarde hij na de eerste zege. Wat moet dat doen met de routineus bij elkaar geveegde tegenstand: de glorieuze overwinnaar horen verklaren dat hij “niet top” was? 

Wat volgde was voorspelbaarder dan een aflevering van FC De Kampioenen. Crossdagen werden herleid tot “even Van der Poel zien winnen”, volgens dezelfde wetmatigheid als die waarmee elke nacht weer dag wordt, en de seizoenen elkaar opvolgen. Hij start, hij rijdt, hij wint. Op endless repeat.

Als Van der Poel koerst lijkt alles makkelijk. Tandje bij, versnellinkje hoger, bunnyhoppend naar de meet. Kinderspel, zo lijkt het. Achter hem wordt geploeterd, gezweet en gevloekt, terwijl hij lijkt te spelen. Een gesel voor de tegenstand, de eeuwige achtervolgers, wie niet eens de troost gegund is om hem te haten, omdat hij geen eikel is. Was hij maar een eikel.

Afgelopen week verloor hij z’n opa. Diezelfde opa die bij koersfans met een geheugen bekend stond als de beminnelijkste aller renners. Zo’n ûberopa, waar elk kind van droomt. Blakend en blinkend van trots baggerde de opa op rubberlaarzen door de velden waar zijn kleinzonen doorheen sjeesden, fierder over hun exploten dan die van zichzelf in de verleden tijd. Onvergetelijk is de reportage van Sammy Neyrinck, waarin hij met Mathieu op bezoek mocht bij opa Poupou in de Tour. We zagen hoe de opa in z’n knalgele t-shirt breed grijzend liep te pronken met de kleinzoon, hoe hij hem overal, van promostand tot pershok, presenteerde als het achtste wereldwonder. “Le phénomène”, zo stelde de opa de kleinzoon voor aan iedereen die hij tegen het lijf liep. Het fenomeen zelf glimlachte beleefd, maar wat ongemakkelijk.

De ongenaakbare, onoverwinnelijke kleinzoon reed het verdriet van zich af in het Tsjechische Tabor. Het werd lastiger dan verwacht. Het werd zowaar spannend. Winnen bleek voor een keer niet evident, maar hij deed het toch. Om dan, voor het niets ontziende oog van de camera en de wereld z’n aplomb te verliezen en in tranen uit te barsten. 

We waren het bijna vergeten, dat de onhoudbare zegemachine ook maar een mens is. Een buitengewoon getalenteerde mens weliswaar, maar wel een mens, opgetrokken uit botten, pezen, bloed en evenveel emoties als wij allemaal. Laten we dat goed onthouden.

zaterdag 9 november 2019

Suikergoed

De zonen bekvechten met de buurjongens in de tuin. De hond op de sofa snurkt als een varken met overgewicht. De kat heeft zich verschanst in een kartonnen doos met oud papier en doet alsof ze dood is. De herfst smeert een vettige goudbruine filter over de late namiddag van een dag die voorbij gleed zonder commotie.

We stonden op en bakten eieren; ieder z'n eigen ei, om variaties in cuisson en gradaties van honger de ruimte te geven. We fietsten naar de stad, iets wat we zelden doen omdat daar op zaterdag veel te veel mensen zijn, waardoor eenvoudige handelingen als sokken kopen of een warme choco bestellen een corvee wordt. We kregen de slappe lach aan de kassa omdat ik me luidop afvroeg hoeveel kinderen je desgewenst in de recycleerbox van de H&M kan proppen, en in welke vorm ze dan gerecycleerd worden. We kochten alleen wat nodig was: grijze en zwarte joggingbroeken en grijze en zwarte sokken. Ik hou van simpel, zei de oudste, dus hielden we het simpel. Dat we alledrie niet van winkelen houden hielp ons de opdracht efficiënt uitvoeren, op het giechelend passen van schreeuwerige baseball-petjes na. Wanneer wij een winkel betreden willen we er meteen weer weg.

We beloonden ons geduld met twee papieren zakjes vol kersenstokken, zure peren en boterwafeltjes van confisier Temmerman, een eeuwenoud etablissement dat naar bijenwas en gebrande suiker ruikt en van snoepgoed een kwestie van nostalgie en handgeroerde degelijkheid maakt.

We besloten dat we boeken nodig hadden om voor te lezen op koude winteravonden, met ons drieën onder een wolk donsdekens, als kittens over elkaar gevouwen. In mijn favoriete boekhandel duwde ik de puber een boekje in z'n handen waar ik ooit zelf luidop om had gelachen: 'Het geheime dagboek van Adrian Mole, 13 3/4 jaar'. Niet dat hij ooit leest, dacht ik er in stilte en met een zweem van bittere spijt bij. Hij griste het boekje uit m'n handen en besloot dat hij het wilde, misschien omdat ik hem vertelde dat het ging over een jongen van bijna 14 die schrijft over z'n onuitstaanbare ouders en over z'n piemel.

Een half uur later schoof ik aan in een semi-ouderwets koffiehuis vol Nederlandse en Australische toeristen. De jongste zuchtte omdat het te lang duurde. De oudste graaide z'n boekje uit z'n rugzak en begon te lezen. Mijn adem stokte minstens 5 tellen. Nooit had hij vrijwillig een boek in z'n handen genomen, laat staan om erin te lezen. Ik beet op m'n tong omdat je soms gewoon moet zwijgen als je kind iets doet dat je blij maakt. In de rij staarde ik naar de lezende zoon, zoals je naar een natuurfenomeen staart, in het volle besef dat je iets unieks meemaakt.
We dronken warme chocolademelk en koffie en aten appeltaart tussen al die Nederlandse, Australische en andere toeristen en besloten dat onze stad zo mooi was dat mensen van ver wilden komen om er even te zijn. We besloten dat we boften.

Terwijl we huiswaarts fietsten, ter hoogte van de Dampoort, begon ik luid te zingen. Een bluegrass-classic die eigenlijk bedoeld is om in 'close harmony' te zingen. Geen idee waarom ik dat deed. Achter mij riep iemand "Mama, please!", alsof hij gegeneerd was, maar niet echt. Soms is alles goed zoals het is.





zaterdag 12 oktober 2019

Handen af van De Cauwer

Ik bereid mij in stilte en sereniteit voor op de laatste koers van het jaar: de koers van de vallende bladeren. Mijn weemoed reikt van Gent tot Lombardije en terug. Wachtend op het laatste startschot van het jaar lees ik ongewild en eerder per abuis een interview met Marius Meremans, cultuurexpert van de grootste partij van Vlaanderen, behoeder van de Vlaamse identiteit en het proper en gekuist Nederlandsch. 

Meneer Meremans maakt zich druk over de teloorgang van ons aller moedertaal, met name op de openbare zender. Vroeger was het beter, beweert hij, een vaak voorkomende dwaling. Het enige wat vroeger beter was is dat er minder auto's rondreden en dat het klimaat nog niet compleet naar de kloten was. 

De meest onvergeeflijke dwaling is dat meneer Meremans het 'en passant' presteert om zijn beklag te doen over de grootste wielerfilosoof die deze schamele kluit klei ooit heeft voortgebracht; de man die er al decennia een hardnekkige erezaak van maakt om de koerskijker duidelijk te maken dat coureurs geen kilometers, maar kielemeters vreten; de man die elke uitzending een nieuwe invalshoek bedenkt voor de uitspraak van Sloveense, Eritrese en Poolse rennersnamen. De man die langgerekte indommeletappes tot een belevenis maakt met zijn onaangetaste en rijk gevulde koersgeheugen, waaruit hij desgewenst een onuitgegeven anekdote opdiept.

José De Cauwer is geen 'co-commentator', beste meneer Meremans. José is de vleesgeworden bestaansreden van de koers, de trekpleister van heel koersminnend Vlaanderen en zelfs van half koersminnend Nederland dat op hoogdagen als De Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en zelfs hun eigen Amstel Gold Race collectief en gretig afstemt op "de Belg". 
José is het alfa en het omega van de koerstactiek, van de diepere inzichten in de koerspsychologie en de vuilste koerstruken van de foor. José is de man achter memorabele tegelwijsheden van het genre "mee is mee", "vallen, opstaan, inpakken, wegwezen" en "patatten met ambras". Niemand zegt zo welgemeend en overtuigend "manmanman" als De Cauwer. Niemand slaagt erin Pogacar zo koppig als focaccia te doen klinken zonder een mondhoek te vertrekken. 

Raken aan De Cauwer? Ik zou het u afraden, meneer Meremans. Voor uw eigen bestwil. Als u volhardt in deze dwaasheid voorspel ik koersfanatenbetogingen waarnaast de boerenprotesten een ponykamp lijken.

donderdag 26 september 2019

Goudkoorts: over Beryl de verschrikkelijke en Vinnige Vos

Op een boogscheut van Harrogate ligt Leeds, de grootste stad van Yorkshire. Op zich een oninteressant weetje in de context van het WK Wielrennen, ware het niet dat in datzelfde Leeds in 1937 Beryl Charnock werd geboren. Beryl zou als Beryl Burton (in die tijd kregen getrouwde vrouwen zonder pardon de naam van hun man) in haar leven maar liefst zeven keer wereldkampioen worden, waarvan twee keer op de weg en 5 keer op de baan. Daar hadden talloze medailles in het tijdrijden moeten bijkomen, maar helaas voor Beryl werden vrouwen pas toegelaten in het wereldkampioenschap tijdrijden toen haar fiets al lang en verroest aan de haak hing.




In 1967, het jaar van haar tweede wereldtitel op de weg, kwam Beryl met een handvol andere vrouwen aan de start van de Otley Cycling Club race, een tijdrit van maar liefst 12 uur. De mannen mochten eerst van start, met een interval van een minuut. Daarna konden de vrouwen vertrekken. De laatste man die van start ging was Mike McNamara: recordhouder van het moment, en op weg naar de zege, dacht iedereen, inclusief hijzelf.
Na 235 mijl, met nog twee uur racen in het verschiet, haalde Burton McNamara in. Terwijl ze hem voorbij fietste bood ze hem een dropje aan. De ultieme vernedering voor McNamara, die hoogdringend moest plassen, maar niet wilde afstappen omdat hij werd achternagezeten door een vrouw. Het voorval met het dropje deed Burton’s reputatie weinig deugd. Meedogenloos competitief, werd ze genoemd, een kwaliteit die vrouwen zelden doet behagen.
Burton zou uiteindelijk 277,25 mijl (445,8 km) afleggen in 12 uur tijd. Dat was 0,73 mijl meer dan McNamara, de beste man. Pas twee jaar later slaagde een man er in om haar record te breken.




Wie weet wordt zaterdag opnieuw aan een record geraakt. Eentje op naam van onze eigen legende Yvonne Reynders, die vier keer wereldkampioene op de weg werd. Met alvast drie titels achter haar naam kan Marianne Vos zaterdag naast Yvonne gaan staan in de wielergeschiedboeken. Vos heeft die titel niet per se nodig om het epitheton 'legende' achter haar naam te zetten. Jarenlang domineerde ze het vrouwenwielrennen. Ze won bijna alles. Tot haar hoofd en haar lijf protesteerden. Marianne had zichzelf al zegevierend voorbijgefietst. 
Of Vos ooit weer de oude kon worden, niemand die het wist, toen ze twee jaar geleden na een broodnodige time out terugkeerde in het peloton. Vandaag hoeft de vraag niet meer gesteld. Negentien zeges oogste ze dit jaar, en niet de minste. De twintigste zou een regenboogtrui en een gouden plak kunnen zijn.
Vos is in bloedvorm. Vos kan dit zware parcours moeiteloos aan. Het lastige draai- en keerwerk is een eitje voor de zevenvoudige wereldkampioene cyclocross. En bovenal: niemand anders - behalve het fenomeen uit Kapellen waar het hele mannenpeloton voor siddert en beeft - kan zo verschroeiend sprinten na een slopende race als Marianne op haar best. 

Naast het jaar van het jonge geweld, was dit ook het jaar van de veteranen die toonden waarom ze terecht kampioenen heten, zelfs of misschien vooral na een moeilijke fase in hun loopbaan. Jezelf heruitvinden wanneer je jezelf kwijt bent geraakt is een van de lastigste dingen die er zijn. Als Marianne zaterdag op het podium staat, zal niemand het haar misgunnen. 

woensdag 25 september 2019

Goudkoorts: het menneke, de speciale en de duts

"Top vijf zou mooi zijn", beweerde hij, maar de twinkel in zijn ogen verraadde dat hij z'n zinnen op de regenboog had gezet. Maar zoiets zeg je niet luidop. Niet als negentienjarige neoprof in je allereerste WK bij de elite.

Brandend van verlangen zat hij in de hotseat, waarin zijn kleine jongenslijf leek te verdrinken. Dat hij de crème de la crème, de fine fleur van de tijdrijders allemaal op een straatlengte had gefietst was niet genoeg. De ontgoochelde blik van het menneke toen hij Rohan Dennis, op jacht naar gerechtigheid, als een kanonskogel zag finishen vertelde veel meer dan er was gezegd.

Het jammere is dat het went. Dat hij daar staat te blinken op dat schavot, tussen de groten en de grootsten. Alsof hij daar hoort. Alsof hij zelf weet dat hij nog beter kan. We knipperen wel nog met de ogen, maar verbijsterd zijn we al niet meer.

Er was er maar eentje beter, sneller, sterker. De man die de Tour verliet langs de nooduitgang. De man waarover zoveel werd gezegd dat niet te bevestigen, noch te ontkennen viel. Dat hij onmogelijk was. Een diva met te veel complimenten. Dat hij z'n ploeg voor schut zette. Dat hij manisch-depressief was. Dat hij niet goed bij z'n hoofd was. "Het is ne speciale", vatte José de kwestie samen.

Dat hoofd bleek koppiger en robuuster dan verwacht, na een jaar zonder zege en met al te veel bekommernis. Niemand, behalve hijzelf en z'n coach, wist met zekerheid in welke vorm de kampioen aan de start zou verschijnen. Even onzeker als het vormpeil van Dennis was de fiets waarmee hij het WK zou rijden.
Met een incognito BMC-fiets (een loodrecht opgestoken middelvinger naar z'n team Bahrein-Mérida dat z'n renners op Mérida-fietsen laat rijden), en een blik die onraad voorspelde schoot hij weg. De eerste tussentijd sloeg elke twijfel de kop in. Niemand anders hoefde nog te hopen op goud. Als een raket werkte lastige Dennis Pac-Mangewijs 54 lastige kilometers weg, in een rechte lijn naar de armen van z'n getergde gezin en vandaar naar het hoogste trapje van het podium. Remco keek ernaar en pruilde.

De werelduurrecordhouder die naast Dennis en Evenepoel op dat podium had moeten staan, beleefde een van de ellendigste dagen uit z'n carrière, zo'n dag om snel uit je geheugen te wissen. Een stomme valpartij. Een gebroken ketting. Weg was die bronzen plak. Victor veegde het snot van z'n gezicht en stond Maarten eerlijk en vriendelijk te woord. "Nou zou ik graag even bekomen," meldde hij beleefd na z'n reactie. Maarten vroeg door. Victor bleef vriendelijk. Wat zou Rohan Dennis hebben gedaan?






Goudkoorts: theoretisch is alles mogelijk

Retorische vraag: Hebben wij al ooit zo'n adembenemend hoopgevende ploeg naar het WK Wielrennen gestuurd?
In theorie zouden wij Belgen, bewoners van het krankzinnigste koersland ter wereld, de UCI kunnen verzoeken ons die drie medailles gewoon per koerier te bezorgen. Beter voor het klimaat, makkelijker voor die arme renners en zuiniger bovendien.
Maar zoals u weet zijn koers en theorie twee verschillende dingen die hoogst zelden met elkaar te maken krijgen.
Daarom een paar alternatieve theorieën, om de theorie in het enige juiste perspectief te plaatsen, dat van de onwaarschijnlijke waarschijnlijkheid.

De eerste is een makkie: Mathieu wint. Niet met een bandlengte, dat spreekt. Mathieu doet nooit pietluttig. Winnen doet hij zondag met een schijnbaar onmogelijke sprint die geen sprint mag heten omdat hij van onmogelijk ver komt en onmogelijk lang duurt. Zo'n Van der Poel-démarche die de andere renners het hoofd moedeloos stuurwaarts doet buigen en doet reflecteren over een carrièreswitch. Korfbal is misschien ook wel een fijne sport.
Het soort finale dat José "manmanman" doet mompelen en Michel zijn geliefkoosde woord "kabinetstukje" in de mond legt. Thieu zal breed grijnzend over de streep komen, zijn eigen verbazing van zich af schuddend, alsof hij net een knotsgekke weddenschap heeft gewonnen in plaats van een regenboogtruitje. De zeven Belgen zullen elkaar in stilte de schuld geven, maar aan Maarten vertellen dat ze hun best hebben gedaan. Wij zullen over elkaar heen struikelen in onze haast om te benadrukken dat Mathieu, eigenlijk, in feite, technisch, in de praktijk, een Belg is, of in ieder geval een halve.

De tweede theorie vindt haar inspiratie bij het Shakespeariaanse drama en is even eenvoudig als deprimerend: de Belgen rijden elkaar de vernieling in omdat de 2 koningen weten dat er maar 1 troon op hen wacht. Wie er het eerst bij is wordt gekroond, de andere zal deemoedig moeten buigen. Maar koningen buigen niet. Ze vallen nog liever. Het is de theorie waar de bondscoach 's nachts badend in het angstzweet van wakker schrikt. Aanhangers van deze theorie komen vlot aan hun trekken bij de Spaanse formatie Movistar, de onbetwistbare wereldkampioen van de conflicterende eigenbelangen.

De derde theorie is de outsider-theorie, een weinig waarschijnlijke op een WK-parcours als dat van Yorkshire, waar kermiscoureurs en eendagsvliegen evenveel kans maken op de zege als de wielertoeristen van Spaak en Spier. Daarom, in het kader van de onwaarschijnlijke waarschijnlijkheid,  zou het zomaar eens kunnen dat er een outsider wint, iemand wiens naam de internationale wielerpers niet eens op de deelnemerslijst had zien staan. Zo'n dienstbare beuker die nooit voor zichzelf rijdt en plots, per abuis, als enige van z'n ploeg voorin belandt en dan maar alles geeft omdat de bondscoach zo luid in z'n oor brult. Zo eentje die als geen ander lang en snoeihard kan doortrekken, maar spontaan gaat zweten wanneer hij een camera op zich gericht ziet.

De vierde theorie is van een noodlottigheid zonder genade: het WK wordt geannuleerd. De weersvoorspellingen voor regio Yorkshire zijn dreigender dan Patrick Lefever na een kritische tweet van Thijs Zonneveld. Nu deinzen ze bij de UCI doorgaans niet terug voor weerkundig onheil. Renners die ternauwernood aan de de verdrinkingsdood ontsnappen bezorgen de kijker immers gratis animatie en vermaak. Maar het zou gaan stormen, zeggen mensen die daarvoor gestudeerd hebben. Ergens, in een muf ruikend achterkamertje van de UCI-kantoren, wordt momenteel druk gezocht naar het Extreme Weather Protocol, een beduimeld velletje papier dat al jaren zoek is, en waarvan niemand zich herinnert wat er eigenlijk op stond. Als het ooit gevonden wordt krijgt een stagiair meteen de opdracht het twee keer door de papierversnipperaar te halen.


zondag 15 september 2019

De Vuelta: de slag om Spanje

Er leek geen einde te komen aan deze geaccidenteerde en brutale Ronde van Spanje.
Voor het wat minder bedeelde en beminde broertje van de grote rondes, deed deze Vuelta meer dan z'n best om de spannendste Tour in tijden naar de kroon te steken. Zo saai als de Giro zich dit jaar ontplooide, zo huiveringwekkend rolde de Vuelta zich uit over het grillige Spaanse landschap.

Was het dat belachelijk aantal hoogtemeters? Lag het aan het pesterige parcours, met steile geitenpaden en griezelige gravelstroken? Het weer, dat onspaans en bij momenten onmenselijk was? De knullige organisatie, die renners als te straffen krijgsgevangenen behandelde? Was het de wind die voor waaiers zorgde, het ultieme wielercadeautje? Of waren het de deelnemers, van strijdvaardige Spaanse ploegjes als Burgos-BH, over een enigmatisch Movistar zonder officiële rangorde, tot een Jumbo-Visma dat na een snelle groeispurt vrij moeiteloos wist te domineren? In ieder geval: er werd gekoerst met heldenmoed en de tong op de pedalen.

Wat valt er te onthouden, in goede en kwade zin? Veel, te veel om op te noemen. Voor verveling of wegdommelen was er geen tijd.

Meevallers

Tadej Pogacar. Voor de meeste beginners is zo'n eerste grand tour vooral een wijze les. Voor de piepjonge eerstejaarsprof uit Slovenië draaide het avontuur uit op een triomftocht: drie indrukwekkende ritzeges, de witte trui en derde in het eindklassement. De ontembare wijze waarop het knaapje in de voorlaatste en beslissende etappe driest ten strijde trok en Quintana van het podium flikkerde sloeg iedereen met verstomming.

Alejandro Valverde. Veel nieuwe harten heeft de veteraan wellicht niet gewonnen de afgelopen weken, en de prijs voor generositeit, team spirit en fair play zal hij nooit winnen. Maar het moet gezegd: wie op z'n 39ste, een leeftijd waarop de meeste renners hun fiets aan de wilgen hebben gehangen, zo snedig en verbeten omhoog rijdt en tweede wordt tussen twee verrekt goeie Slovenen, die mag uitzonderlijk heten.

Philippe Gilbert. Een mens zou het vergeten temidden van zoveel jeugdig geweld, maar oude rotten met een schijnbaar compleet palmarès kan je beter niet voorbarig afschrijven. Geen lastige Tour in de benen, gebeten om zijn bloedvorm te showen en maar liefst twee keer op het schavot. Zijn victorie in de waanzinnige waaieretappe was er eentje voor de geschiedenisboeken. Het mooist van al was misschien wel de gulheid waarmee hij de afvalrace afwerkte: Phil liet geen kans onbetuigd om z'n hardwerkende ploegmaat Tim De Clercq te bejubelen en oogste eeuwige bewondering voor de manier waarop hij in de laatste klimetappe z'n jonge en zwaar gehavende ploegmaat James Knox naar de finish bracht, als een vader die over z'n zieke zoon waakt. Ik weet voor wie ik de wielergoden zal smeken en bidden op 29 september. De koning der Belgen rijdt op twee wielen.

Tim De Clercq. Iedereen die ooit wielrenner wordt moet zich stiekem een wegkapitein wensen als Tim De Clercq. Tim leek gevleugeld door Spanje te zweven. Hoe slopender het werd, hoe langer Tim vooraan te vinden was, onvermoeibaar trappend als een vers geoliede machine. Een vriendelijke en beleefde jongen, onze Tim, maar wanneer zijn rechtvaardigheidsgevoel knaagt, dan doet hij wat moet: hij was de eerste die wereldkampioen Valverde een bolwassing gaf tijdens die drieste aanval na de monstercrash die Roglic en Lopez in de problemen bracht. Dat Verbrugghe maar snel laat weten dat Tim meegaat naar Yorkshire. Het tegendeel zou ronduit belachelijk zijn.

Tony Martin. Iedereen die ooit wielrenner wordt moet zich stiekem een wegkapitein wensen als Tony Martin. Het was een veelbesproken transfer, die van de viervoudig wereldkampioen tijdrijden op z'n retour naar Jumbo-Visma. Wat moest die versleten tijdrijder daar gaan doen na zo'n kwakkeljaar? Dat werd snel duidelijk: zowel in de Tour als in de Vuelta sleurde Martin het peloton vooruit aan het tempo dat hij geschikt vond. Heeft iemand geturfd hoeveel kilometers Tony aan kop reed? "Nu zal Martin wel snel opzij gaan," orakelde José in het laatste kwart van een sleuretappe. Een aankondiging die hij een kwartier later, en vervolgens een half uur later nog eens herhaalde, om af te sluiten met een bijna geïrriteerd "Tony jongen, het is goed geweest." Een dag later was het helaas écht goed geweest en moest der Tony naar huis, deze keer niet omdat hij stout was geweest, maar omdat hij onzacht in aanraking kwam met een stenen muur en het asfalt. Ik had hem deze keer nochtans zo graag de receptie gegund. Wereldkampioenen die dienstbaar kunnen koersen, ze zijn dun gezaaid.

Carl Fredrik Hagen: Een laatbloeier, deze Noorse ex-skiër (jaja, er zijn er nog). Vijf jaar geleden kroop hij voor het eerst op een koersfiets. Wielrennen is dan ook geen nationale sport, laat staan erfgoed in Noorwegen. Als achtste stranden in je allereerste grote ronde, een verrekt lastige dan nog: daar mogen een paar hoedjes voor af. Hoe hij na zijn tijdrit als een leeggelopen band over de meet viel zegt veel over het doorzettingsvermogen van deze revelatie.

James Knox: De rookie flirtte wekenlang met de toptien, maar werd er met de eindmeet in zicht brutaal uitgeflikkerd. Daags na de massale valpartij kwam James aan de start met twee armen en een been in het verband en een gepijnigde grimas. "Ik weet niet of ik vandaag ga kunnen finishen", meldde hij zorgelijk. Vaderlijk omringd door Gilbert en Stybar ploeterde hij zich door de ellendigste dag uit z'n jonge loopbaan naar een elfde plaats in het eindklassement. Hij werd er zowaar wat emo van.

Primoz Roglic: "Of hij niet een beetje kleurloze winnaar was?" vroeg Michel zich luidop af aan het eind van een folterende Vuelta. Nu had Primoz niet de horlepiep gedanst op het podium, noch was hij met een wheelie over de finish gesprongen en een groot orator ging er ook niet aan verloren. Maar kleurloos? Ondanks alle pech die hem achtervolgde, van lekkende plonsbadjes, over gruwelijke gravelstroken met ongelukkig geparkeerde motoren, tot het verliezen van twee belangrijke ploegpionnen, kwam hij nooit echt in gevaar. Ja, hij had die ene etappe kunnen winnen, maar besloot ze aan z'n jonge landgenoot te schenken. Zijn tijdrit was een mokerslag. Bergop was niemand zo consistent de sterkste. Dat Primoz geen stand up comedian of circusdier is, maar wel met voorsprong de sterkste renner van een uitputtende Vuelta, mag dat volstaan?

Sam Bennett: Mister Hattrick zou z'n bijnaam kunnen zijn. Drie zeges in de Giro van vorig jaar, drie in de BinckBank Tour en drie in de Vuelta. Sammy houdt van veelvoud. Met de Tour werd het nog nooit wat. De laatste keer dat hij die reed werd hij allerlaatste en keerde hij zonder bloemen naar huis. Volgend jaar wil hij er heel graag bijzijn, zegt hij. De geruchten over zijn overstap naar Quickstep-Deceuninck, waar hij Viviani zou vervangen, worden hopelijk snel bevestigd. Weinig renners die een lastige sprint in een rondewedstrijd zo fataal kunnen afmaken.

Sep Kuss: De mooiste zegetocht van deze Vuelta, en misschien wel van het jaar, staat achter de naam van een jonge Amerikaan. In de bergrit naar Sanctuario del Acebo sprong hij weg op de steilste stroken van de Acebo en kwam hij breed grijnzend en high fivend met het juichende publiek over de streep, vleesgeworden geluk op een fiets. Jumbo-Visma weet wél hoe je je renners beloont voor hun harde werk.

Tegenvallers

Wout Poels: Het werd niet de ronde van Poels. Niet dat hij geen dappere pogingen ondernam, maar het zat er simpelweg niet in. Dat de ploeg der rondeploegen een magere afvaardiging meestuurde ter versterking hielp de zaken ook niet vooruit. Poels moest z'n ploeggenoot Hart nederig laten voorgaan inzake strijdlust en hardnekkigheid.

Fernando Gaviria: Drie weken lang werd de Colombiaanse sprinter bevangen door heimwee naar die glorieuze Giro van 2017, toen hij maar liefst 4 etappes en de puntentrui achter z'n naam zette. Sindsdien gaat het niet geweldig, en dat is omfloerst uitgedrukt. We vergaten bijna dat hij meedeed. Een sprinter die niet wint is als een fiets zonder stuur: treurig.

Thomas De Gendt: Ik schrijf de naam De Gendt met veel tegenzin voluit onder de titel 'tegenvallen'. Misschien is het ook niet eerlijk. We zien hem veel te graag graag winnen. Als Thomas heerst is het met stip en sterren. Misschien zijn drie grote rondes gewoon écht te veel, al helemaal als de laatste er één is om van te gruwelen. Misschien is het feit dat hij ze alledrie uitreed gewoon een uitstekende reden om een extra categorie te bedenken die enkel hem past. Laten we Thomas gewoon alsnog een held noemen.

Miguel-Angel Lopez: Ik raak er niet uit of hij hier thuishoort, deze koene ridder onder de ronderenners. Oh, wat bleef hij knokken. Maar het was niet genoeg om de hooggespannen verwachtingen in te lossen. Zelfs die zuur verdiende witte trui speelde hij kwijt aan een dekselse snotneus. Strijdend ging hij ten onder.

Esteban Chaves: Waar was Chaves? Veel meer valt er helaas niet over te zeggen, of het moest de veel te grote fiets zijn waarop hij na een valpartij verder moest, ook al geraakte hij niet aan de trappers.

Opvallers

Het parcours: Soms vraagt een mens zich af wat parcoursbouwers bezielt. Peststrookjes waar geen weldenkend mens iemand overheen wil zien fietsen. Klimmetjes van 25 %. 6 cols op een dag. Geen wonder dat de koppen grauw, de oogkassen hol en de ledematen ingezwachteld en stram over de allerlaatste klim kwamen gerold.

De (des)organisatie. De Vuelta-organisatie heeft nooit vlekkeloos geheten. De Tour is een luxecruise vergeleken met de omstandigheden waarin renners drie weken door Spanje moeten ploeteren. Belachelijk lange transfers die renners drie uur doen reizen voor ze half slapend hun hotel bereiken; het ontbreken van eender welke vorm van beschutting tegen de regen voor en na een etappe. Met als dieptepunt de beelden van verkleumde renners die in de ongenadig stromende regen aanschoven bij de kabellift die hen naar de ploegbus moest brengen na een horroretappe in noodweer.

Het weer, of liever: geen weer. Terwijl het peloton in de Tour of Britain onder een stralend blauwe hemel reed, werden de renners in Spanje bekogeld met hagelstenen als knikkers en transformeerden onverharde wegen er in geen tijd tot rivieren. Het klimaat is even onvoorspelbaar als de koers en de ploegtactiek van Movistar.

Waaierrrrs: Wanneer een wielerfan het woord 'waaieralarm' leest gebeurt er iets bijzonders in zijn/haar bloedsomloop en gaat het knetteren in zijn/haar hoofdbedrading. Waaiers vallen niet te voorspellen en dus evenmin strak te plannen, en maken van schijnbaar rustige overgangs- of vlakke etappes een ware veldslag. Maar nooit werd een waaieretappe zo'n doldriest schouwspel als de 17de etappe van deze Vuelta. Dat uitgerekend de ploeg van de leider, een Nederlandse ploeg die perfect weet hoe je in de wind koerst, de voorste waaier miste, deed de bloeddruk fluks stijgen. Een slordige 220 km lang scheurde het peloton aan gemiddeld 50 km per uur over de Spaanse hoogvlakte. Een monstertijdrit en een absoluut record. Renners kwamen als vale vaatdoeken en half huilend over de meet, melkzuur uit al hun poriën gutsend.

Het plonsbadje: Nooit eerder werd een ploegentijdrit beslist door een plonsbadje. De kans dat zulks zich nog eens voordoet is even groot als de kans dat José De Cauwer ooit het woord kilometer uitspreekt zonder lange -ie.

De knie van Willie Smith. De Zuid-Afrikaan van Katusha crashte in etappe 14 en verscheen de dag nadien aan de start met een afzichtelijk gehechte kniewonde, alsof iemand rollade had willen maken van de loshangende vleesflappen. Waarom sommige renners doorrijden met dat soort verwondingen, het blijft een raadsel.

Movistar: Dat de Spaanse formatie niet bekend staat om haar glasheldere strategie en feilloze tactiek is een understatement. Net als in de Tour wist niemand precies voor wie de ploeg zich nu het snot voor de ogen moest rijden. De beelden van een woest armwiekende Marc Soler, schijnbaar onderweg naar de dagzege, maar abrupt gestopt om te wachten op uittredend kopman Quintana, deed de hashtag #freesoler viraal gaan. Wat hadden we te doen met Soler, altijd in de weer, altijd in de wind, maar nooit een kruimel gegund. Dat de twee kopmannen elkaar net als in de Tour geen meter gunden zorgde ook al niet voor veel sympathie. Maar de domste strategische move bewaarde de ploeg voor de 19de etappe, met een démarche die voor onweer in en rond het peloton zorgde. Onverhoeds en gemeen in de aanval trekken net wanneer er veertig man, waaronder de leider en z'n team, zwaar tegen het asfalt zijn gesmakt: het is niet verboden, maar vrienden maak je er niet mee. Koers is oorlog, wordt wel eens beweerd. Nonsens. Koers is sport: hard, maar liefst rechtvaardig. De unanieme afkeuring van zowat het hele peloton sprak boekdelen.

Haalden de selectie net niet: de leukste en aardigste bloggende Fries op 2 wielen in Spanje, Jetse Bol. Zijn ploegmaat Angel Madrazo, de aandoenlijkste bollentrui ever. Dylan Teuns, die rood pakte en net de toptien niet haalde. Revelatie Bouchard, die tot voor kort in de fietsenafdeling van Decathlon werkte en dan maar zelf begon te fietsen. Nairo Quintana, de vreemdste en meest onvoorspelbare renner van het decennium, die dagen van glorie afwisselt met dagen zonder betekenis, zoals mensen van onderbroek wisselen en nooit het achterste van z'n tong laat zien. De herboren Robert Gesink, van onmisbare waarde voor winnaar Roglic. Fabio Aru, die een comeback had gepland, maar roemloos huiswaarts fietste door een ellendig virus in z'n lijf. De jeugdige Fabio Jakobsen die z'n eerste grote ronde niet alleen uitreed, maar zelfs twee keer met de bloemen zwaaide. Pocketklimmer Higuita die de troostprijs pakte voor een geplaagd Education First.  Jakob Fuglsang die na de top in de Tour ook glorie in de Vuelta moest laten schieten, maar wel voor een fraaie dagzege tekende. Marc Soler, the working class hero van Movistar, die misschien eens op zoek moet naar een ploeg die hem toekomst en erkenning te bieden heeft.













vrijdag 13 september 2019

Gemiste kansen

Dat een van de beste en bekendste topsporters die ons land ooit kende een tweede comeback aankondigde was op zich al groot nieuws. De manier waarop ze dat deed en de heisa die de mededeling teweegbracht waren op z’n minst even opmerkelijk.

Kim Clijsters bracht iedereen op de hoogte met een filmpje waarin ze beschrijft hoe het moederschap al die tijd haar focus en aandacht vroegen, en hoe ze daarvan had genoten. Maar, zo vertelde ze, het kriebelde. De zin om op hoog niveau te tennissen was niet dood en begraven. 

Het was vast herkenbaar voor veel vrouwen en mannen met een job of passie die niet in een 9 to 5-kadertje past. Werken en zorgen combineren is sowieso best lastig. Als je job je lang en ver van huis stuurt, wordt het gewoon nog lastiger. 
Maar daarover ging het niet. Of toch niet helemaal. Van de weeromstuit werd Clijsters als tennissende moeder neergezet, in plaats van als een atleet die de top bereikte en die opnieuw wil bereiken. Van zodra een vrouw aangeeft dat ze haar kinderen belangrijk vindt, hoeft het niet meer over haar talent, haar ambities, haar dromen te gaan, maar is ze in de eerste plaats ‘mama’. Alsof niet elke ouder zijn of haar kinderen prioritair vindt. Alsof mannelijke sporters nooit worstelen met de combinatie topsport en gezin. Alleen wordt hen nooit gevraagd hoe ze dat doen, wekenlang van huis zijn en hun kinderen missen. 

De hoofdvogel werd naar goede gewoonte afgeschoten door Hans Vandeweghe, die niet alleen zijn ongevraagde mening gaf over de wenselijkheid van het plan, maar in één adem luidop de vraag stelde die alleen vrouwen krijgen: "hoe ze het allemaal dacht te combineren". Om af te ronden met de stelling dat we niet zitten te wachten op een match tussen de oudjes Williams-Clijsters, met in hun ‘players box’ elk een nanny die de kinderen vermaakt. 
Hoezo zitten we daar niet op te wachten? Als twee steengoede atleten van eender welke leeftijd zich met elkaar meten, dan heet dat topsport, zelfs als er kinderen in de buurt zijn. Is er iemand die het “een belediging voor het wielrennen” vindt dat Alejandro Valverde, 39 jaar, vader van 4, de piepjonge Pogacar van het podium fietst in de Vuelta? Op welke manier halen kinderen hebben of niet het niveau van een wedstrijd naar beneden? 

In de populaire kranten lazen we dan weer dat Kim haar comeback te danken heeft aan haar partner. “Dankzij hem kan zij opnieuw aan de bak”. Dat er anno 2019 nog steeds zo wordt gedacht over de rol van moeders en vaders, het is weinig bemoedigend en een belediging voor elke man die z’n best doet om een toegewijde vader te zijn. Alsof de kinderen van Clijsters niet prima door hun papa kunnen worden verzorgd en opgevoed terwijl mama op het veld staat. Alsof niet talloze mannelijke topsporters thuis een partner hebben die de boel bestiert en daar heel wat aan te danken hebben.

Het jammerlijkste van al zijn de gemiste kansen. De kans om het eindelijk eens te hebben over de combinatie topsport en gezin, voor vrouwen én mannen. De kans om ons af te vragen waarom zoveel vrouwelijke toppers stoppen van zodra ze kinderen willen. De kans om eens na te denken of en hoe we het hen makkelijker zouden kunnen maken om door te gaan, na een zwangerschap van 9 maanden en het herstellen van een bevalling.
De kans om te benoemen dat vrouwelijke beroepssporters in de meeste gevallen niet eens recht hebben op zwangerschapsverlof, en dus weinig andere opties hebben dan stoppen met waar ze goed in zijn als ze moeder willen worden. De kans om mannen eens niet weg te zetten als beroerde opvoeders en ongeïnteresseerd in hun kroost. 

vrijdag 6 september 2019

Stijlloos steil



Vuelta-kijkers kennen ze: van die etappes waarvan je bij het overschouwen van het parcoursverloop al accute rillingen, diarree en hartkloppingen krijgt. Je buik zegt "Yes! Bring it on!", je hoofd zegt "Oh nee, vreselijk!". En ergens daartussen in klopt een hart vol mededogen voor elke wielrenner die geen rasklimmer van 55 kilo is.

De Angliru, een monstercol waar de Vuelta prat op gaat, en waarover al vaker werd gemord, was blijkbaar niet lastig genoeg. Dus vonden de parcoursbouwers van de Vuelta 'Los Machucos', een klim met een naam als een vrolijk muziekinstrument, maar een helling vol horreur. Een slordige 7 kilometer, met stroken tot 25 %. Wie al eens op twee wielen bergop heeft gereden begint spontaan te zweten en te klappertanden bij de gedachte.
Voor dit soort etappes krijgen renners een fiets met extra kleine mountainbikeversnellingen. Anders gaan ze zwalpen, of staan ze stil. Dat kunnen we uiteraard niet toestaan.

Op koersdagen als deze vraag ik me af wie ze zijn, die parcoursknutselaars, die elk jaar op zoek gaan naar de onooglijkste veldwegels, de klunzigst door elkaar gegooide kasseien, de halsbrekendste afdalingen, de steilste paadjes. De meest plausibele verklaring voor het parcours dat de renners vandaag voor de knarsende kiezen kregen, is dat het bedacht werd door mensen die zelf nooit op een fiets hebben gezeten, laat staan beroepshalve. Maar neen. Brein achte deze ongein is Fernando Escartin, voormalig wielrenner, zelf uitermate tevreden over zijn vondst. "De renners zouden blij moeten zijn. We doen het immer ook voor hen", stelde Fernando hulpvaardig. Ik weet niet of er veel renners blij waren. Ik heb wel een vaag vermoeden dat het gros van het peloton hun gevoel van de dag niet meteen als "blijdschap" zouden omschrijven. Na afloop van de thriller-etappe bleven interviews met opgetogen wegkapiteins, puncheurs en sprinters vreemd genoeg uit. Waren ze niet blij dan, de ondankbaren?

Terwijl twee patente Slovenen de boel aan flarden reden gingen mijn gedachten uit naar heerlijke en onmisbare renners als Tim Declercq, Sam Bennett of Tony Martin. Bonkige kerels met dijen als hammen en een navenant gewicht. Een gewicht dat ze vandaag over die rotklim met de verdacht jolige naam dienden te sleuren, omdat iemand had bedacht dat dat goed was voor de kijkcijfers, en dat zij daar "blij" van moesten worden. Ik stel me voor hoe zij vannacht, in hun stoutmoedigste dromen, Fernando Escartin en zijn collega's bovenop 'Los Machucos' vastbinden aan een reusachtige skippy-bal, en hen dan tergend langzaam loslaten.











De Koning der Belgen

Hij was wat geprikkeld. Niet mee mogen naar de Tour, de Mount Olympus van de koers, waar hij vorig jaar op huiveringwekkende wijze in het bergdecor was gestuiterd: dat was een snoeiharde klap in z'n gezicht, zo eentje waar je een dag later nog steeds de vingerafdrukken van ziet.
Hij zou ze wel eens tonen wat voor onvergeeflijke vergissing dat was geweest.
Terwijl de halve ploeg zich voor pampus reed voor Juju, de God in Frankrijk, zon Philippe Gilbert op de mooiste revanche die er bestaat: heersen.

De transfer die zo lang over de tongen ging dat niemand er van opkeek, criticasters die opperden dat hij nu toch echt wel stokoud werd, de bankdirecteur die hem een pensioenbeleggingsplansimulatie stuurde: Phil, met een kop van Ardennees hardhout, wuifde ze weg als lastige vliegen. Winnen zou hij, en glorieus ook. Niet dat er nog iets te bewijzen valt: 76 profoverwinningen en een palmarès waar een beetje renner zelfs niet van durft dromen. Maar het heilig vuur in Gilbert is nog lang geen kwispelend waakvlammetje. Hij heeft nog een verlanglijstje, met daarop de enige klassieker die hij nog nooit won, die vervelende van Milaan naar San Remo. Die zou hem niet liggen, zo wordt gezegd. Alsof hij zich daar wat van aantrekt.

Het was het jaar van de jonkies, de knaapjes, de overmoedig aanstormende beginners, net uit de ketel met toverdrank gevist. Dat het vanaf nu voor de veteranen bijzonder lastig zou worden om te winnen, zo klonk het dreigend bij analysten en kenners. "Het zal best" dacht Gilbert, en won een slopende editie van de binkenkoers bij uitstek: Parijs-Roubaix. "Het zou kunnen", dacht Gilbert, en viel aan op een duizelingwekkend steile Spaanse muur. Tien vingers in de lucht, eentje voor elke etappe in een grote ronde, en een grijns van oor tot oor. Blij, maar niet uitzinnig. Dankbaar voor de fenomenale motor van Tim "el tractor" Declercq. Geliefde koningen zijn nooit bitter en altijd genereus. 

Eind deze maand valt er een wereldtitel te scoren op een parcours dat hem past als een spandex Supermanpak. Het zou z'n tweede regenboogtrui zijn. Die staat hem vast nog beeldiger dan de eerste.