biekesblog


dinsdag 8 september 2020

Geen waaiers, maar tranen

 


De ochtend bracht goed nieuws, tot opluchting van wie die nacht matig geslapen had en met klamme handjes aan het ontbijt zat. Geen enkele renner testte positief. Zonde voor de afgeleefde stakkerds die stiekem hadden gehoopt om huiswaarts te worden gestuurd voor de volgende cols.

Wie wel covid-postief testte was de Tourbaas zelf. Christian Prudhomme had zijn representatieve rol iets te letterlijk genomen en her en der een handje te veel geschud. Dat Prudhomme het afgelopen week-end doodgemoedereerd de Franse premier Castex rondreed in de Tourauto, waarna de premier zijn waardering uitsprak voor de keurige manier waarop het publiek de Tour had onthaald, deed al vermoeden dat niet iedereen even goed had opgelet. Président Prudhomme bleek zich in een parallel universum te bevinden, vrij van pandemieën en puberaal publiek.

 

Exit Christian Prudhomme, maar daar maalde niemand om. Alleen renners en fietsen zijn onvervangbaar in de Tour. Bovendien werden er halvelings waaiers voorspeld, een utstekende reden om van bij de start het uiterste puntje van een luie stoel op te zoeken. Helaas zagen wij vooral nervositeit en valpartijen, gedoe dat ik verwacht had, een voorspelling die al snel accurater zou blijken dan mijn bedroevende Tourpronostiek.

 

Over de onedele kunst van het koerspronostikeren kunnen wij enkel vertellen dat het veel weg heeft van wichelroede lopen of tasseografie.

Wekenlang hadden wij statistieken en algoritmen bestudeerd, parcours uit het hoofd geleerd en elkaar doelbewust bestookt met meer desinformatie dan bij de jongste Amerikaanse verkiezingen. Tevergeefs, zo bleek al snel. 

Een goede raad: vertrouw nooit op tips van zelfverklaarde ‘kenners’ als u een koersgokje wil wagen voor de eer, de lol of het goede doel.

 

Geen waaiers dus, maar een belachelijke opeenvolging van valpartijen. Een paar klassementskandidaten kwakten tegen het asfalt en moesten de achtervolging inzetten. Een van ‘mijn’ renners, Formolo, die hoogdringend eens mocht beginnen opleveren, kroop gehavend weer op z’n fiets, z’n rechterschouder in een zorgwekkende hoek. Mijn medelijden won het van mijn frustratie.

Het vallen deed de rust telkens even weerkeren. Renners leren ervaringsgericht, maar hebben een kort geheugen.

 

Terwijl wij geduldig wachtten, naar het scherm turend als duivenmelkers naar de lucht, tastten Michel en José in hun bodemloze zak vol anekdotes uit vervlogen tijden, altijd een veeg teken dat er vooralsnog weinig te beleven valt. Wie al eens koers kijkt op een andere zender begrijpt hoe gezegend wij zijn met onze wielercommentatoren. Het is met commentatoren als met kinderen: ze werken soms mateloos op je zenuwen, je vindt dat ze zeuren, maar zodra ze weg zijn wil je ze terug.

 

Het zou allemaal in de laatste 15 km moeten gebeuren. Helaas. Op 10 km van de meet was er geen waaier te bespeuren en deden wij luidop ons beklag over misleidende weersvoorspellingen. Hadden wij ons echt urenlang paraat gehouden voor een ordinaire massaspurt? Welja. Tot Sammy Bennett spontaan en gegêneerd in tranen uitbarstte na zijn uitgestelde winst. Toen pas herinnerden wij luie, zelfvoldane leeghangers van koerskijkers ons hoe hard renners labeuren, twijfelen en afzien, zelfs zonder waaiers.

maandag 7 september 2020

Rust roest

 


Rustdagen doorbreken de focus en de flow van de trouwe Tourkijkers en worden derhalve als een noodzakelijk kwaad beschouwd. Uit macht der gewoonte zetten Touradepten na de middag verlangend de tv aan, om vervolgens met een schok vast te stellen dat er zowaar niet gekoerst wordt. 

Wij ondergaan een rustdag zoals we slecht weer ondergaan: deemoedig en gelaten.

 

Deze rustdag brengt vooral onrust, in de vorm van honderden onheilspellende wattenstaafjes in de neuzen van renners, ploegleiders, soigneurs en mechaniciens. De afgelopen Pyreneeëntweedaagse, temidden van een massa uitzinnige Baskische wielerfans, die hun bieradem en geestdrift in de gezichten van de passerende renners brulden, baart nogal wat zorgen. 

Stel je voor dat je als toegewijde fan urenlang in de blakende zon of de druilerige mist op een Pyreneeëncol hebt staan wachten op je favoriet, om vervolgens te vernemen dat je al z’n kansen hebt gefnuikt met je speekselrijke aanmoedigingen.

 

Nu hebben rustdagen wel vaker voor commotie gezorgd. In 1964 was Jacques Anquetil op weg naar zijn vijfde Tourzege, een historisch record. Slechts een handvol seconden scheidden hem van zijn landgenoot Raymond Poulidor. Maar Anquetil was er gerust in, zo bleek. Zo gerust dat hij op de avond  van de rustdag stevig ging feesten. De dag nadien hakte de kater er stevig in. Op de top van de Port d’Envalira, ergens halverwege de etappe, stond hij maar liefst vier minuten achter op zijn rivaal. Zijn ploegleider, Raphaël Géminiani, sakkerde en wanhoopte, tot hij een even geniale als twijfelachtige ingeving kreeg en zijn renner een bidon champagne aanreikte. Een wilde gok, die goddank goed uitdraaide. Anquetil daalde de Port d’Envalira af als een bezetene en reed de kloof dicht. Nooit kwam Poulidor zo dicht bij de Tourzege als toen.

 

Het risico op straalbezopen of bekaterde renners weegt dit jaar niet op tegen de angst voor een wattenstaafje met een “positief” resultaat, eens wat anders dan een “positief” plasje. 

Eens mens zou heimwee krijgen naar de peilloze leegte van een doorsnee rustdag, bij uitstek geschikt om al dan niet vermeende dopingschandalen de wereld in te sturen, om nutteloze persconferenties bij te wonen vol bluf en strategische mistspuiterij, om een resem slimme en bedenkelijke transfers op te lijsten, of het het publiek te verblijden met aandoenlijke beelden van vrouwen en kinderen op bezoek.

 

Deze keer wil iedereen maar één ding weten: Wie test positief? Wie moet morgen tegen z’n zin en binnenvettend naar huis? Wie de Tour wint is onvoorspelbaarder dan ooit. Wie hem uitrijdt misschien een even groot raadsel.

zondag 6 september 2020

Mist


 Sommige vragen worden sneller beantwoord dan je had gewenst. De vraag wanneer Thibaut Pinot door zichzelf en het noodlot zou worden gesaboteerd was zo’n vraag. De tragische held Pinot is voorbestemd voor onheil. De beproevingen van Oedipus waren een ponykamp vergeleken met de noodlottigheden die Thibaut’s Tourdroom al jaren dwarsbomen. Een week na de start werd duidelijk dat hij ook dit jaar niet in het geel de Champs Elysées zou oprijden. Terwijl hij loste met een pijnlijke grimas schudde ik meewarig zuchtend mijn hoofd, denkend aan de demonen in het zijne. 

Pinot is de antithese van de vedette. Toen hij in 2015 na zijn zege in de ronde van Romandië werd uitgenodigd door minister Macron sloeg hij de invitatie droogjes af. Hij ging liever vissen. Thibaut prefeert een merguezworstje en een blikje bier boven chique diners. Hij houdt niet van aandacht en heisa, niet van schijnwerpers en kostuums. Als hij niet op de fiets zit, dan is hij het liefste thuis bij z’n ezels, honden en geitjes. De geitjes van Thibaut hebben een eigen Instagram-account, waarop we hem zien dollen met z’n huiselijke fauna, overduidelijk zoveel gelukkiger dan voor de camera’s. Diezelfde camera’s die hem minutenlang in het vizier hielden terwijl hij zichzelf lijdend vooruit sleurde. “Ga daar weg, stelletje voyeurs!”, roep de moederkloek in mij. Dat ik te weekhartig ben voor deze sport, bedenk ik vaak.

 

Ik dacht aan Thierry Gouvenou, de parcoursbedenker van de Tour. Ik stelde me voor hoe Thierry, bij het aanschouwen van het slagveld, minutenlang stomverbijsterd naar het scherm staarde en luid vloekte. Al het denkbare en ondenkbare had hij gedaan om de gele droom der natie, geïncarneerd door Pinot en Alaphilippe, te vervullen: de ploegentijdrit afgevoerd; één enkele individuele klimtijdrit op de agenda gezet; heuvels en cols zorgvuldig afgewogen en uitgekozen. Aan hem zou het niet liggen. En dan lieten die twee Franse sukkels zich op minuten rijden door een paar Slovenen en een bende Colombianen. 

 

Onder de overige slachtoffers van de Pyreneeën reken ik mijn Nederlandse koersvrienden, die hun ontzetting uitschreeuwden over de noeste ploegarbeid van Tom Dumoulin. Ook hij werd voortijdig geschrapt als zegekandidaat, in de eerste plaats door Dumoulin zelf. Tom, immer zelfkritisch en rechtlijnig, besloot dat hij niet goed genoeg was, en zette zich zonder dralen aan kop om de ploeg te dienen. “Doe dat toch niet!”, weerklonk het wanhopig in menig huiskamer. Ik vond Tom een hele heer, een nobele meneer. Maar bovenal vond ik het zonde.

 

“De Tour win je in bed”, beweerde Joop Zoetemelk. Volgens mij win je de Tour vooral in je hoofd. Het hoofd van een Tourwinnaar is opgeruimder dan de kleerkast van Marie Kondo. Alles ligt er op z’n plaats. Er slingert niets rond wat er niet thuishoort. Zo mistig als zondag op de Soudet wordt het er nooit. 

vrijdag 4 september 2020

Gejaagd door de wind



Kinderen en dieren worden onrustig wanneer het stevig waait. Minder geweten is dat wind gekke dingen doet in het hoofd van de koersfan. Van zodra iemand gewag maakt van waaiers stijgt ons adrenalinepeil en gaan wij naarstig op zoek naar wifi en beeld. 

Voor de koersleken: een waaier is de trapvormige formatie die een groep renners aanneemt wanneer de wind van opzij komt, om de windweerstand zo klein mogelijk te maken. Het klinkt bedrieglijk simpel, maar alleen al de gedachte aan waaiers doet sommige renners peentjes zweten. Wat la Planche des Belles Filles is voor een sprinter, dat zijn waaiers voor iele klimmerstypes en ongeoefdende dutsen: een verschrikking. Wie aan de staart hangt wordt er letterlijk uit gewaaid.

 

Waaiers zijn al wat nodig is om van een slaapverwekkende sprintetappe een slagveld te maken. Waaiers zijn oorlog. Wie niet mee is, wordt afgeslacht. Waaiers zijn onverwachte cadeautjes, toefjes versgeklopte slagroom op een versgebakken taart. 

 

De weersvoorspellingen en het terrein waren alvast veelbelovend. Zou het? Kon het zijn? Mochten we eindelijk hopen op Koers, na twee dagen gelummel en gelanterfant?

De jongens van Bora spuugden even in hun handen en gooiden een bommetje in het peloton. Het hele sprintersgild moest eraan geloven. Peter Sagan wilde z’n groene truitje terug en mende z’n troepen. Terecht. Niemand die Peter herkent in een gewoon ploegtruitje. Ik onderdrukte een vlaag van medelijden met al wie niet voorin zat. Koers is niet voor kinders. 

 

Terwijl ik genoot van de wrede chaos besloot Thomas een ‘De Gendtje’ te doen en op 94 km van de meet weg te glippen, alsof hij zich plots herinnerde dat hij dringend ergens verwacht werd. “Dit zal hij niet redden, hoor, orakelde José. Ik wuifde José z’n opmerking weg als een vervelende vlieg. Soms moet een mens gewoon even vurig in iets geloven.

Bovendien weet je het nooit met Thomas, die grossiert in mirakels en verbazing. Als Thomas De Gendt niet bestond, dan moest hij hoogdringend worden uitgevonden.

Even later slonk de voorsprong van De Gendt als de ijskappen op Antarctica: gestaag en verontrustend.

 

Gelukkig was er geen tijd om te treuren. Gelukkig kregen we waaiers. Wat overbleef van het peloton werd aan stukken gescheurd als een antilopenjong in de muil van een uitgehongerde leeuw. Er sloop zowaar een opgewonden tremolootje in de stem van Renaat. Michel herhaalde zijn absurde verzoek aan Roglic, de grootste kanshebber op geel in Parijs: Wout aan de zege helpen. Overmatig chauvinisme is een hardnekkige kwaal, eentje waar we geen gepaste remedie, maar een extra grote mantel der liefde voor hebben. 

Gelukkig won Wout, omdat het in de sterren en de wind geschreven stond; omdat niemand beter is dan Van Aert, opgetrokken uit kryptoniet en koppigheid.

donderdag 3 september 2020

Klimpijn




Bergen worden beroemd omdat er op gekoerst wordt. Sommige bergen worden beroemd omdat iemand erover schrijft.

De Mont Aigoual figureerde voor het laatst in de Tour in 1987 en staat enkel in mijn geheugen gegrift als de berg die schrijver Tim Krabbé, ‘De Renner’, in 1977 bedwong.

Ik las ‘De Renner’ als prille twintiger omdat iemand het mij had aangeraden, zoals dat gaat. Ik werkte me in één avond door de 150 pagina’s. Nooit had ik vermoed dat sport literatuur kon worden. Het hoofd van een renner is geen gezellige plek om te vertoeven, onthield ik voor altijd. Ik vond het fijn voor Tim Krabbé dat het Tourpeloton op zijn Mont Aigoual finishte, het soort eerbetoon dat klopt als een drinkbus.

 

Van die aankomst op de Mont Aigoual werd heel wat verwacht. De verwachtingen van koersfanaten staan altijd hoger gespannen dan wijselijk is, vooral wat stijg- en klimwerk betreft. Weinig dingen waar wij zo gehypnotiseerd naar staren als de lijdzame kop van de klimmer bergop. 

Klimmen doet pijn, we moeten daar eerlijk in zijn. Persoonlijk mijd ik pijn als de pest. Niet zo lang geleden wilde ik weten hoe ik beter kon leren klimmen. Het goede nieuws was dat iedereen het kan leren, aldus de experten. Het slechte nieuws was: “Vecht niet tegen de pijn in je benen, maar laat het je herinneren dat die pijn net de reden is waarom je zo graag fietst.”, Mijn klimdrang werd meteen getemperd. Zo dringend was dat hele klimmen nu ook niet en tenslotte was het jaagpad lekker makkelijk dichtbij.

 

Pijn is niet de reden waarom ik graag fiets, maar wellicht de reden waarom ik van bergetappes hou. In elke koersliefhebber schuilt een verdoken sadist.

Ik zag Greg omhoog zwalpen, met zorgwekkende zwiepjes naar links en rechts, en vroeg me af hij aan het genieten was. Zo zag het er niet uit, maar je weet het nooit. 

Jesus Herrada, een Spaanse renner met een naam die een klimmer betaamt, stampte zich een weg omhoog, z’n mond wijd open, een straaltje elastisch kwijl in de linkermondhoek. Anderen leken verdacht moeiteloos naar boven te glijden. Dat heb je wel vaker met wielrennen: dat het er zo idioot simpel uitziet. Kazach Alexey Lutsenko, de incarnatie van zijn ploegmanager en landgenoot Alexander Vinokourov, de man die in 2007 roemloos huiswaarts werd gestuurd nadat hij betrapt werd op bloeddoping, huppelde spelenderwijs naar de top. Ik vond er weinig aan, zoals wel vaker het geval is wanneer Astana wint. Koersfanaten zijn geen vergevingsgezinde mensensoort. De zwalpende Greg werd derde, eens wat anders dan vierde. Hoe zou het voelen om altijd goed te zijn, maar nooit meer de beste? En wat had Tim Krabbé daar ook alweer over geschreven?

Volksverheffing

Sprintetappes zijn de stiefkinderen van de Tour. Potentiële kijkers gaan er niet voor zitten, op de laatste 5 kilometer na, tenminste als ze op tijd wakker worden uit hun koersdutje. Klassementsrenners, de sterren van de show, halen er hun neus voor op. Alleen echte sprinters worden blij van sprinten, tenminste als ze op hun fiets blijven zitten, een niet vanzelfsprekende vanzelfsprekendheid.

Pure sprinters zijn vreemde eenden in de bijt, rondrijdende afwijkingen van de rennersnatuur. Wielrennen is in se een duursport. Een sprinter sleurt honderden kilometers lang z’n gewicht aan nutteloze anaërobe type 2-spieren over berg en dal om hopelijk een halve minuut voor de meet toe te slaan in één welgemikte explosie.

Over de psyche van de sprinter wordt vanalles verteld, niet noodzakelijk waarheden. Dat het alfamannetjes met een kort lontje zijn; dat ze als eksters verzot zijn op al wat blinkt; dat ze fietsen zonder remmen; dat ze niet tegen hun verlies kunnen.

 

Een wielerfotograaf deelde een foto van Caleb Ewan, een wonderlijk soepele en zwierige sprinter die ik nooit van al het bovenstaande zou verdenken. De kuiten van Ewan speelden de hoofdrol in de foto: strakker gespannen dan een bungee-elastiek waar honderd kilo waaghals aan bungelt; een compositie vol expressie. De kuiten van Ewan knipoogden en grijnsden tegelijk. Ik probeerde de kuiten tevergeefs te spotten in het lusteloos keuvelende peloton. Sprinters beschikken over de goddelijke gave van het onzichtbaar opgaan in de massa. Verdwijnen is een kunst die sprinters goed uitkomt: zorg dat niemand op je let, zodat je plots kan verschijnen in een flits.

 

“Er gebeurt geen reet”, verzuchtte Renaat halverwege de etappe, een waarheid als een kudde koeien. Er gebeurde niets van enig belang. Renners fietsten door het landschap als een groep schoolkinderen op begeleide excursie. Ik hoopte bijna dat iemand zou vallen ter animatie, een lelijke gedachte die ik meteen verdrong.

 

Toch horen sprintetappes bij de Tour om tal van redenen. Waar en wanneer krijgt de indommelende koerskijker zoveel gedetailleerde duiding over koersromances, vetes, transfers en akkefietjes als tijdens een slaapverwekkende Touretappe? Op een kleurrijke achtergrond van futloze fietsers leren wij nutteloze weetjes over kastelen, lokale gebruiken, het rijpingsproces van deze of gene Franse kaas of het vervaardigen van eikenhouten wijnvaten; over horlogerie, suikergoed, het café van wijlen de schoonvader van Eddy Merckx of in welke uitspanning ze de lekkerste coq au vin serveren. Lange, vlakke touretappes zijn een unieke vorm van volksverheffing. 

 

Volksverheffend of slaapverwekkend, de laatste kilometer van de sprintetappe brengt doorgaans genoeg instant suspens om het geeuwen snel te vergeten. Vooral wanneer Wout de sprint wint, al was het maar omdat iedereen nu eindelijk kan stoppen met zeuren.

dinsdag 1 september 2020

Vroege vlucht


Weinig wielergebruiken zijn zo lastig uit te leggen als de vroege vlucht. Renners die uit het peloton wegschieten als gummi kogels uit een nerfpistool terwijl het startschot nog in hun oren ruist.

Geen Tourdag zonder een groepje wanhopigen en waaghalzen die ontsnappen uit het lijvige peloton, nog voor Michel en José hun potje fabriekspudding hebben uitgeschraapt. Statistisch gezien is de kans dat de vluchters het uitzingen tot de finish uiterst klein. De voortvluchtigen mogen best even hun kans wagen, naar hun ouders, lief of bomma wuiven, de sponsor paaien, zich een paar uur een held wanen. Maar winnen is hen zelden gegund.

 

Als jeugdig koersleek stond ik er steevast wat bedroefd naar te staren, naar die ongenadig tikkende chrono die de slinkende voorsprong wegtikte; hoe zo’n dapper groepje zonder mededogen werd ingehaald door een driest jagend peloton. Al die moeite voor niets; zoveel vruchteloos vergoten zweet. De vluchters zelf leken nochtans zelden diep teleurgesteld, alsof ze het al van bij de aanvang van hun excursie hadden geweten. Intussen weet ik dat koers een apart soort logica hanteert, makkelijk te verwarren met absurditeit.

 

De allermooiste vluchten zijn solovluchten. Weinig dingen zo lastig als urenlang moederziel alleen een ritmisch ronddraaiend peloton voor blijven, opgejaagd als een hert in november.

Drieënvijftig jaar geleden ging de Fransman Albert Bourlon er in de Touretappe van Carcassonne naar Luchon alleen vandoor op 253 kilometer van de streep, een record. Geen zinnig renner die aan zo’n exploot begint. Bourlon won de rit met 16’20” voorsprong. Het zou duren tot 1991 vooraleer er iemand in z’n buurt kwam, toen Thierry Marie 234 solokilometers maalde tussen Arras en Le Havre. Een exploot dat hij deels zingend tot een goed einde bracht.

Dagen met kansen voor avonturiers worden in onze contreien ook wel Thomas De Gendt-dagen genoemd. Op zulke dagen wachten wij semi-geduldig op de opwindende woorden “aanval De Gendt”. De Gendt is een cultbaroudeur die van gewiekst wegsluipen een kunst en handelsmerk heeft gemaakt. Ik verdenk hem ervan het motto “Aanvallen is vrijheid” op z’n linkerbil te hebben getatoueerd. Als Thomas aanvalt wordt er hoorbaar gezucht in het peloton. Vallen doet hij zelden. Tot woeste manoeuvres laat Thomas zich niet verleiden. Trappen doet hij alleen of in bescheiden gezelschap. Thomas is dat onpeilbare, onverstoorbare jongetje in de klas dat liefst alleen speelt.

Voorlopig blijft ons halfslachtige geduld onbeloond. Thomas sukkelt, niet zozeer met zichzelf, maar met een geblokkeerde rug, een pijnlijk euvel dat zijn gebruikelijke aanvalslust beteugelt. Gelukkig is Parijs nog ver. Na dagen, wat zeg ik, maanden vol kranige hopeloosheid kan ik wel een dosis avontuur gebruiken.

maandag 31 augustus 2020

Waterdrager



De avond van de heugelijke tweede Tourdag, waarop chouchou Loulou zich voor de vijftiende keer in z’n leven in het geel nestelde, keek ik naar Karl en zijn gevolg in Vive Le Vélo. Eddy Planckaert, het prototype van de jolige nonkel, die furore maakte op de fiets in een tijdperk van klakskes, dubieuze bidons en combines, deelde zijn ontgoocheling over Wout van Aert. Of beter: over het gebrek aan eigenzin en solo slim van Wout van Aert. Dat Wout die dag gespot was met een half dozijn bidons op z’n rug, dat vond hij een schande. Kampioenen horen geen waterdragers te zijn, vond nonkel Eddy, die ik overigens een lieverd vind.

Kampioenen lieten hun stinksokken wassen door een eerbiedige knecht. Ze lieten zich desnoods de trap op dragen om hun gouden benen te sparen. Maar water dragen, nee, dat hoorde niet. Kampioenen moesten winnen dedju.

 

Zelf was ik intussen klaar met het gedram, gemiep en gepiep over de kansen van Wout, met de eindeloze reeks varianten op dezelfde vraag die hij intussen al een keer of twintig had beantwoord. Coureurs zijn geduldige mensen.

Zelf vond ik het prachtig, die gebochelde Wout; toonbeeld van plichtsbesef, vleesgeworden zelfvertrouwen. 

Zelf geloof ik vurig in wederkerigheid, een keurig en omzwachteld woord voor karma.

 

In een koersgek land zijn fans onbetamelijk gulzig. Van zodra een coureur begint te winnen is het nooit meer genoeg. Status plakt aan een rennerslijf als pek met pauwenveren. 

Bovendien weten wij veel beter dan wie ook hoe hij/zij winnen moet.

Languit op de sofa verkondigen zelfverklaarde en andere kenners zonder schroom wat onze helden op twee wielen moeten doen en laten. Stoppen met crossen. Beginnen met crossen. Afvallen, maar niet te veel. Geen water dragen. Eigen kansen grijpen, zelfs wanneer die kansen kleiner zijn dan de kans dat ik ooit gezwind de Monte Zoncolan over geraak. De ploegorde negeren.

Renners die de ploegtactiek negeren zijn helden als ze zegevieren, verraders als ze

een van onze knuffelkampioenen de pas afsnijden.

 

Mijn gedachten dwaalden af naar tal van vileine vetes en duels die ooit binnen een ploeg werden uitgevochten. Hinault die nog liever dood van z’n fiets viel dan die jonge Amerikaanse snoeshaan de zege te gunnen. Froome die pas ophield met z’n ploegmaat Thomas te bestoken toen duidelijk werd dat hij zelf echt niet winnen zou. De revolte van Marc Soler die z’n oortjes driftig weggooide omdat hij het bevel kreeg te wachten terwijl hij het podium al kon ruiken

 

Wielrennen is een ploegsport, maar op het hoogste schavot is er maar plaats voor één.

Als je wint, heb je vrienden. Verliezen is altijd je eigen schuld.

zondag 30 augustus 2020

Turbulentie


Veel mensen denken dat wielrennen een eenvoudige sport is. Wie het hardst kan fietsen wint. Zij dwalen. Wie de koers wint wordt bepaald door onnoemelijk veel toevalligheden,  meevallers en malheuren. Een wegwapperend jasje. Een verdwaalde bidon. Een beginner die stoemelings uitwijkt. Een overstekende toeschouwer. Een lekkend plonsbadje. Het weer.

De openingsetappe van deze bizarre Tour deed haar uiterste best om de factor noodlot optimaal te demonstreren. Het regende namelijk in Nice, waar het seizoen op 14 maart voortijdig tot stilstand kwam. Het was alsof de stad wraak nam om alles wat haar was ontnomen: de juichende massa, de feestelijke goudgele gloed in de straten, de opgetogen gezichten van duizenden koersfans die de stad hadden moeten overspoelen. In geen tijd lag het asfalt, waar in geen maanden een druppel overheen gevallen was, vol geschaafde en gekneusde renners. 

Ruim de helft van het peloton smakte tegen het vettige asfalt, alsof renners na maanden vol vertwijfeling vergeten waren hoe je op een fiets zit. Ik dacht aan de moeders van al die vallende jongens, die thuis de handen voor hun ogen sloegen. Zelf kijk ik steeds vaker naar de koers zoals sommige mensen naar een bloederige thriller. Je wilt het niet zien, maar toch blijf je staren, als een voyeur die op het punt staat betrapt te worden.

 

Ik vroeg me af waar de jury was. Wellicht op zoek naar het neutraliseringsprotocol, een vergeeld A4-tje dat al jaren zoek is. Toen vond Tony Martin, een man van staal en weinig woorden, het welletjes. De kapitein ankerde het zinkende schip. Met twee pezige armen temperde Tony de verongelijkte troepen, een gedemodeerd démarche uit vervlogen tijden van patrons en ongeschreven hiërarchie. Iemand moest het doen. Je hoorde een zucht van opluchting door het gekneusde peloton glijden. Een gedroomde kans om er vandoor te sjezen, vond een weerspannig setje van Astana. Hoogmoed komt voor de val, bedacht ik, terwijl ik Lopez uit de bocht en in de richting van een verkeerspaal zag slieren.

 

Een dag koersen en al zoveel gebroken: de knieschijf van Philippe Gilbert; het dijbeen van Raphael Valls, de Tourplannen van oudstrijder John Degenkolb, het fragiele vertrouwen van Thibaut Pinot, het klassement van Pavel Sivakov, de gele Woutdroom van een hele natie.

Terwijl de betonnen Alexander Kristoff breed door z’n mondkapje heen stond te grijnzen op een verlaten podium, verlangde de rest al naar huis. 

Hoe ver is Parijs?


Lang geleden, toen zomers nog eenvoudig waren in hun uitgestrekte leegte, aromatisch geurend naar versgemaaid gras en Caprisonne, vormden lome vakantiedagen zich naadloos rond het grillige parcours van de Tour de France.

Elke zomer leek op de vorige en de volgende; altijd was er de Tour, een drieweekse tragedie in 21 bedrijven, met op de achtergrond het geruststellende koor brommende bassen van Mark Vanlombeek en Mark Uytterhoeven. 

Na het avondeten speelden mijn broer en ik de etappe van de dag na met plastic wielrennertjes, morsig beschilderd met goedkope plakkaatverf. 

De Tour hoorde bij de zomer als kerstmis bij de winter, als appelbloesems bij de lente, als vallende bladeren bij de herfst. De Tour in september is als sneeuw in april. Je had er niet meer op gerekend, maar je beseft dat er iets uitzonderlijks gebeurt.

 

Terwijl de zomer op z’n laatste logge benen loopt, vermoeid als een drachtig trekpaard, kijk ik uit naar een peloton op drift dat zich een weg baant langs Franse zonnebloemvelden, boomgaarden en barbaarse bergpassen. Een verlangen dat enkel getemperd wordt door de sluimerende vrees dat iemand alsnog het hele feestelijke circus zal afblazen, nog voor Christian Prudhomme met de rode vod heeft gezwaaid.

Wat weten wij eigenlijk over deze rare uitgestelde processie op twee wielen, over het vormpeil van haar verwarde troepen, over de implicaties van een dartel ronddwarrelend virus op een rondreizend peloton? Alles is anders, niets is als vanouds. Onheil loert geniepig achter elk kilometerpaaltje.

 

Tussen chaos en orde liggen onnoemelijk veel mogelijkheden.

Zelf heb ik veel meer vragen dan “wie wint de Tour”, de hamvraag waarop het antwoord bijzaak is.

Welke zeldzame accute blessures en allergieën zullen ploegdokters bedenken om hun kopmannen in koers te houden wanneer een knecht covid-positief test?

Wie troost er des avonds de arme sprinters wanneer ze brak en moegetergd in hun bedjes liggen na een dag vol hoogtemeters en klimpijn?

Wie zorgt er voor de geitjes van Thibaut Pinot?

Waarom, oh waarom, is de meest esthetische aller disciplines, de ploegentijdrit, van de menukaart gehaald?

Dachten de Tourparcoursbouwers wel eens met een zweem van schuldgevoel aan bonkige beukers als Tim Declercq, 78 kilo spieren droog aan de haak?

Wat met Wout: knecht of kroonprins?

En de hoofdvraag: Geraakt de karavaan de Pyreneeën over of komt hij op onthutsend abrupte wijze tot stilstand tussen twee Alpencols?

 

Na een lente en een zomer als een braakliggend stuk dorre grond, verheug ik mij zoals alleen geoefende koersverheugers kunnen: gulzig, gretig, maar met de daver op het lijf.

Laat de chaos beginnen.