biekesblog


dinsdag 16 juli 2024

TdF2024: In het stof

 Jasper Stuyven in tranen na dramatische ontknoping in Troyes: "Weer  hetzelfde liedje" | WielerFlits

Gravellen is hot. Zo hot dat de ASO een graveldagje inlaste in de Tour. Voor de leken: we hebben het over fietsen op onverharde wegen. Heel leuk voor wie avontuurlijk is ingesteld. Nieuw allerminst. Het is niet omdat je iets een hippe naam geeften  er een hele cultuur aan ophangt dat het nieuw is. Trouwens, het vrouwenpeloton verteerde twee jaar geleden in hun eerste Tour de France al een reeks gravelstroken. Een experiment dat geslaagd werd bevonden. Maar hemel, wat een heisa. Naarmate de dag vorderde klonk het alsof het Tourpeloton door brandende hoepels en kolkende lava moest fietsen. Zoals dat gaat bij nieuwigheden werden voor- en tegenstanders van het onverharde werk uitgebreid bevraagd naar hun bezwaren en argumenten. Niemand zei dat het vooral veel te veel werk was. Ploegen hadden immers al hun werknemers, vrijwilligers en de broers, zussen en vrienden van de vrijwilligers opgetrommeld om langs de kant van de weg te staan met reservewielen en bevoorrading. De planners en fixers hadden er doorwaakte nachten met hooguit drie uur slaap opzitten en dan nog was niemand er gerust in.

Wieleranalysten zijn geboren onheilsprofeten. Wat fout kan gaan zal in hun doorgewinterde verbeelding vrijwel zeker fout gaan. Dat is niet onlogisch vermits er in geen enkele andere sport zo veel fout gaat, het meest ondenkbare eerst. Zelfs de meest stoïcijnse coureur werd licht zenuwachtig van het opbod aan waarschuwingen. Niet dat de profeten helemaal ongelijk hadden. Half koers was ik de tel van de lekke banden al kwijt en van zodra ik drie minuten het scherm verliet begreep ik niets meer van de situatie. Het regende demarrages, mechanische akkefietjes en stof. Maar oh wat was het entertainend. Al het gepruttel en gemopper was weinig meer dan muzak in de achtergrond van de heerlijkste Touretappe van de eerste negen dagen. Ik had geen tijd om naar de wc te gaan. Jonas Vingegaard had geen tijd om de fiets van Jan Tratnik, waar hij na pech op verder moest, weer in te ruilen voor een passender exemplaar. Remco had geen tijd om rustig te blijven. Europees kampioen gravel Jasper Stuyven had geen tijd om zich af te vragen wie zijn gravelfeestje zou verpesten. Tadej Pogacar had geen tijd om te wachten op eender wie en wie goed luisterde hoorde tanden en kiezen breken in zijn achtervolging. En stof, verblindende wolken stof, overal stof.

Geen van de vier toppers kraakte in de chaos. Gelukkig luisteren renners niet naar commentatoren. Alle verwoede pogingen van de man in het geel bleken uiteindelijk voor niets. Helemaal vooraan knokte Jasper nog moederziel alleen tegen al de rest, z’n mond open, z’n tong op z’n pedalen. Maar het mocht niet zijn. Terwijl Jasper net voor de meet zonder compassie werd gegrepen hoorde ik mijn hart heel stil krak fluisteren. Wat een onverbiddelijke sport. Soms komen rustdagen maar net op tijd, niet alleen voor de renners, maar ook voor de kijkers.

TdF2024: Eeuwig leven

 I've never had as much power in four hours before' - Meet Jonas Abrahamsen,  the Tour de France's breakaway star | Cycling Weekly

Elke Tour krijgt z’n eigen publieksheld, het soort renner die niet meedoet in de strijd om de toptien, maar van aanvallen een doel op zich heeft gemaakt; een jeugdige Don Quijote op twee wielen die de orde verstoort en de wetten tart.

Jonas Abrahamsen speelt die rol overtuigend en met verve. In een etappe die tromroffelend werd aangekondigd als eentje die van bij de start hartstochtelijk zou worden bevochten, sloop Jonas er meteen vandoor. Wat verraste was niet zijn gevleugelde ontsnapping in het middeleeuwse Semur-en-Auxois, maar het feit dat de rest zonder veel tegenspartelen liet gaan, alsof de Noors jeune premier zich gedwee zou laten vangen. Daarvoor had hij zich niet in die bollenoutfit gehesen: bollentrui, bollenbroek, bollensokken, bollenhelm, bollenlogo op z’n fiets en zelfs een bollenbril, zodat er geen enkel twijfel kon bestaan over wie de rechtmatige eigenaar van de bergtrui was. Het parcours voorspelde nochtans dat de dappere rebel het niet zou halen. Even voorbij de start ligt Alise-Sainte-Reine, waar de Romeinen in 52 voor Christus de dappere Galliërs in de pan hakten. Geen goed voorteken.

Het kostte het peloton bijna een complete etappe over golvend en uitdagend terrein om die gekke Abrahamsen tot de orde te roepen.

Terwijl Jonas vastberaden vooruit snelde en het peloton sakkerend op hem jaagde werd het even stil in het commentaarhok. Er was slecht nieuws uit de Ronde van Oostenrijk: Andre Drege, een andere aanvalslustige Noor, mee in de kopgroep van de dag, was zwaar gevallen in de afdaling van de Grossglockner en overleefde de crash niet. Een half uur eerder hielden Renaat en José nog stiekem hout vast nadat ze luidop hadden vastgesteld dat we tot nader order een opmerkelijk veilige Tour hadden gezien. Terwijl zijn ploegleider Jonas Abrahamsen vooruit schreeuwde moest een andere ploegleider duizend km verder de ouders van hun jonge renner het meest ondraaglijke nieuws brengen. Alweer een naam die voor altijd een belofte blijft.

Vaker dan mij lief is vraag ik me af hoe de renners die hun passie overleven gewoon verder durven rijden, over natte en gladde wegen; wegen vol smerig straatmeubilair, lompe betonplaten en eigenzinnige boomwortels; wegen waar dronken mensen staan en zitten en liggen en soms onverstoorbaar lopen; wegen die dalen als glijbanen of skipistes, zonder vangnet in de bochten. Altijd maar verder, naar die witte streep, alsof daar het eeuwige leven voor het grijpen ligt , erwijl niets minder eeuwig is dan het leven van een coureur.

De renner die daaraan denkt stapt voor altijd af. Natuurlijk stapte niemand af. Natuurlijk vochten ze om als eerste over de streep te komen. En morgen doen ze het opnieuw. En dan opnieuw. 

TdF2024: Klokvast

 HERBELEEF. Remco Evenepoel zet tijdrit op magistrale wijze op zijn naam en  neemt twaalf seconden terug op Tadej Pogacar | Het Belang van Limburg Mobile

De individuele tijdrit werd pas in 1934 geïntroduceerd in de Tour de France, ruim dertig jaar na de alleerste editie. Die tijdrit werd gewonnen door Antonin Magne, niet toevallig ook eindwinnaar van het klassement. Magne reed gemiddeld 35,507 km per uur en legde de 90 km af in twee uur, 32 min en 0,5 seconden, ruim een minuut sneller dan Roger Lapébie. Cijfers die we vandaag belachelijk zouden noemen, ware het niet dat de vergelijking volstrekt niet opgaat.

De nieuwlichterij gaf wel meteen zijn potentieel prijs: favorieten konden elkaar een beslissende lel uitdelen in hun individuele race tegen de klok. Meer zelfs: coureurs die excelleerden in het tijdrijden konden vanaf dan een Tour winnen zonder per se de allerbeste klimmer te zijn, een revolutionaire omwenteling die ons legendarische Tourwinnaars als Jacques Anquetil en Miguel Indurain hebben opgeleverd. Zonder tijdrit waren ons ook huiveringwekkende ontknopingen als in 1989 of 2020 onthouden.

De allerlangste tijdrit in de Tourgeschiedenis bedroeg 139 km en werd in 1947 gewonnen door onze landgenoot Raymond Impanis, aka ‘het bakkertje van Berg’.  Zo lang als in ’47 werden de tijdritten nooit meer, maar afstanden tot 80 km bleven lang de norm. Tot ene Miguel Indurain zich aan het begin van de jaren negentig zo bedreven toonde in de ITT dat er gemor van kwam, zowel van de concurrentie als van de kijkers. Niemand wilde naar een Tour kijken die na één dag al was beslecht omdat een Spaanse reus al de rest op minuten reed. Na het Armstrong-tijdperk ging het aantal tijdritkilometers gestaag, maar drastisch naar beneden.

Niet dat de discipline aan belang heeft ingeboet: windtunnels, paceplannen, aerosuits, aerobars, disc wielen en waanzinnige helmen hebben van tijdritten rijdende innovatie-exposities gemaakt. Geen moeite of kost is te veel om renners een halve seconde sneller door de wind te helpen klieven dan de minder geïnnoveerde tegenstander. Al die snufjes en marginal gains doen mij soms nostalgisch terugverlangen naar het bebloede schuurpapiertje op het zadel van Tony Martin. Maar Tony komt nooit meer terug en we moeten nu eenmaal vooruit, altijd vooruit.

25,3 km moesten de renners wegstampen tussen Nuits-Saint-Georges en Gevrey-Chambertin. Een ritje van niks. Van Sint-Amandsberg naar Zaffelare en terug. Julien Bernard had tijd om zijn vrouw te kussen en wat kennissen te begroeten. Als je niets te winnen of te verliezen hebt valt zo’n tijdrit best mee. Als recensent van je conditie is ze dan weer meedogenloos. Het gezicht van Wout van Aert vertelde wat we stiekem al wisten: dat zijn weg naar Parijs nog ver is. Niets stelt een topsporter zo gemeen teleur als z’n eigen beproefde lichaam.

Wel op schema om een flard geschiedenis te schrijven: de ket uit Schepdaal, raketgewijs van het startpodium geknald en enkel kortstondig opgehouden door een weerspannige derailleur. Het was voorspeld, aangekondigd, gepronostikeerd en maximaal gejinxed, maar hij deed het toch: sneller dan de verzamelde wereldtop naar de meet rollen alsof hij van Sint-Amandsberg naar Zaffelare en terug fietste op een mooie zomerdag. 

Ik moet dringend nog eens naar Zaffelare fietsen.

TdF2024: Debuut

 You have to take risks" - Arnaud De Lie impresses in first ever Tour de  France bunch sprint amidst Dylan Groenewegen's frustrations |  CyclingUpToDate.com

Voor 45 renners is dit hun allereerste Tour de France. De meesten van hen gingen nog nooit van start in de Tour omdat ze piepjong zijn. Anderen werden dan weer nooit eerder goed of weerbaar genoeg bevonden om deel te nemen. Mogen starten in een drieweekse helletocht wordt gek genoeg niet als een straf, maar als een eer beschouwd. Elk jaar, wanneer de Tourploegen bekend worden gemaakt, tonen renners die de selectie niet haalden hun bittere ontgoocheling. Pruilend als een peuter die geen raketijsje kreeg staan ze de pers te woord, vol onbegrip over het stuitende onrecht dat hen is aangedaan. Hoe ze er alles voor gedaan hebben, hoe hard ze hebben getraind, hoe onbegrijpelijk het is dat men niet inziet welke onbetaalbare meerwaarde zij voor de ploeg zouden betekenen in Frankrijk, ook al wijzen alle statistieken op het tegendeel.

De gretigheid van coureurs om deel te nemen aan de Tour staat in amusant contrast met hun grauwe en vertrokken gezichten aan het einde van de tweede week, wanneer twijfels rijzen als brooddeeg. Wat doe ik hier? Hoe overleef ik dit? Wanneer mag ik naar huis? Weinig tot geen grauwe gezichten aan de start van etappe 6, met een bescheiden koffieritje op het programma. Daar leken we immers op af te stevenen, althans op papier. Etappeprofielen zijn geniepige bedriegers. Halverwege de rit scheurde de wind en de ploeg van Jonas Vingegaard het peloton brutaal in twee. De wind is de dierbaarste bondgenoot die een verveelde koerskijker zich kan wensen. Kinderen, dieren en wielrenners worden onrustig en onvoorspelbaar wanneer de wind opsteekt, alsof de bedrading in hun hersenen kortsluiting maakt en hen aanzet tot wilde acties en onberekenbaar gedrag. Maar ach, het mocht niet zijn. De wind liet zich beteugelen en de hele zwik smolt weer veilig samen. Wat overbleef van het hoopgevende waaieralarm was nodeloze chaos, zenuwachtig gedoe en het prikkelende besef dat de ploeg van de geletruidrager fragieler dan wenselijk bleek op het vlakke. Op naar Dijon met een voltallig peloton, wild schuddend met de kop, spartelend met de staart.

De Nederlandse kampioen, de man met de mafste bril in het hele peloton, won eindelijk z’n driftig nagezeten rit en klopte Jasper Philipsen, die na twee gemiste kansen en evenveel bedenkelijke sprintmoves ongedurig leek te worden. Allemaal des mensen, maar de deur dichtkwakken voor Wout van Aert, die dan maar wijselijk inhield, leek niet de indrukwekkendste manier om op het podium te geraken. Voor een keertje hadden ze bij  de UCI geen andere en betere dingen te doen dan hun eigen reglement handhaven. Jasper werd gedeclasseerd. Streng, maar rechtvaardig.

Op de zesde plaats strandde een debutant uit eigen land die zich elke dag opperbest lijkt te vermaken en alles neemt zoals het komt. Dat hij blij was met z’n zesde plaats, zei Arnaud De Lie breed glimlachend als een kind in de Efteling. Als alles nieuw en spannend is, dan schijnt de zon altijd.

TdF2024: Record

 Van Châteauroux tot Saint-Vulbas: de 35 Tourzeges van Mark Cavendish in  beeld | sporza

Er zijn mensen die naar De Tour kijken voor de landschappen. Op druilerige dagen als deze zou ik kijken voor het weer, maar dat viel tegen. In startplaats Saint-Jean-de-Maurienne bleek de lucht al even grauw als hier en haalden de dagtemperaturen met moeite 19°C.  Van een kansrijke vroege vlucht moest het vertier ook al niet komen, want de twee dappere zielen die weg geraakten wisten zelf dat ze aan een uitzichtloos avontuur waren begonnen. Van Mattéo Vercher had ik hooguit eens zijdelings gehoord, wat op zich niet zo gek is vermits Mattéo nog nooit een koers heeft gewonnen. Zijn reisgezel Clément Russo - die eigenlijk wilde crossen, maar niet naar de lage landen wilde verhuizen - kan net iets betere wegstatistieken voorleggen en won in 2019 stoemelings de driedaagse Vuelta Ciclista Comunidad de Madrid door twee keer derde en een keer zesde te finishen. Zo zie je maar dat een mens soms gewoon geluk moet hebben. Het mooiste van zo’n duovlucht is dat er onderweg al eens vriendschappen of vetes voor het leven worden gesmeed. Ik vroeg me af waar Clément en Mattéo het over hadden tijdens hun ritje. Koetjes, kalfjes, voetbal, de kinderen, het weer of de dreigende teloorgang van de democratische rechtsstaat Frankrijk?

Trouwens echt een mooie streek, de Maurienne-vallei en de Savoie. Perfect voor een fietsvakantie. Alleen jammer van al die verkeerseilanden. Zit je net zo lekker in te dommelen in het peloton en lap, duikt daar zo’n onding op, dat ei zo na de geletruidrager tegen de vlakte deed gaan en het verloop van deze Tour in de war had kunnen sturen. Alsof er niet al ruim zeven jaar een Boplan race pillar bestaat, alsof werkelijk niemand bij de ASO op het idee kwam om daar desnoods een fatsoenlijk en goed zichtbaar bord op een paal neer te planten in plaats van een knullig bordje op de grond dat niemand ziet in een dichtbevolkt peloton. Intussen regende het in de regio van Saint-Vulbas, waar de eindstreep was gekalkt, een vaststelling die bijkomend belang kreeg in het licht van de bizarre beslissing om die streep niet gewoon wijselijk op de twee kilometer lange rechte weg te leggen, maar na een bocht. De hardleersheid van sommige koersorganisatoren is bij momenten onverdraaglijk en wordt ronduit hemeltergend wanneer het de grootste en belangrijkste wedstrijd van het jaar betreft.

Maar terug naar de kern van de zaak en de onvermijdelijke morsige sprint: wees geprezen wielergoden altegaar, want ein-de-lijk pakte Mark Cavendish de gouden graal, die koppig nagejaagde 35ste Tourzege, en ik was bijna even blij als hij, al was het om volstrekt andere redenen. Ook een steengoed verhaal heeft een houdbaarheidsdatum. En toch: dat een 39-jarige veteraan met een biografie als een filmscenario het hele topsprintersgild verslaat omdat hij en z’n hele ploeg hun zinnen op die ene historische zege hebben gezet, en zich driedubbel hebben geplooid om dat ene, bij momenten schijnbaar onhaalbare doel te bereiken, dat is wat van wielrennen de allerbeste sport in de wereld maakt. 

TdF2024: Lawine

 Tadej Pogacar destroys the climbing record on Col du Galibier | Cycling  Today Official

Op dag 4 kwam de Tour eindelijk thuis in Frankrijk, waar hij hoort. Eerste pleisterplaats: de Alpen, met name de Galibier, een van de lastigste cols uit het wielererfgoedalbum. Nooit eerder ging het al zo hoog bergop in de eerste week van de Tour. De parcoursbouwers hadden er extra schik in bij het uitstippelen van deze editie.

Ik ben van mening dat er geen glorieuzer soort finish bestaat dan boven op de top van een col, voorbij het kromhout, waar de wind dreigend in je oren fluit en enkel korstmossen groeien. Maar de ASO vond het opportuun om de renners eerst nog 20 km te laten afdalen, wellicht omdat het skidorp Valloire flink wat geld uit de toerismepot wilde neertellen voor een feestelijke aankomst van het Tourcircus. Alle begrip en sympathie voor Valloire en z’n 1249 inwoners, maar ik ben nog sterker van mening dat je het gevaar niet per se moet gaan opzoeken in de gevaarlijkste sport van de wereld. Ik weet het, wie wil klimmen moet ook dalen, maar niet iedereen zweeft zwierig naar beneden als een gierzwaluw of Tom Pidcock. Maar zoals gewoonlijk had niemand mij wat gevraagd en kon ik enkel hopen op voorspoed en geluk voor iedereen die van die berg af moest op twee wielen in plaats van een paar ski’s. De file ambulances in het Baskenland staat nog al te levendig op mijn netvlies.

Alle nare herinneringen ten spijt: het mooiste aan bergetappes zijn de bergen. Zo’n berg liegt noch bedriegt. Darmproblemen, zitvlakissues, trainingsachterstand of een brakke rug wreken zich zonder genade wanneer het omhoog gaat. Als je obligate slechte dag in de bergen valt ben je gezien. Nadeel van zo’n berg is dat er andere klimatologische en meteorologische wetten gelden dan elders. Op 32 km van de meet kregen wij het onrustwekkende bericht dat er sprake was van een kleine sneeuwlawine op de weg, een mineur obstakel dat in geen tijd efficiënt werd opgeruimd.

Op 28 km van de meet reed Oier Lazkano, een Spanjaard die wij tot voor kort als een bonk van een klassieke coureur bestempelden, in z’n eentje voorop. Het was alsof hij helemaal niet bestempeld wenste te worden vooraleer hij zelf had uitgezocht wat voor renner hij eigenlijk was. Oier vocht z’n indrukwekkende gebit bloot, maar je zag van mijlenver dat het niet zou baten. Achter hem stookte Tadej Pogacar één voor één z’n superhelpers op om duidelijk te maken dat niemand zich iets gedurfds moest verbeelden. De concurrenten zagen hun eigen helpers sneller sneuvelen dan ze hadden gehoopt. Alleen Remco Evenepoel, in favorabele vorm, had toptransfer Mikel Landa nog aan z’n zijde voor wat morele steun.

En toen moest die ellendige afdaling vol gesmolten sneeuwplassen nog komen. Hoe daal je onbevreesd en onbesuisd achter een losgeslagen superheld aan met zoveel op het spel wanneer je niet zo vreselijk lang geleden gekneusd in een ravijn lag, of net bent hersteld van een klaplong en een resem breuken omdat je onderuit ging in een neerwaartse bocht? Met moed en gezond verstand, zo blijkt. Van beide zal er nog veel nodig zijn om Tadej Pogacar van een schijnbaar onvermijdelijke zege te houden. Maar Nice is nog een eeuwigheid ver.

TdF2024: Koppensnellers

Tour de France: Biniam Girmay wins stage 3 bunch sprint in Turin as Richard  Carapaz takes yellow | Cyclingnews

 Niemand heeft ooit bevredigend kunnen antwoorden op de vraag waarom parcoursbouwers sprintetappes van 230 km bedenken, maar het voordeel van dergelijke etappes is dat je ruim de tijd hebt om over deze en andere triviale kwesties na te denken.

Ik ga eerlijk zijn: ik ben niet wild van sprintetappes. Ook niet van sprinters, nu we het er toch over hebben. Ter verdediging: ik sta niet alleen met deze visie. De jonge Nys noemde zijn sprintende collega’s recent een stelletje “klootzakken”. Zo ver zou ik zelf niet durven gaan, toch niet luidop. Maar na decennia koerskijken en het aanschouwen van ontelbare kop-, schouder- en elleboogstoten, doldrieste manoeuvres en schots en scheef uitlopende sprintlijnen vind ik “klootzak” nog vriendelijk uitgedrukt. Sommige coureurs schijnen te denken dat wielrennen een contactsport is. Uiteraard zijn er uitzonderingen, omdat vrijwel elke wielerwet bevestigd wordt door de uitzonderingen erop. Zo was ik bijzonder gesteld op Andre Greipel, een van de meest aaibare teddyberen en keurigste sprinters in de wielerhistorie. Een significant aantal van zijn collega’s gedragen zich echter als koppensnellers en geven de indruk relatief weinig te geven om hun eigen leven en dat van hun concurrenten. Noem mij gerust weekhartig, maar ik vind hun waaghalzerij niet om aan te zien. Maar goed, er moet nu eenmaal nu en dan gesprint worden zoals een mens ook nu en dan z’n administratie moet doen en de koelkast moet uitsoppen.

Over geen enkele sprinter wordt deze Tour meer gepalaverd dan over Mark Cavendish, die - mocht u het niet weten (wat enkel kan betekenen dat u al jaren in een wifiloze grot leeft) - er een koppige queeste van heeft gemaakt om zijn 35ste Touretappe te winnen en aldus het zegerecord van Eddy te breken. Mocht ik een sprinter zijn, ik betaalde mijn collega’s een genereuze som om de man die ultieme zege gewoon cadeau te doen zodat Mark naar huis kan in plaats van naar de Alpen en wij eindelijk van dat gezeur af zijn.

Op dagen als deze zou de prijs van de strijdlust uitgereikt moeten worden aan de commentatoren die dit soort tergend traag voorbij tikkende namiddag van scherpzinnige duiding moeten voorzien. Rob Hatch las een Italiaans recept voor aan de Eurosportkijkers. Renaat en José beschouwden de nieuwe fietsbril van Dylan Groenewegen. Ik overwoog mijn administratie te doen of de koelkast uit te soppen, maar doodde de tijd met een zinloze twitterdiscussie over de definitie “sprinter” die uit de hand liep omdat iemand Sean Kelly een sprinter noemde. De blasfemie. Toen dat debat min of meer beslecht was waren we goddank bijna in Turijn en was het gewriemel en gewring en geval al begonnen.

Maar zelfs op dat soort beproevende dagen beloont de koers de volhardende kijker. Niet Jasper, niet Mads, niet Dylan, maar Biniam Girmay uit Eritrea pakte de eerste sprintzege van de Tour, zijn eerste Tourzege tout court, een gebeuren waarvan hij de omvang nog niet helemaal bevatte op het moment dat hij een microfoon onder z’n verbouwereerde neus kreeg geduwd. Bini had niemand geduwd en in Turijn klonken Eritrese vreugdeliederen. En zo werd het alsnog een glorieuze dag.

TdF2024: Madonna

 San Luca, Bologna

Alsof tweehonderd bloedhete kilometers van Cesenatico naar Bologna niet volstonden werd het puffende peloton op dag 2 niet één, maar twee keer de San Luca overgejaagd. Die San Luca is een klim met Denominazione di Origine Controllata e Garantita etiket. Een rotklim, kortom. Het prachtige rotding slingert venijnig omhoog naar het heiligdom van de Madonna di San Luca, van waar je een adembenemend uitzicht hebt over Bologna en omgeving. Niet dat de renners tijd hadden om kaarsen aan te steken of van het panorama te genieten. Wellicht werd er wel gebeden, tot eender welke Madonna die een potige coureur met zware benen vleugels kon geven. “Elke meter die je aflegt is een meter die je niet meer hoeft te rijden”, zo omschreef Mark Cavendish de essentie van zijn persoonlijke filosofie op folterende klimmersdagen.

Elke meter die je een groep koplopers geeft is dan weer een extra meter die je moet afleggen om ze bij de kraag te vatten. Daar leken ze bij UAE en de andere klassementsploegen volstrekt geen zin in te hebben, tegen de ronkende voorspellingen in. Op 67 km van de finish had ik al lang spijt dat ik mezelf geen koersdutje had gegund. Op ruim negen minuten van de vluchters meanderde een keuvelend en snackend peloton door Imola naar Bologna, alsof er geen punten of truien te rapen vielen. In gedachten hoorde ik parcoursbedenker Davide Cassani geïrriteerd knarsetanden. Had hij zo z’n stinkende best gedaan om voor spektakel te zorgen en dan reden die verrekte saloncoureurs rond alsof ze onderweg waren naar het terras van café ’t Verzetje.

Een heel eind achter dat lusteloze peloton ploeterde Fabio Jakobsen zich een weg omhoog alsof hij 47 kilo boodschappen op z’n bagagedrager had. De martelgang van de onfortuinlijke sprinter deed pijn aan de ogen en het hart van iedere weekhartige kijker. Hoe moest deze jongen in vredesnaam over twee dagen de Galibier over geraken? Alsof Fabio’s kruis nog niet zwaar genoeg was werd het peloton eindelijk wakker en zweepte Victor Campenaerts de troepen op. Rijkelijk laat. Te laat, zo bleek. De buit van de dag was weg.

Terwijl vooraan Kevin Vauquelin de Fransen hun tweede delirium op rij bezorgde had ene Tadej Pogacar dan toch genoeg van het getreuzel. Als door een horzel gestoken sjeesde hij weg op de San Luca, met één van zijn typerende verschroeiende demarrages die niemand volgen kon. Op één man na: de man waarvan niemand wist of hij wel in staat zou zijn om te strijden voor het geel; de man die 85 dagen niet gekoerst had; de man die op 4 april nog bewegingloos in een Baskische bocht lag. Laten wij de wielergoden danken voor het bestaan, de voorspoedige revalidatie en de deelname aan deze Tour de France van Jonas Vingegaard. En er kwam nog meer goed nieuws: Remco Evenepoel liet zich niet intimideren door de gierende banden van de twee tenoren en knokte zich dapper en slim naar de tweede stek. Na dag twee staat de top vier op precies dezelfde tijd in het klassement. Het worden 21 beklijvende dagen zeg ik u.

TdF2024: Rookgordijn

 Romain Bardet wint openingsrit van Tour de France, Van Aert eindigt derde |  De Morgen

U las het hier eerst: Harm Vanhoucke wint de Tour de France. Alle andere kandidaten zijn namelijk verhinderd door inderhaast opgelopen virussen, hardnekkige allergieën of aanslepende blessures. Niemand is top, niemand is in bloedvorm en ze hebben allemaal last van hun rhomboideus, hun trapezius of hun arteria pulmonalis. 

Weinig dingen zijn vermakelijker dan het verblindende rookgordijn waarachter wielrenners zich proberen te verschuilen aan de vooravond van de Tour de France. Het vraagt jaren ervaring en de focus van een luchtverkeersleider om de realiteit achter de strategische boodschappen te ontwaren. “Ik heb geen idee wat mijn huidige vorm is” betekent “ik ga de stenen uit de grond fietsen”. “ “Top vijf zou heel mooi zijn” is bullshits voor “ik ben hier om te winnen”. “Ik start niet in ideale omstandigheden” is zoveel als “hier met dat geel”.

Dat de vier beste ronderenners van de afgelopen jaren voor het eerst samen aan de Grand Départ staan zwengelde de rookmachine flink aan. Scherper dan een stalen sashimimes, met jukbeenderen waar je een winterjas aan kan hangen, glimlachen ze welwillend naar de camera. Slechts eentje kroonde zichzelf ongegeneerd tot topfavoriet, covid of niet. Bij elke andere coureur zouden we zulks hoogmoedig noemen, maar in het geval van Tadej Pogacar heet het droog realisme. Je kan niet de meest opzienbarende coureur van de wereld zijn en mompelen dat je mikt op een ritje of twee en Nice wil halen. Want Nice halen, dat willen ze alle 176.

Maar de Tour zou de Tour niet zijn zonder beren en schorpioenen op de weg; zonder stormen, hittegolven en hagelbuien die weerloze rennersruggen geselen; zonder toeschouwers die altijd op de verkeerde plek staan om naar de familie te wuiven en hun bacillen recht in je gezicht blazen. Zelfs een achteloos neergekwakte rugzak aan de start betekent een potentieel gevaar. Arme Jan Hirt, die nog voor de start drie halve tanden kwijt was en met een dikke bloedende lip op z’n fiets moest kruipen. 

Soms komt het gevaar niet van buitenaf, maar zit in het vanbinnen, in je eigen ingewanden. Zelfs een strak getraind topatletenlichaam valt voor geen haar te vertrouwen. Arme Mark Cavendish, kotsend en zwalpend aan zijn zoveelste laatste Tour begonnen zoals een junkie aan z’n  laatste shot, een kruisweg die na 1 statie al voorbij leek. De belangrijkste vraag van dag 1 was evenwel welke wrede onverlaat het een puik plan had gevonden om van etappe 1 een soort dubbele Ardennenklassieker te maken, bij temperaturen rond de 34 graden. Na 130 km was er al een half peloton naar de filistijnen gereden. Bij de overlevers: Romain Bardet, een lieverd van een pensionaris in spe die er dapper van onder muisde, voorin de meest dienstbare derny vond en Frankrijk deed dromen, stressen en zweven.

Ach, in een jaar vol desastreuze crashes kijkt een koersfan anders naar het meest geschifte wielercircus van het jaar. Met evenveel angst als hoop, met meer bedenkingen dan vertrouwen. Laat ze elkaar bekampen alsof hun leven ervan afhangt, maar laat hun leven er in vredesnaam niet van afhangen.

vrijdag 26 april 2024

Onvoorzien

 Kasia Niewiadoma | Indeleiderstrui.nl

Koersvoorjaren vliegen voorbij als zomervakanties. Net wanneer je een beetje in het ritme komt zie je de eerste ‘terug naar school’-reclame. Weg sfeer. Tijd is een ontembaar beest. Wanneer je hem wil opjagen slentert hij, wanneer je hem wil tegenhouden galoppeert hij driftig voor je uit.

Weet je nog, die zaterdag eind februari, toen alles nog mogelijk was, toen honderden koersdromen als condens van de wanden van ’t Kuipke stroomden? Wisten wij toen veel hoeveel van die dromen uit elkaar zouden spatten op het brute asfalt nog voor ze enige vaste vorm konden krijgen; hoeveel bittere ontgoocheling er in de verse bidons zou zitten; hoeveel dromenvangers wij zouden moeten missen omdat ze verhakseld in een ziekenhuisbed belandden. 

De laatste en oudste voorjaarsklassieker van de mannen eindigde in de valleien van de Vesder, Amblève en Ourthe op de weinig schilderachtige La Redoute, met een fikse versnelling van de meest gedoodverfde winnaar sinds mensenheugenis. Tien dagen koersen, zes keer winnen, een statistiek als een kerkklok. Alle ophef over de winstkansen van Mathieu van der Poel, over de mottige move van een kopgroep die vol doortrok nadat er achterin massaal gevallen werd, en over de koersvervalsing door per abuis gegijzelde ploegauto’s bleek een maat voor niets. Geneuzel in de marge, onbeduidende ruis.

Nochtans gedijt koersliefde bij gratie van het unieke verhaal van elke dappere ziel die besluit ergens te starten. Zo viel er vreugde te rapen in de zilveren ereplaats van Romain Bardet, een schromelijk onderschatte coureur met een hart van handgeschept goud, in de volharding van een schijnbaar ongevaarlijke Maxim Van Gils en in de waarlijk verbluffend onaerodynamische stijl van Mauri Van Sevenant die zich wild zwiepend naar een verdiende vijfde plek stampte. Voor de lieve vrede negeerden wij dat zes renners uit de toptien zich onbetamelijk lang en comfortabel achter de ploegwagen van Bahrain-Victorious hadden geposteerd, een accident de route waarover ostentafief gezwegen werd, want een mens kan niet alle onrechtvaardigheden tegelijk tackelen.

Ik dankte de visionaire zielen die besloten de vrouwen na de mannen te laten rijden, want wie naar spanning hongert zoekt die recentelijk en tot nader order doorgaans beter in het vrouwenpeloton. De kloof tussen top en basis mag er dan nog diep zijn, buitenaards leven is er niet te vinden. Wij maakten ons op voor een strijd tussen Demi Vollering, tourwinnaar en zegeverzamelaar, die het slotakkoord van het voorjaar aanvatte zonder zege op zak (een lastig gegeven voor wie op jacht is naar een nieuw en vet contract), Elisa Longo Borghini, de pitbullversie van het vrouwenwielrennen, en Kasia Nieuwiadoma, consistente publiekslieveling, maar meestal net niet goed genoeg bergop. Maar de dingen liepen anders. Hardrijder Grace Brown, zelfs geen povere ster waard in de voorbeschouwingen en de hele dag in de aanval, bleef ze allemaal voor op de meest genadige dag uit haar carrière. We hebben Romains Bardets en Grace Browns nodig om niet in te dommelen, om niet lui en irrritant hovaardig te worden in onze veronderstellingen. Niets houdt je beter wakker dan het onvoorziene.