biekesblog


dinsdag 5 april 2022

De grijns van de toekomst

 Winnaar Biniam Girmay zou Gent-Wevelgem eigenlijk niet eens rijden |  Sportnieuws

Elk jaar dezelfde vraag van de koersleken in mijn directe omgeving: Hoezo Gent-Wevelgem start niet in Gent? Voor eens en voor altijd: Van 1934 tot 2002 lag de start wel degelijk in Gent, tot een eerbiedloze onverlaat in een vlaag van verstandsverbijstering besloot dat het onooglijke Deinze geschikter was. Als je eenmaal begint te morrelen aan tradities is het hek van de dam en kan je net zo goed de hele boel overhoop gooien, dus sinds 2020 vertrekt het peloton in Ieper. Erg veel doet het er voorts niet toe. Wat telt zijn de Moeren, de Kemmelberg en de wind.

Of er wind staat en hoeveel en van waar hij komt is een van de prangendste kwesties omtrent Gent-Wevelgem, een koers met een bewogen windgeschiedenis. De stormeditie van 2015 staat in het koersgeheugen gegrift, met renners die als dorre bladeren de gracht in geblazen werden tijdens hun doortocht door de Moeren. 

Elke fatsoenlijke voorbeschouwing op G-W vereist dus een blik op de weersvoorspellingen. Die stelden bij voorbaat teleur: de wind gaf niet thuis. Geen waaiers in de Moeren. Maar ach, in een streek die oorlog ademt en vrede predikt vecht je misschien beter zonder valse wapens.

 

Alles aan de Westhoek ademt dingen die voorbij zijn maar nooit vergeten worden. Vlaamse velden vol verlies en verdriet.

Midden in die velden reed snotneus Biniam Girmay. Nog niet zo lang geleden een bevlogen jongen die de onverharde wegen van Asmara, Eritrea onveilig maakte met z’n mountainbike. Vandaag een instantheld op Vlaamse kasseiwegen. In geen tijd veroverde Bini menig koershart door redelijk onvoorbereid, schijnbaar per abuis, maar pertinent voorin te eindigen in ongeveer elke onverkende en onbekende voorjaarskoers.

Lustig en gezwind dokkerde Bini over kasseien en hellingen die hij nog nooit van dichtbij had gezien, nauwelijks onder de indruk van de Vlaamse koersgekte en de heldenstatus van zijn collega’s, even blij als oplettend.

 

Je wist dat die grote zege eraan zat te komen, dat het een kwestie van tijd was. Niet of, maar wanneer?

Vandaag, was het antwoord. Want waarom zou je wachten om te doen waartoe je bent voorbestemd? Nu is vaak het juiste moment.

En wat een moment zou het worden. De beste ploeg van het voorjaar kloppen in een zenuwslopende sprint, in een koers waar je eigenlijk niet aan mee zou doen, maar je was hier nu toch. Van “ooit een steengoede renner worden” naar “een steengoede renner zijn” terwijl je met je ogen knippert.

 

Natuurlijk is het baanbrekend dat een renner van kleur en uit een continent zonder klassiekers een grote koers wint. Maar misschien moeten we Biniam Girmay niet omhangen en bevangen met een lading symboliek en verantwoordelijkheid waar hij niet voor gekozen heeft. Rolmodel word je soms tegen wil en dank. Ik kan alleen maar denken aan al die eenzame maanden, ver weg van huis en thuis, die de achttienjarige Biniam doorbracht in Zwitserland, moederziel alleen op een kamertje; een leven van slapen, eten, trainen en missen, op repeat; en hoe zoveel gemis en hardnekkigheid vandaag eindelijk loonden. In de podiumgrijns van Biniam lag de toekomst van de koers verscholen.

zondag 20 maart 2022

Levensverachting

Matej Mohoric taken to hospital after bike snaps in two in 'awful crash' at  Giro d'Italia on Stage 9 - Cycling video - Eurosport 

In 1920 won voormalig textielarbeider en worstelaar Gaetano Belloni, de Italaanse Poulidor avant la letttre, de wielerwedstrijd Milaan-San Remo met 2 uur voorsprong op de nummers 2 tot en met 5.

Belloni fietste zonder rechterduim en -wijsvinger vermits hij beide lichaamsdelen kwijtraakte in een fabrieksongeval. Vandaag zou Gaetano al lang een hyper-innovatieve prothese hebben gehad, eentje met extra-grip en vernuftige opties tegen allerlei ongemakken inzake doorbloeding, lichaamstemperatuur en transpiratie-afdrijving.

Voor alles lijkt vandaag een oplossing te bestaan. Anti-lekbanden, ijsvesten, softshell windstoppers, windtunnelonderzoek, lizard skins stuurlint en elektronische deraiilleurs. Innovatie en techniek verhelpen elk koerseuvel, van zodra iemand begrijpt dat winnen niet alleen met de benen gebeurt.

Zo wordt verteld dat Constante Girardengo tijdens Milaan-San Remo ergerlijk lang met een weerspannig vastgevroren wiel klungelde en uit woede z’n fiets tegen de grond kwakte en een kruis in de grond tekende als teken van opgave. De verlossende snelspanner liet niet lang op zich wachten, met dank aan een andere Italiaanse renner, Tullio Campagnolo, die het gehannes met wielen zo beu was dat hij zwoor zelf een handiger systeem uit te dokteren, een belofte die hij plechtig nakwam.

 

Net als je denkt dat alles zo onderhand wel is uitgevonden, komt er iemand met een nieuwe gekkigheid op de proppen. Zo verscheen Matej Mohoric aan de start in Milaan met een ‘dropper post’, een snufje uit het mountainbiken, dat een renner toelaat om met een druk op de knop de zadelhoogte aan te passen. Als het zadel zakt kan je er ver achter gaan hangen om je zwaartepunt te verplaatsen. Bovendien kan je met zo'n dropper veel lager op je fiets gaan zitten, wat aerodynamischer is in de afdalingen. 

 

Ook wanneer hij zonder dropper koerst kijk ik met tegenzin en roffelend hart naar een dalende Matej Mohoric. Vorig jaar kukelde Matej in de Giro op spectaculaire wijze over kop in een scherpe bocht tijdens het afdalen van de Passo Godi. Even later werd hij per brancard weggevoerd. Sommige mensen leren uit de gevolgen van hun roekeloosheid. Anderen zijn immuun voor angst of wanen zich onsterfelijk.

Ook zondag, tijdens de krankzinnige afdaling van de Poggio, ging het twee keer bijna mis. Terwijl Matej rakelings langs een muur scheerde prevelde ik een schietgebedje voor de mensen die van hem hielden en deze zelfmoordactie ongewild aanschouwden. Dit is doodsverachting, bedacht ik. 

Koersen doe je om te winnen, maar welke prijs is de zege waard? Een vinger? Een vinger en een een duim? Een jaar revalideren? Een gebroken huwelijk? De slapeloze nachten van je moeder? Op de beurs der zeges overstijgt de vraag het aanbod permanent, een garantie op woekerprijzen. 

 

Geen enkele slimme uitvinding of hoogtechnologische innnovatie beschermt een mens tegen het noodlot van een gemiste bocht, een confrontatie met een muur of een wenkend ravijn.

Wie de dood veracht, veracht vooral het leven.

maandag 14 maart 2022

Pogalyps

 Tadej Pogacar is klaar voor 2022: “Als ik in de Ronde van Vlaanderen een  kans krijg, dan pak ik hem” | Wielrennen | hln.be

Wielrennen wordt tegenwoordig uitgedrukt in wattages en VO2 max-scores. De hoeveelheid energie die een renner kan leveren per tijdseenheid, het volume zuurstof dat een renner kan transporteren en metaboliseren per minuut inspanning: op basis van staalharde data schatten we het potentieel van een wielrenner. De prestatie van vandaag voorspelt de mogelijke prestaties in de toekomst.

Die toenemende verwetenschappelijking en statistificatie verdeelt de meningen, tussen zij die wielrennen zomaar een sport vinden en zij die in de koers een hybride kunstvorm zien.

Hoeveel heroïek blijft er over van een exploot wanneer het in tabellen en grafieken belandt? Hoe onverschrokken is de held(in) met de blik gefixeerd op het fietscomputertje?

Lijden is een onmisbare factor in de appreciatie. Diep gaan, labeuren, sloven, baggeren, jakkeren, ploeteren, stuk gaan willen wij zien. De smarten van een renner worden niet gemeten of vergeleken, hoogstens gesmaakt.

 

Renners die niet lijden zijn een aberratie, een aanfluiting van de edele essentie van de wielerkunst. Ze bieden een ander, minder doorleefd, voornamelijk beleefd esthetisch genoegen dan de zwoegende stoempers die kwijlend en grimassend over de meet komen, waar goddank iemand klaarstaat om hen op te vangen voor zij uitgedoofd ter aarde storten. Renners die niet lijden verpesten de sfeer nog voor het feest ontaard is.

 

Onder alle niet-lijdende wielrenners in mijn geheugen is er geen die met zulk aanstootgevend gemak rondtrapt als het zondagskind Tadej Pogaçar, de zoon van Pippi Langkous en Huckleberry Finn. Alles aan Tadej roept ontsteltenis op: de schijnbare achteloosheid waarmee hij uithaalt, het plukje haar dat steevast weerspannig ontsnapt uit zijn aerodynamische helm, de grijns van een kwajongen die net belletje trek deed bij de bitsige buurvrouw die verdwaalde ballen lek prikt. Tadej koerst niet, maar speelt.

Tadej zou even schattig en vermakelijk kunnen zijn als een kwispelende puppy, als hij niet zo onheilspellend was.

Onheil kondigt zich zelden aan als een afzichtelijk monster, maar komt onuitgenodigd binnen als een charmante stofzuigerverkoper. Je opent de deur en het is al te laat. 

 

De data, statistieken en grafieken van Tadej tonen zijn potentieel aan de hand van een steile opwaartse curve. De puppy wordt een meute hongerige bloedhonden. De kwajongen wordt een straatbende. De stofzuigerverkoper worden drie stofzuigerverkopers.

Er is niets aan te doen”, verzuchtte de commentator gelaten, toen de schavuit een tandje bijstak zonder te ademen en zijn speelkameraadjes zieltogend achterliet.

Dingen waaraan niets te doen valt zijn noodlottig. Noodweer; een epidemie; de zeven plagen van Egypte; de sirenen, heksen en eenogige reuzen die Odysseus belaagden: allemaal noodlot.

Tadej Pogaçar is noodlot op twee wielen; aangekondigd, voorspeld en voorzien, maar niet op legale of moreel acceptabele wijze af te weren. In noodlot valt enkel te berusten.

 

 

zondag 6 maart 2022

Monumentaal

 Strade Bianche féminines : Lotte Kopecky l'emporte + classement complet 

Al jaren wordt er gedisputeerd over de vraag of de Strade Bianche al dan niet een monument mag heten. Het zal je wat. Monumenten zijn restanten van een verleden dat nooit meer terugkomt, waaraan niets meer valt te verhelpen.

Terugkijken helpt een mens niet vooruit, helemaal niet op de fiets. Wat baat het terug te denken aan die lekke band op 36 km van het Piazza del Campo, die weerspannige ketting aan de voet van de Oude Kwaremont, die leegloper en die veel te grote reservefiets in de finale van je allereerste Parijs-Roubaix, die valpartij in Tokio? Waarom zou je graaien in die grabbelbak vol rampspoed en tegenslag in je geheugen?

Vandaag kijk je vooruit, naar het roomkleurige grind waar je tubes wonderlijk ongehavend over heen rollen, alsof je zit te zwiften; naar het wiel van de taaiste tegenstand.

 

Ze zeggen dat je een sprinter bent, dus je naam ontbreekt in de lijstjes met topfavorieten. Ze zeggen dat die laatste strook te steil is voor jou. Ze zeggen dat je het eenzame uithangbord bent van het vaderlandse vrouwenwielrennen, woorden die als een molensteen om je nek hangen. Ze zeggen zo veel. Zelf zeg je doorgaans niet zo veel, want er wordt al genoeg gezegd en soms het stomste eerst. 

 

Al wat vandaag telt is dat wiel. Dat zwiepende, zwierende, striemende wiel van die pezige vrouw voor je, die Marvel-heldin die alles al gewonnen heeft en maar niet wijken wil; die nooit geklopt wordt bergop; die Colombiaanse cols bedwingt zoals Pacman koekjes weghapt. Haar wiel is het centrum van je universum-voor-één-dag.


En de cipressen schudden van nee en knikken van ja in de voorjaarswind die het stof tot in je longen jaagt, en het regent drieste demarrages, maar jij blijft onverstoorbaar zitten waar je zit, achter dat wiel. Tot er niemand meer is behalve jij en dat op hol geslagen wiel dat de Via Santa Caterina bestormt alsof de weg niet stug omhoog loopt, maar gemoedelijk glooit. En oh, wat zou je graag gaan liggen want je kan niet meer, maar je mag niet liggen, want je moet trappen, en je klampt en je bijt en je stampt, en Anna schreeuwt je trommelvlies aan flarden tot je hoofd suist, en je dijen janken, en het is niet meer ver, maar wel nog vreselijk hoog, en daar is de bocht, en je weet niet waarom maar je neemt hem langs de juiste kant, en de mensen roepen, maar je hoort ze niet, en plots is het weg, dat wiel. Plots is er niets meer behalve die prachtige reusachtige schelp van een plein die zich als een vriendelijke hand voor je opent en waar je schreeuw galmt als de klokken van de Torre della Mangia die Pasen en Kerstmis tegelijk luiden.

Eindelijk mag je gaan liggen.

Helden

 ImageNiets annonceert de nakende lente en een langverwacht nieuw seizoen als een peloton popelende renners in het Kuipke, waar hun namen weerklinken als kerkklokken op een hoogdag.

Geen doeltreffender remedie tegen weltschmertz en moedeloosheid dan het smachten naar de eerste blijde intrede van een kolonne wielrijdende helden. Nooit hou ik meer van Vlaanderen dan op dit soort dagen, wanneer onooglijke steenwegen en hobbelige kasseistraten voor één dag gewijde grond worden, waar morgen alweer een tractor of een mestkar overheen dendert.

 

Zelfs koersfans die stellig beweren dat slecht weer het koersverloop bevordert juichten stiekem toen ze de zon over paraat gehelmde kruinen zagen schijnen. Niet omdat wij zo innig meeleven met verkleumende renners, maar omdat een volksfeest beter gevierd wordt op straat dan in een schemerige huiskamer. Met autokoffers en campers vol proviand en gelegenheidsmeubilair trokken feestvierders naar de Haaghoek, de Leberg en de Kapelmuur. Ze pleurden een afgedankt neplederen bankstel of een klaptafel op de stoep, gaven thermossen lauwe koffie, stukken taart en frisse pintjes door. Op het terras van café Den Drijhaard in Brakel verbroederden luidruchtige studenten met minzame zeventigers die zich de Omloop Het Volk nog herinneren. Kinderen dartelden als bedrijvige bijen door het gewoel in piepkleine Jumbo-Vismatruitjes.


Wie nooit naar de koers gaat begrijpt niet waarom mensen naar de koers gaan. Waarom zou je een comfortabele sofa en de koelkast binnen handbereik ruilen voor een tochtig gehucht om een meute op hol geslagen fietsers in een flits voorbij te zien razen? Waarom zou je zoveel moeite doen om zo weinig te zien? De essentie is niet wat er te zien valt, maar wat haast tastbaar in de lucht hangt, als pollen en stuifmeel: goesting. De goesting om te leven, om even ergens volmaakt content te zijn, om met een wildvreemde te praten, om samen vriendschappelijk een van de heerlijkste bijkomstigheden van het leven te fêteren.

 

En zo riepen wij luid en eensgezind: “Allez Tiesj!”, een leuze die naadloos overging in “Allez Victor”, uitbarstte in een oorverdovend “Allez Wout”, en nog genoeg adem vond voor “Allez, Lotte!” en “Allez Annemiek!”. Allemaal helden voor één dag.

Onze helden kunnen fictief, dood of levend zijn. Doorgaans vertonen ze moed, talent of bravoure in hun daden, liefst ook in hun spreken en denken. Altijd vertellen ze iets over onszelf, over onze wensen, dromen en verlangens.


Niet elke held is een winnaar. Niet elke winnaar wordt een held. Wat van mensen helden maakt is hoe ze obstakels overwinnen en wat ze ons vertellen. Een wereldleider zet zijn status in om te vernietigen en te heersen. De held kijkt omhoog, kust een paar geliefden, erkent de relativiteit van de triomf en herkent de essentie van het bestaan. Echte helden weten immers wat belangrijk is: het leven, de liefde en de vrede. 

vrijdag 21 januari 2022

Een jaar met Beltran


 Ik zocht geen hond want ik had er al één, en zorgen deed ik al genoeg. Maar algoritmen trekken zich niets aan van wat je zoekt of net niet. Zo kwam het dat ik op een grauwe decemberdag onverhoeds in twee treurige zwarte ogen keek en verloren was.

Ik weet niet waarom ik als een brokstuk van een rotswand voor hem viel. Waren het de rossige lange oortjes? Was het de smekende blik? Het aandoenlijke schuine kopje? Of het feit dat iemand hem na 10 jaar zonder pardon uit het huis had gezet?

Drie keer klikte ik hem weg. Drie keer zocht ik hem terug om onbestemde redenen.

Ten einde raad legde ik de kwestie voor aan de gezinsraad, behalve uit mezelf enkel bestaande uit twee zonen die van ons huis al lang een complete kinderboerderij hadden gemaakt, als het aan hen had gelegen.

Na kort en verschroeiend efficiënt beraad kwam de gezinsraad tot de unanieme conclusie dat er geen contra’s waren. Dat hij oud was vond niemand een bezwaar.

 

Met roffelend hart stuurde ik een bericht naar de mevrouw van de vzw die thuisloze honden plaatst. Dat wij hem heel graag wilden. Vier uur later een bericht: dat hij al gereserveerd was. Mijn ontgoocheling verraste zelfs mij. Om 23u ’s avonds een nieuw bericht: dat men bij nader inzien van mening was dat hij bij ons gelukkiger zou zijn dan bij de andere kandidaat, die alleen in een appartement woonde. Ik deed m’n best het sneu te vinden voor mijn tegenkandidaat, maar dat mislukte. 

Pas toen drongen de consequenties van mijn coup de foudre tot mij door. Wat als het arme beest getraumatiseerd was? Wat als hij het hier niet leuk vond? Wat als we elkaar niet lagen? Wat als hij een asociaal en bijtgraag mormel bleek te zijn?

Vier weken later pas mochten wij ons naar Tilburg begeven om de kleine asielzoeker op te halen, een zee van tijd om te piekeren en te panikeren.

 

Die zaterdag regende het onophoudelijk en de lucht was honderd soorten grijs. De spanning hing als smog in de auto. We praatten weinig, want opwinding beneemt een mens de adem.

We reden verkeerd en stonden een half uur lang op de foute plek te wachten. Toen we hem uiteindelijk vonden zat hij, veel kleiner dan verwacht, in een verroest kooitje op ons te wachten. Open ging het kooitje, zodat we hem zachtjes konden aaien en sussen. Wat was hij klein. En aandoenlijk vooral. Als een hoogbejaard mevrouwtje reed ik naar huis, alsof ik de overdonderde nieuwkomer op de achterbank wilde ontzien.

 

24 uur later had ik een schaduw, die mij ook vergezelde wanneer de zon niet scheen. Alsof hij gewoon besloten had mij blind te vertrouwen en zijn leven en welzijn in mijn handen te leggen. Alles vond hij prima, zolang ik binnen z’n gezichtsveld bleef. Dus zeulde ik elke avond een zwaarlijvige teckel de trap op om hem naast mij in bed te installeren, waarna hij meteen als een blok in slaap viel, z’n spitse grijze neus in m’n oksel. 

Na 6 weken was hij z’n overgewicht en z’n doffe vacht kwijt. Na 2 maanden blafte hij voor het eerst, een hilarisch blafje dat zelfs de kat niet imponeerde. Na 3 maanden zeulde ik hem op m’n rug mee de trein op, naar kantoor, waar hij meteen op zoek ging naar voor het grijpen liggende lunchpakketten en op de vloer plaste, mankementen die hij compenseerde met charme en innemendheid.


Uren bracht hij door op de schoot en in de armen van vrienden, ook van diegenen die niets hadden met honden, maar voor hem spontaan een uitzondering maakten. Hij spendeerde veel te veel tijd in de kille gang van ons huis, geduldig en hardnekkig wachtend tot ik terug zou komen van de winkel, een vergadering, een sportles. Ik begon me te haasten wanneer ik zonder hem weg was, omdat de gedachte aan hem zonder mij niet klopte. Ik oefende me in slow walking, een ware opdracht voor iemand met veel tempo en weinig geduld. Hij bleek even koppig als snoezig, even contrair als aanhankelijk. Ik hou van de rondedansjes waarmee ik begroet word aan de voordeur, van de knorgeluidjes die hij maakt wanneer hij het naar z’n zin heeft, van zijn maffe sprongetjes wanneer hij eten krijgt, van hoe hij zijn kopje tegen mijn schouder legt wanneer ik hem naar buiten draag, zelfs van zijn onnavolgbare gave om altijd en overal in de weg te zitten zodat ik over hem struikel. Mensen die hun hond innig graag zien waren om meewarig mee te lachen, tot nu. 

 

Vandaag is hij een jaar bij ons en niemand weet nog hoe het leven was zonder hem, alsof hij altijd al bij ons hoorde. Hij is mijn vijfde ledemaat, mijn buddy, mijn geluksbrenger. Ik negeer zijn artrose, de ruis in z'n hart en zijn gebit als een vergeten kerkhof, verdring de gedachte aan de korte tijd die mij met hem rest; tijd als een kostbaar, maar fragiel cadeautje, waar ik elke dag dankbaar voor ben.

zaterdag 2 oktober 2021

Hel en heil

 Geen fotobeschrijving beschikbaar.Wie weet nog wie de allereerste winnaar van de helletocht was? De Duitse Josef Fischer reed in 1896 als primus over puin, grind en zand naar de meet van Roubaix. Van kasseien was nog geen sprake. Die kwamen er pas na WOI, om de wegen die door oorlogsgeweld waren vernield accuraat te herstellen. Vandaag staat Parijs-Roubaix synoniem voor het geluid van fietsbanden die oorverdovend luid en aan een verschroeiend tempo over de kasseien dokkeren. Dakadakadakakdaka. Wat dat schudden en denderen met een mensenlijf doet is voer voor urologen en psychologen. Zelfs als je met ongeschonden ballen of vulva aan de finish komt, zien je handpalmen eruit als pastrami. Rauw, rood en aan flarden geschuurd vlees. Kasseien kennen geen genade.

Daar lagen ze dan, schijnbaar achteloos en lukraak, zonder logisch of geometrisch patroon over de aarde uitgestrooid, als vers van de boom gevallen kastanjes. 

Eigenlijk waren ze nooit bedoeld om overheen te fietsen. Waarom zou je fietsen in een landschap dat opgekropte treurnis ademt? Waarom zou je fietsen van aardappel- naar maïsveld onder een ontroostbare hemel, terwijl opspattend slijk je huidplooien doet dichtslibben? Waarom zou je fietsen op een plek die enkel herbergzaam is voor traag gelooide landbouwers, boerenpaarden en tractoren?

 

Maar ze wilden het zo graag, meneer. Was het de zwaar beladen geschiedenis van de race of de symboliek van de knoestige kassei die hen zo koppig deed verlangen? Ik denk dat ik weet waarom de vrouwen vandaag zo diep voldaan over de meet kwamen. Een slordige eeuw en een kwart was hen verteld dat hun tere gestel niet gemaakt was voor dit soort exploot. Hun baarmoeders en eileiders zouden imploderen; het voortbestaan van de mensheid zou in gedrang komen als vrouwen zichzelf aan dergelijke zelfkwelling blootstelden. Dat het voor velen “de schoonste want ellendigste koers van het jaar” was deed niet terzake. Vrouwen moest men tegen zichzelf en de elementen beschermen. Niet voor hen zelf, maar voor de goede orde der zaken. 

 

Vandaag zag ik 123 vrouwen aan de start staan van hun allereerste Paris-Roubaix. Onversaagd en opgewonden. Blij vooral, omdat het eindelijk mocht. Opgelucht, trots en geschonden kwamen ze over de finish, alle slijk en rampspoed ten spijt. Lizzie Deignan ging iedereen voor, haar ongeschoeide handen als pastrami, haar stuur bebloed, haar stem wiebelig van emotie. Lizzie had nochtans al vaker een lastige koers gewonnen. Lizzie had jaren gekoerst op het scherp van de snee, en passant een kind gebaard, en was vervolgens teruggekomen om opnieuw te koersen alsof ze nooit was weggeweest. Lizzie had luid en onbevreesd bepleit dat vrouwelijke renners een zwangerschapsverlof verdienen, zoals iedere andere werknemer. Lizzie had haar stem gebruikt wanneer het nodig was. Uitgerekend op deze heugelijk historische dag voor het vrouwenwielrennen sjeesde dappere Lizzie op 81 km van de finish weg, moederziel alleen, blote handen op een schokkend en schuddend stuur, blik op de einder. Dat Lizzie won was van de zuiverste poëtische gerechtigheid.

 

“Hoe ze zich voelde”, vroeg de journalist obligaat. Wist Lizzie veel. Ze had zichzelf net de koershistorie in gefietst; haar handpalmen brandden, en oh wat was ze vuil en moe. Achter Lizzie’s smalle en beproefde rug kwam de ene na de andere beslijkte renster binnen, grijnzend, ongeacht haar ranking. Allemaal wisten ze wat een bijzondere dag het was geweest. Zo’n dag die je nooit meer vergeet, niet zozeer omwille van de schaaf- en andere wonden, de kou en de smerige nattigheid, maar omdat je samen geschiedenis hebt geschreven; omdat er opnieuw een kassei verlegd is, hoe onooglijk en knoestig ook.

woensdag 28 juli 2021

Scharrelkippen

Eieren: scharrel, vrije uitloop, biologisch | Milieu Centraal

Terwijl ik grimassend van de spierpijn na een doodgewone sporttraining voor doodgewone stervelingen van de sofa naar het koffieapparaat sukkelde, begon Wout van Aert aan zijn Olympische tijdrit. De verwachtingen van de natie hingen zwaar en dreigend als onweer in de lucht. Wanneer wij onze olympische dromen de vrije loop laten zijn ze als scharrelkippen. Ze rennen en pikken lukraak in het rond, zonder zichtbare logica.

De vaderlandse sportmedia hadden het bier al koel gezet om de vanzelfsprekende medaille te vieren. Wout moest enkel nog starten en trappen. Eitje, zei de kip.

Niemand die zich afvroeg of je wel de beste kan zijn in een loeizware klimtijdrit nadat je in 4 weken tijd een krachttoer van een Tour de France en een exemplarische olympische wegrit hebt gereden. Sportdromen zijn ballonnetjes van teflon. Vragen en bedenkingen zijn voor later, veel later, wanneer het ei niet gelegd raakt en de ballon openspat met een sisser, wanneer wij verongelijkt naar het resultaat staren, alsof atleten voor ons, en alleen voor ons sporten.


Ontgoochelend, teleurstellend, afknapper. Er bestaan veel woorden voor wat we voelen als sportdromen geen waarheid worden. Het grappige is dat ze nooit onszelf betreffen. Altijd is het de atleet, de prestatie, de omstandigheid die ontgoochelt, teleurstelt, afknapt. Wijzelf zijn de zielige slachtoffers van het onderpresteren, de slappe tactiek, het gebrek aan wilskracht of motivatie, het ondermaatse vormpeil. Arme wij, zielig pruilend op de sofa. Want wij hadden recht op die medaille.


Dat topsporters zichzelf elke dag binnenste buiten keren, van hun gefocuste hoofd tot hun verkrampte tenen, schijnt aan onze aandacht te ontsnappen, verblind door de medaillespiegel.

Zelf vraag ik me permanent af hoe je dat doet, topsporter zijn en niet bezwijken onder de broeierige hoop en de drukkende verwachting, onder je eigen spartaanse leven; hoe je elke dag voor dag en dauw in een stinkend chloorbad kunt liggen zonder je af te vragen waarom; hoe je wekenlang weg van huis op een kale berg kunt zitten, ver van je gezin, om pestcols te vreten alsof het koekjes zijn; hoe je na elke ellendige en pijnlijke blessure weer rechtkrabbelt, je lijf gedeukt, gescheurd, gebroken, en gewoon weer van nul begint; hoe je niet gillend gek wordt van zo’n gepijnigd bestaan.


Wout won geen goud. Zelfs geen zilver of brons. Zesde worden bleek het hoogst haalbare. Wout bleek geen androïde, maar een mens te zijn, een vermoeide mens bovendien. De tank was leeg, het vat was af, het lijf sputterde. 

Daar vonden sommige mensen wat van, en veel bovendien. Want zij waren ontgoocheld, teleurgesteld, afgeknapt op deze povere prestatie. Zo gaat dat met verwachtingen: ze kakelen, maar denken niet. Ze pikken, maar herinneren niet. Ze scharrelen, ook al ligt er nergens nog wat eetbaars.


Ik dacht aan die keer dat de leraar Nederlands “Jij kan beter” op mijn rapport schreef, nadat ik mezelf dagenlang had uitgewrongen boven een blad papier en het beste wat ik daar en dan kon schrijven had neergepend.

“Fuck you”, dacht ik. “Hoe weet jij of ik beter kan? Zat je naast me terwijl ik schreef, schrapte, herschreef en nog meer schrapte, om vervolgens opnieuw te beginnen? Zat je in mijn hoofd, waar de letters en woorden over elkaar buitelden tot ik er duizelig van werd? Denk je dat ik schrijf voor jou, en je ongegeneerde wensen?"


Naar goede gewoonte zocht Wout geen excuses. “Ik kon niet beter.” Waarmee eigenlijk elke discussie beslecht had moeten zijn. Alsof iemand die net drie cruciale Touretappes heeft gewonnen en tweede werd in een slopende Olympische afvalrace zich moet verantwoorden. Wie het allerbeste van zichzelf geeft, die laat je voorts met rust. Die pijnig je niet met je eigen fabuleuze dromen en wensen. Die is jou niets verschuldigd.

zondag 18 juli 2021

Wat als

 Tour de France | Alles wat je moet weten over etappe 21: Mantes-la-Jolie –  Parijs | Wieler Revue

Wat als Primoz Roglic niet op dag drie z’n stuur in dat van Sonny Colbrell had gehaakt om vervolgens als een papieren vliegtuigje ter aarde te storten. Wat als Mathieu van der Poel niet zo nodig wilde mountainbiken en ook daarin zo idioot en zichtbaar goed zijn, en in Frankrijk was gebleven. Wat als Jonas Vingegaard zijn kopman en doelstelling niet op dag drie had zien zinken als een lekke sloep. Wat als het weer in Frankrijk niet zo ontmoedigend guur en klam was geweest, maar het peloton zich doorheen een langgerekte hittegolf van klif naar veldwegel naar col naar boulevard had gesleept.                                                                                                                           Wat als Richard Carapaz net dat tikje beter z’n best had gedaan om een degelijke tijdrijder te worden. Wat als Mark Cavendish niet als een drenkeling aan boord was gehesen van de blauwe tanker. Wat als Dries Devenyns niet drie weken lang voor Cav had gezorgd als een toegewijde vader voor z’n bedlegerige zieke kind en gewoon voor zichzelf en niemand anders had getrapt. Wat als Wout van Aert in de modder en het zand van zijn geliefde Kempen was gebleven en niet zo schrikwekkend en splijtend hard over asfalt was beginnen fietsen. Wat als Tadej Pogacar op z’n tiende was gaan voetballen zoals alle andere tienjarige jongetjes. Wat als iemand op die laatste dag richting Parijs had besloten dat het pas voorbij is op de meet en dat lauwe bubbels slurpen op een racefiets voor boomers is.

 

De koers is als het leven: een bakje fichekaarten met zinloze “wat als?”-vragen. Hoop en verwachting lopen vast in toevallige feiten en stommiteiten. Die ene gemiste bocht of afslag; die ene dag met een jasje te weinig om het lijf; die ene dwaze beslissing of het uitblijven van eender welke beslissing. Achteraf is alles helder als een Alpenbeekje. Waarom en door wiens stomme schuld de dingen liepen zoals ze niet hoorden te lopen; waarom wij toch gelijk hadden in ons flagrante ongelijk: na afloop en met de puinhoop voor ogen lag de plot van bij het begin vast. Zie je wel dat en ik zei het toch en had ik het niet voorspeld.

 

Het einde van een Tour de France is als het opbreken van een scoutskamp. Bij het neerhalen van de tenten, het blussen van de laatste restjes smeulend vuur en het bij elkaar grabbelen van verloren voorwerpen hebben we al heimwee. Verkleumde vingers en zere ledematen worden futiliteiten of kostbare vertelsels wanneer het einde zich presenteert. Zelfs de vervelendste pestkop van de groep krijgt instant vergiffenis wanneer alles onherroepelijk voorbij is.

Het einde van een Tour de France is als de allerlaatste episode van je favoriete feuilleton. Terwijl de eindgeneriek over het scherm schuift mis je de personages al, zelfs de kleurloze en de gemene, de irritante en de overbodige. Je vergeeft de scenarist die paar ongeloofwaardige of al te noodlottige afleveringen. 

 

Wat ik ga missen: het kluwen aan verhaallijnen; de publiek geheime vetes; de kansloze vlucht van de dag die plots niet kansloos blijkt; de suizende geruchtenmolen vol roddels en vermoedens over mechanische en andere doping; de astronomische verwachtingen die de verzamelde koersmedia dagelijks projecteren op het granieten lijf van Wout; José die Bissegger hardnekkig Bissinger blijft noemen, ook na nadrukkelijke correcties van Michel; de geaffecteerde nadruk op de eerste lettergreep van het woord landgenoten in de mond van Michel Wuyts; Renaat die van geestdrift bijna van z’n motor stuitert; vloeken naar hersenloos meehobbelende toeschouwers in een bezwete onderbroek; vruchteloze pogingen om wanhoopstactieken te doorgronden; blij zijn dat de afdaling voorbij is; voorbeschouwen, nabeschouwen, voorbeschouwen op het nabeschouwen; het dagelijkse verheugen op alweer een nieuwe dag vol nieuwe kansen.

 

Het enige mooie aan de laatste etappe van een Tour de France zijn de mondhoeken op elk rennersgezicht, krullend van vreugde, trots, opluchting, of een combinatie van al die dingen, voor het blote oog amper van elkaar te onderscheiden. De foltering is voorbij. De schijnwerpers worden gedoofd. Commentatoren houden hun mond. Ploegleiders brullen niet langer in je oren dat je harder moet trappen of net niet, terwijl het melkzuur uit die getergde oren spuit. Een fris biertje en een pizza ipv een weegschaaltje met eiwitten en koolhydraten. Geen camera’s en microfoons, maar je lief, je vrouw, je kind, je moeder, je vader, je vrienden, je eigen bed die op je wachten. Elke reis leidt uiteindelijk naar huis, naar een thuis waar zelfs een coureur weer gewoon een mens mag worden.

Op is op

Thomas De Gendt tot einde 2022 bij Lotto Soudal | Lotto Soudal

Hij liet het haast achteloos vallen, als iemand die meedeelt dat hij even naar de bakker gaat. Thomas De Gendt was nooit de man van het grote gebaar en de ronkende verklaring. Mensen die hard kunnen fietsen hebben weinig woorden nodig en beperken zich tot het noodzakelijke en feitelijke. "De kans is heel groot dat dit mijn laatste Tour was. Ik heb hier nog weinig te zoeken." Noodzakelijk en feitelijk of niet, mijn hart kromp even samen. Natuurlijk wist ik dat Thomas niet eeuwig zou blijven trappen, zoals schrijvers niet eeuwig blijven schrijven. Vroeg of laat, op een willekeurig en onvoorzien moment is het op. Wat er precies op is, dat is niet altijd duidelijk, maar dat “het” op is staat vast.

Thomas heeft een speciaal plekje in de koerskamer van mijn hart. Geen sterallures, maar laconieke eigenzinnigheid. Geen boodschappenlijst aan zeges, maar een verpletterende manier van winnen. Als Thomas zegevierde, kostte het vingernagels, grijze haren, tranen en sleetplekken in de parketvloer. Zijn laatste en meest ophefmakende solo in de Tour van 2019 jaagde mijn kinderen uit de voortuin naar binnen met het dringende en gegêneerde verzoek om alstublieft en in vredesnaam wat minder luid te roepen voor de buren. 

Renners komen, renners gaan. Het lot van elke renner is een definitieve eindmeet, een laatste eindstand. Nog één keer over de finish bollen en dan is het voorbij. Ik vraag me af hoe je best afstapt na een leven op, door en voor de fiets. Zwierig en vol bravoure, of traag en met zware benen en gedachten; met tegenzin en spijt, of eerder opgelucht na een jong leven vol ijver en streven?

Dat er volgend jaar een Tourpeloton van start gaat zonder Thomas is een gedachte die ik liever uit de weg ga. Maar aan eindigheid valt niet te ontkomen. Niet die van een renner die zijn lijf heeft opgebruikt. Niet die van de Tour die op z’n laatste stramme benen richting Parijs bolt. Niet die van de strijd om een gele trui die ontiegelijk vroeg in een gestreken plooi lag en alle alternatieve uitkomsten van de tafel veegde. 

 

Ook het peloton had last van de nakende eindigheid in de laatste gewone etappe. Wie nog niet scoorde hengelde naar een laatste waterkans. Slechts twintig fortuinlijke ontsnappers konden nog een paar uur dromen van de bloemen. De vluchters hadden mieren in hun broek en serveerden een wilde kermiskoers met 7 demarrages per minuut. Ik werd er een beetje duizelig van. Het was Sloveens kampioen Matej Mohoric die onverbiddelijk een einde maakte aan 19 ijdele dromen. Matej ging solo, zoals Thomas op z’n beste dagen, en snorde gezwind door de tegenwind. “Jammer, niks aan te doen”, zuchtte Jasper Stuyven met een stem die oversloeg van ontgoocheling. Nog twee keer slapen, jongens, en dan is het voorbij.