biekesblog


woensdag 5 juli 2023

TdF2023: Natte dweil

Tour de France | Jonas Vingegaard rijdt Tadej Pogacar uit zijn wiel -  Wielrennen video - Eurosport

Mijn vroegste herinnering aan Pau en de Marie Blanque is een verpletterende aanval van een 25-jarige reus uit Navarra die z’n statige Romeinse neus aan het venster van de Tour stak. De reus zou later vijf keer de Tour winnen, maar desondanks tot in de eeuwigheid een saaie coureur genoemd worden, een lot dat nog een paar andere Tourwinnaars te beurt viel en dat ik altijd onrechtvaardig heb gevonden. 

Om de gele trui te veroveren volstaat het om de beste en de slimste en de fitste te zijn. Om de harten van de mensen te veroveren moet je ook aanvallend, instinctief, onderhoudend en liefst ook nog geestig en gevat zijn, alsof je niet aan topsport maar aan showbizz doet.

Ik herinner me nochtans redelijk wat aanvallende en dominante tourwinnaars die achteraf minder attractief en sympathiek bleken dan wij graag wilden geloven. Charisma is soms weinig meer dan een laagje hoogglanslak.

In die zin doet de koers niet onder voor het echte leven, waar wij even gewillig vallen voor de verblindende charme van zelfvertrouwen en bravoure, zelfs nadat we erdoor werden bedrogen.

 

Bergen laten zich niet intimideren door sprankelende en extraverte persoonlijkheden. Winnen is winnen, denkt de berg, terwijl hij z’n stramme flanken stretcht en wacht op wie als eerste bovenkomt.

Soms heb ik heimwee naar lang geleden, toen een coureur gewoon een onbehouwen hork mocht zijn, een ploeteraar van weinig woorden die enkel met de benen sprak en niet moest bezig zijn met Instagramstories en Twittermeningen. Maar de tijden zijn wat ze zijn en zelfs wielrenners ontkomen er niet aan.

De Tour was nog maar half begonnen en Jonas Vingegaard was al weggezet als sukkelaar. “De uitstraling van een natte dweil” twitterde iemand die vast verdrinkt in zijn kolkende charisma. ”Wieltjeszuiger”, toeterde een ander, wellicht het type dat overal het voortouw neemt en de collega’s laat raften als teambuilding, ook al heeft de helft van het team een hekel aan water. Dat de ploeg van Vingegaard z’n zaakjes niet op orde had, wisten de analisten, die de Tour al verloren achten voor de vismijnwerker uit Hillerslev.

 

Dat de wieltjeszuigende natte dweil van de ploeg die er een boeltje van maakte er op dag 5, om 16u58, zonder omkijken vandoor ging en de populaire topfavoriet op ruim een minuut reed deed mij ongecontroleerd grijnzen. Niet omdat ik iets tegen de publiekslieveling zou hebben (integendeel) maar omdat mijn hart van nature altijd net iets luider roffelt voor wie wat minder graag gezien wordt, wat minder showbizzwaardig wordt bevonden, voor de natte dweilen van deze wereld.

TdF2023: Zuurverdiend

 Tour 2023: Twee op twee voor Philipsen na zeer chaotische sprint in Nogaro  | WielerFlits

Aan de vooravond van een verwachte massasprint op het autocircuit Paul Armagnac in Nogaro vroegen de gasten van Vive Le Vélo zich semi-serieus af of sprintetappes nog wel van deze tijd zijn. Jongeren kjken daar immers niet naar, en zelfs analist Jan Bakelants was in slaap gevallen tijdens het langgerekte voorspel richting Bayonne. Goed voor Jan, dacht ik met enige afgunst en wallen onder m’n ogen.

Zelf val ik nooit in slaap tijdens de koers, maar grijp ik vlakke etappes zonder noemenswaardige actie aan om de was te vouwen, tomatensaus te maken of een dweiltje te slaan, het soort monotone handelingen die bij voorkeur uitgevoerd worden met wat koersanecdotes en gekeuvel in de achtergrond. Of ik kijk naar de Giro Donne om er de piepjonge Antonia Niedermaier iedereen en Annemiek Van Vleuten op imponerende wijze naar huis te zien fietsen. Mij hoor je niet klagen over vlakke etappes, behalve wanneer ze ontaarden in het soort debiele chaos dat we gisteren te zien kregen.

 

Dat jongeren niet naar sprintetappes kijken lijkt me overigens een flets argument, vermits jongeren ook niet naar de Ronde van Vlaanderen, klimetappes of tijdritten kijken, tout court niet naar de koers kijken. De koers zal hen namelijk tien soorten droge worst wezen, en dat is prlma.

Jongeren kijken niet naar praatprogramma’s, maar tot nader order zijn Karl, Bart of Phara niet vervangen door een setje youtubers.

Jongeren tuinieren niet, maar we gaan de tuincentra echt niet ombouwen tot gamepaleizen.

Jongeren lezen geen kranten, maar we sturen de redactie van De Standaard niet collectief met vervroegd pensioen.

Jongeren luisteren niet naar Klara, maar we laten Chantal met rust.

 

Denk trouwens eens aan de sprinters, door die brutale stropers van tv-makers en hun prikkelende ideetjes nagenoeg met uitsterven bedreigd. Wie z’n geblokte lijf wekenlang puffend en ploeterend over berg en dal sleurt om pakweg 5 keer een halve minuut te shinen verdient geen onverschilligheid, maar mededogen.

Denk bovenal eens aan de ouders van al die koersonverschillige jongeren. Gelooft er iemand dat die brave, hardwerkende lieden zitten te wachten op het ongevraagde en ondeskundige koerscommentaar van hun colaslurpende, chipskauwende kroost? Neem het aan van iemand met jarenlange ervaring: neen. 

Gun ons de zuurverdiende rust in de woonkamer. Gun ons de eenzame stilte, de persoonlijke ruimte, de kans om luidop te vloeken, het dutje, de kaasjes, het innige samenzijn met Renaat en José. En laat de jongeren skaten, hangen, gamen, sjotten en chatten, ergens ver weg van de sofa, de televisie en de koers. Leve de sprintetappe!

maandag 3 juli 2023

TdF2023: Streep

 Belg Jasper Philipsen wint eerste massasprint Tour de France

Ik hou niet van overmatige ophef, al dan niet vermeende vetes en opgeblazen akkefietjes. Ik hou niet van chauvinistische commotie. Ik hou niet van het haarscherp inzoomen op een detail, een seconde, een reflex, een emotie om daar kamerbrede conclusies uit te trekken. Ik hou niet van onvergeeflijkheid en rancune. Ik hou niet van eenzijdigheid in zwart-witte drukletters. 

Ik hou niet van spijkers op de weg en lekke banden.

Ik hou niet van valpartijen.

Ik hou niet van rennersbijnamen.

Ik hou niet van sprintetappes.

 

Misschien is het de onontkoombaarheid van een massasprint die mij bedroefd stemt. Hoe gezwind de vluchters ook trappen, hun expeditie is gedoemd, hun lot bezegeld. De uitkomst ligt vast als het keren van de seizoenen.

Misschien is het de zinloosheid van wat eraan voorafgaat. 145 kilometers opwarming voor een paar kilometer suspens, alsof je een hele dag staat te koken met uitgelezen ingrediënten voor een stel uitgehongerde tieners, die de inhoud van hun bord blind en zonder kauwen leegschrokken.

Misschien is het de wanstaltige snelheid waarmee een meute sprinters en hun lead-outs op de boog afstormen, op twee dunne tubes en met een velletje lycra om het lijf, alsof er geen rotondes, lepe bochten en verkeersdrempels op de weg liggen.

Misschien is het de rauwe herinnering aan verkeerd gelopen massasprints die opspeelt van zodra ik een parcoursprofiel zie uitlopen in een vlakke lijn.

Misschien zijn het de kopstoten, elleboogporren en lendenzwiepers waarvan sprinters zich durven bedienen wanneer ze te weinig ruimte krijgen naar hun zin.

 

Maar liefde kent geen goede dagen zonder kwade, geen vreugde zonder ergernis. Ook koersliefde verdraagt, meestal in stilte, soms oogrollend en zuchtend. 

Dus hou ik van Renaat die José tot rede probeert te brengen zonder met z’n tong te klakken. Ik hou van de kreten, de tranen, de vloeken, het driftige meppen op een onschuldig fietsstuur, de weggemepte bidons, de stilzwijgende maar veelzeggende aftocht. Ik hou van Neilson Powless die een défilé rijdt, alsof iedereen daar speciaal voor hem is gekomen. Ik hou van de vrouw van Laurent Pichon die “Ik ben trots op je, je bent een strijder” in zijn oortjes prevelt, ook al weet ze dat hij eraan is voor de moeite. Ik hou van de verse portie dapperheid waar renners elke ochtend opnieuw gretig hun tanden in zetten. Ik hou van de ordelijke wanorde van treintjes vol anonieme renners met keurig opgeborgen kinderdromen. Ik hou van de branie van de sprinter die enkel kan bestaan bij gratie van branie. Ik hou van de tomeloze vreugde en de brute ontgoocheling na de streep. Ik hou van de streep, omdat de koers daar begint en eindigt. 

TdF2023: Bedevaart

 Van Aert komt net te laat in San Sebastian, Lafay wint na late uitval

De Camino del Norte naar Santiago de Compostela leidt de dappere pelgrim vanuit Irun langs de Jaizkibel, een bergje van niks voor de fitte en ervaren klimmer.

Bedevaarten hadden ooit per definitie religieuze beweegredenen: boetedoening voor gepleegde zonden, een belofte aan God of de uitvoering van een opgelegde straf. Hoe men moest reizen stond nergens geschreven. Te voet was de meest voor de hand liggende en goedkoopste optie, maar wie geld had ondernam de tocht te paard. Wie ergens vurig in gelooft doet de gekste dingen.

Toen de moderne mens de fiets uitvond en bedacht dat je er ook mee kon racen schreeuwden de afgevaardigden van de kerk moord en brand. Sport stelde immers het lichaam centraal en gaf vrij spel aan fysieke verlangens en energie. Bovenal hield sport het volk uit de kerk. Tot Pius X aan het begin van de 20steeeuw in de sport een gedroomde kans zag om de harten van de mensen te winnen en deugdzaamheid te promoten. Sport, zeker een lastige duursport als wielrennen, bracht de jeugd zelfbeheersing, eerlijkheid, trouw en moed bij, bedacht de paus. Koers was een prima instrument om de driften te beteugelen.

 

Van dat soort zelfbeheersing viel weinig te merken tussen Vitoria en San Sebastian, waar de zenuwen als dondervliegjes door het peloton dwaalden. Aan 60 per uur stormden ze naar de voet van de Jaizkibel, alsof daar de heilige graal te grijpen lag. Mijn oprechte medelijden met de kloeke sprinters die al snel piepend en krakend achterbleven maakte snel plaats voor het soort opwinding dat bij een opwaartse finale hoort, en voor spijt over het aangekondigde lot van Neilson Powless, een coureur naar mijn hart, opgetrokken uit branie en pezen.

Neilson werd na een pelgrimstocht van ruim honderd kilometer in de aanval onbarmhartig achtergelaten. Je wist al lang dat het zou gebeuren, maar ergens diep vanbinnen sluimerde de hoop dat het deze keer anders zou lopen, dat de scenarist voor een onvoorspelbaar slot had gekozen.

 

Maar er was geen tijd voor dergelijke bespiegelingen, want het regende driftige demarrages links en rechts en overal, en toen was er die ene demarrage teveel. Victor Lafay, zeker geen kloefkapper, gokte wild en won de pot. Het ergste was niet dat Wout niet won. Het ergste was het gezeur en het gekibbel dat er onvermijdelijk op volgde en dat jaarlijks met hernieuwd élan terugkomt. Over wiens schuld het was en wie wat had moeten doen om dit stuitende onrecht te voorkomen. Over het heikele spanningsveld tussen collectief en individu dat van de koers zo’n unieke sport maakt, maar waar we vaak de pest aan hebben. Pius X vergiste zich schromelijk. Koers beteugelt niet, maar prikkelt, port en verhit al wie er naar kijkt.

zondag 2 juli 2023

TdF2023: Broederlijk

 Adam beats twin brother Simon in Yates one-two on Tour's opening stage |  Reuters

Alle dramatische panorama’s, pintxos en fanatieke wielerreligie ten spijt startte de Tour slechts twee keer in het Baskenland, een regio waar hunkering kunst werd en alles verzet ademt.

Bilbao, waar Christian Prudhomme vanochtend het 110de startschot loste, werd een slordig mensenleven geleden gebombardeerd door een alliantie van Duitse nazi’s en Italiaanse fascisten. De regio viel vervolgens in handen van de franquisten die hen met geweld onder de knoet probeerden te houden. De Basken bogen geenszins het hoofd, maar grepen elke gelegenheid, waaronder de doortocht van de Spaanse wielertrots ‘Vuelta de España’ aan om hun punt te maken, van een bom op de Col de Urbasa in ’68, over rellen in Urkiola in ’77, tot spijkers op de weg nabij Durango in ’78. Genoeg redenen voor koersorganisatoren om het Baskenland en die heethoofdige Basken decennialang te mijden. Tot de proloog van de Tour van 1992, voorspelbaar en met glans gewonnen door de meest succesvolle Baskische wielrenner ooit, Miguel Indurain, een standbeeld van een vent. Al die koersloze jaren bleef de liefde voor de koers er gloeien en smeulen. Basken vergeten niet en weten wat verlangen is.

 

Ik hou van symboliek, zelfbedacht of geworteld in tradities, omdat die alles mooier, beter, juister maakt. Dat de dingen zomaar gebeuren is een gedachte die ik slechts in minidosissen verdraag. Wielerliefhebbers zijn symbolisten. In de koers zoeken zij in hoofdzaak naar zin omdat er daarbuiten te veel onzin heerst. Plekken, jaartallen, namen en gebeurtenissen worden geordend volgens een logica die enkel wij herkennen.

 

Op dag 1 was het wachten tot de gevreesde Côte de Vivero in Galdakao om ons opgebouwde koersverlangen vrij te laten, zoals de Spanjaarden een stier pas de arena in jagen na dagenlange opsluiting in het donker zonder eten of drinken. In de afdaling van de Vivero kletsten Carapaz en Mas als onervaren kauwenjongen tegen het gloednieuwe asfalt om daar minutenlang verdwaasd te blijven zitten, zich afvragend hoe ze daar waren beland en waarom dit ongeluk uitgerekend hen was overkomen. Soms laat ook de symboliek je in de steek en valt er enkel te vloeken.

Op de gemene Côte de Pike spatten de restanten van een opgeblazen peloton in brokstukken uit elkaar, één daarvan bestaande uit twee helften van een Britse tweeling met verschillende teamtruitjes om het lijf. Een afloop waar niemand op had gerekend. Ik vroeg me af hoe makkelijk het is om je tweelingbroer uit het wiel te kletsen in het besef dat je in december broederlijk rond de kerstkalkoen van moeder Yates komt te zitten. Parijs is nog ver. Kerstmis gelukkig nog verder.

vrijdag 16 juni 2023

Gino Mäder: DNF

Frapp | La prudence de Gino Mäder

Koers beleef je beter als coureurs onder je vel kruipen. Je kent de naam van hun lief, hun kind, hun hond. Je lacht met hun voorliefde voor pizza Hawaï of spaghetti met ketchup of met hun slechte smaak in bier. Je onthoudt hun eerste zege, en herinnert je precies wanneer je wist dat die er komen zou.

Je denkt dat je hen kent omdat je ze oprecht graag wil leren kennen. Sommigen heb je liever dan anderen, om volstrekt subjectieve redenen. Omdat ze een geweldig gevoel voor humor hebben; omdat ze zo mooi op hun fiets zitten; omdat ze iets slims, aardigs, interessants hebben gezegd; omdat ze meer willen zijn dan zomaar iemand die hard kan fietsen.

 

Ik had Gino Mäder graag, van zodra hij op de valreep en op hartverscheurende wijze een Parijs-Nice etappe verloor van Primoz Roglic. Terwijl de halve wielerwereld Primoz luid en nijdig verwenste feliciteerde Gino hem oprecht, met de bedenking dat hij zelf maar harder had moeten trappen. Een paar maanden later won hij z’n eerste grote profzege. Bergop, zoals het past voor een renner die als kleine jongen op de flanken van Alpe d’Huez  met open mond naar zijn helden stond te kijken. 

 

De hond van Gino heet Pello, naar zijn collega Pello Bilbao, omdat hij hem vond in de straten van Bilbao, waar het dier verwaarloosd rondzwierf. Gino lag wakker van ontbossing, de smeltende ijskappen, de opwarming van het klimaat. Gino had de breedste lach van het peloton.


Gino zal voor altijd 26 zijn, een leeftijd waarop alles nog mogelijk is en de wereld als een speelweide aan je ongeduldig trappelende voeten ligt.

Gino zal nooit meer winnen en nooit meer verliezen. Voor altijd jong, voor altijd de belofte van een toekomst die nooit meer komt, alsof iemand per ongeluk op pauze heeft gedrukt en niemand weet waar de play-knop zit.

Gino zal nooit meer finishen. 'DNF' staat er voor altijd achter zijn naam.

 

Koers beleef je beter als renners blijven leven, niet enkel in je gedachten, maar op hun fiets, altijd strevend naar sneller en beter; thuis, bij wie hen liefheeft.

Zodat je kan juichen als ze als eerste over de meet komen, waar iemand blij en met wijd open armen op hen wacht.

Dat wachten is nu voor altijd. 

 

Klimmen heeft enkel zin als je kan dalen.

Weg zijn heeft enkel zin als je weer thuis kan komen.

Vallen heeft enkel zin als je weer kan rechtstaan.

Pijn heeft enkel zin als hij eindigt in iets moois.

Koers heeft enkel zin als iedereen finisht.

zondag 28 mei 2023

Gelouterd

Giro 2023: Roglic slaat sensationele dubbelslag in zenuwslopende  klimtijdrit naar Monte Lussari | WielerFlits

Sommige mensen kijken tijdens het aperitief al uit naar het dessert. Elke gang is slechts een verstrooïng, tot de ober de kar met geduldig en zorgvuldig gerijpte kazen binnen rolt, en de stolp er in één elegante haal afhaalt. Al het beleefde geduld in één tel beloond met een explosie van aroma en smaak. Dat dit een Giro zou worden voor dessertmensen had niemand van tevoren bedacht.

Op papier zag de voorlaatste etappe eruit als een gedrocht dat enkel vorm kan krijgen op de tekentafel van een Giroparcoursontwerper, het slag mensen dat wielrenners moedwillig verwart met Marvel-personages. Ik vroeg me af hoe brak de mecaniciens zich zouden voelen na een half uur achterop een motor over een hobbelig geitenpad met een fiets op hun rug. Sensatiezucht is een hardnekkige kwaal.

De kijkers thuis hadden weken gezeurd dat dit de saaiste Giro ooit moest zijn. In gedachten zat iedereen al in Rome, en nog verder weg, in de Tour de France. Dat leek me niet helemaal eerlijk tegenover de renners, die zich twee weken lang hadden laten waterboarden en hun uitgewoonde lijven nog één keer bergop moesten hijsen voor een bakje lauwe pasta en een hardhandige massage.

 

Monte Santo di Lussari, aankomstplek van de laatste brutale calvarietocht van deze Giro, was in de 19e eeuw een van de belangrijkste bedevaartsplaatsen van de Slovenen. Duizenden bedevaarders waren afgereisd naar Italië om het uur der revelatie van dichtbij mee te maken en hun Primoz luid vooruit te schreeuwen. Geloof en vertrouwen zijn soms lastig van elkaar te onderscheiden.

 

Terwijl Primoz Roglic zich rustig naar z’n fiets begaf zag ik visioenen van een scheefgezakte gele tijdrithelm, van een verfomfaaide man op een fiets die zijn noest nagejaagde droom zag wegtikken als een tijdbom.

Sommige ontredderende herinneringen hangen als de takken van een oude treurwilg over de mooie en glorieuze heen waardoor je die laatste dreigt te vergeten.

Sinds 19 september 2020 vertrouw ik geen beslissende tijdritten meer. Ik geloof niet meer in gedane zaken voor de eindmeet, in teerlingen die zijn geworpen voor het spelletje uit is.

Ik vroeg me af of Primoz ook aan die ene septemberdag dacht, een gedachte als een giftige sluipwesp. Misschien dacht Primoz helemaal nergens aan, behalve aan zijn fiets en aan de weg die hij moest afleggen om te winnen. Wie weet er überhaupt wat Primoz denkt?

Hoe klein was de kans op een dramatische omwenteling? 

 

De gezapige fietswissel van Thomas, die z’n helm afzette en een nieuwe vastgespte alsof hij een zondagmiddagritje aanvatte. De gouden helm van Roglic in een zee van Sloveense vlaggen. De zoutvlekken op de dijen van de leider. Het onverstoorbare tikken van de klok.

En dan, langzaam en aarzelend: het besef dat alles zomaar kon keren. 2 seconden, 8 seconden, 16 seconden. Zou het echt?

Toen Primoz z’n ketting af trapte zag ik een tuimelende hooibaal, het zwiepende stuur van Sonny Colbrelli, een film van recente en vervlogen accidenten die zich in mijn hoofd afrolde als verband om een gehavend rennerslijf. Ik geloof niet in vervloeking, behalve wanneer ik naar de koers kijk, waar ongeluk onevenredig is verdeeld.

Terwijl kijkers gilden en commentatoren panikeerden legde Primoz z’n ketting terug met de standvastige rust van een fietsenmaker zonder haast. 

“Het is voorbij”, zei ik tegen niemand in het bijzonder. Want ik ben geen Sloveense bedevaarder en natuurlijk zou deze man opnieuw het slachtoffer worden van zijn noodlot. Patronen herhalen zichzelf omdat wij erin geloven.

 

Primoz Roglic gelooft niet in patronen. Hij gelooft in zichzelf tot iedereen in hem durft geloven.

Wie goed keek zag drie jaar pech gelouterd in de twee handen die hij voor zijn ogen sloeg toen het besef binnenkwam. Wie al die jaren had opgelet wist wist hoeveel moeite, pijn en hardnekkigheid dit roze truitje had gekost, hoeveel twijfel er geniepig in de scheurtjes van zijn geloof was geslopen, venijnig als kiezelgruis in een schaafwond.

 

De koers is nooit mooier dan wanneer banvloeken bezworen, trauma’s geheeld en patronen doorbroken worden. De koers beloont wie kan wachten.

Seconden

Remco Evenepoel vliegt! Bekijk hier uitgebreide samenvatting van tijdrit in  Giro | Giro | sporza

Geen idee waarom de eerste Giro-week zo geestdodend was, op een rist corona-dutsen en zwierige valpartijen na. Was het de schrik voor die affreuze laatste week met meer hoogtemeters dan betamelijk is? Was het de ondraaglijke druilerigheid van het Italiaanse weer? 

Bijkomstigheid van een ongeïnspireerde week zijn relletjes, anecdotes en akkefietjes, het soort al bij al triviale onnozelheden die met een fietspomp tot bijzondere proporties worden opgeblazen alsof ze belangrijk zijn. Onderhoudend zijn ze zeker, maar voorts is het vooral amusante afleiding van de geeuwerige monotonie.

Wat had Remco precies gezegd over Primoz? Wie had de lange transfer gemaakt per helicopter en met wiens geld? En zag je die cameo van de ket in de video van Geraint Thomas? Kittige quotes, moustachetrends, beenhaar, beenstukken, weerspannige plukjes haar, smakeloze of gewaagde outfits, customized schoenen en roze stuurlint. Wanneer de taart op zich laat wachten storten we ons als wolven op elke kruimel.

 

Het was bijna een opluchting toen er op de voorlaatste dag van de eerste week, tijdens de muurtjesetappe op I Cappuccini, een minideukje in de carrosserie van de roze droom der natie werd geslagen. Eindelijk gebeurde er iets van betekenis. Remco kwam zichzelf tegen, vertelden de analisten. Mij leek het het dat hij vooral muurtjesvreter Primoz Roglic tegenkwam, maar misschien betekent dat soms ongeveer hetzelfde. 

Was het de nasleep van twee keer ongelukkig tegen het asfalt kwakken? Was het gewoon een slechte dag? Wisten wij veel. Er is altijd zoveel wat we niet weten omdat niemand het ons vertelt of omdat we de verkeerde vragen stellen.

De voorsprong ging van 44 seconden naaar een halve minuut. Dingen die een halve minuut duren: de intro van Careless Whisper van George Michael; je veters knopen; 15 diepe squads; een glas water uitschenken en leegdrinken wanneer je dorst hebt; een paar keer diep zuchten. Dertig seconden zijn voorbij voor je het weet, maar soms is je hele leven veranderd en gekanteld na de dertigste tel.

 

Startplaats van de laatste etappe, een lange tijdrit voor turbomotoren, was Savignano sul Rubicone, de plek waar Julius Caesar met zijn legioenen de grensrivier Rubicon overstak. Die oversteek betekende een daad van landverraad vermits generaals nooit met hun leger de Rubicon mochten oversteken, omdat dit de veiligheid van de Senaat en de staat in gevaar kon brengen. Het oversteken van de rivier betekende de start van Caesar’s onstuitbare opmars naar Rome en draaide uit op een ware staatsgreep.

Sinsdien wordt de uitdrukking “de Rubicon oversteken” gebruikt om de onherroepelijkheid van een beslissing of een handeling te vertalen.

Het fijne aan eerste weken van grote rondes is dat niets onherroepelijk is, of het peloton nu de Rubicon oversteekt of niet. De opmars naar Rome is onstuitbaar, maar de staatsgreep is veraf.

 

Onder een tranerige hemel pakte de snelste man van het land 17 seconden terug op de muurtjesvreter, maar intussen denderde het flegmatieke duo van de Welshman en de Schot als een machine dichterbij. “Little bastard”, zag je kwieke oudstrijder Geraint Thomas binnensmonds mompelen in de hotseat. Want wat is in vredesnaam 1 onnozele seconde? Dingen die je kan doen in 1 seconde: met je ogen knipperen; met je tong klakken; “oei” roepen; over je schouder kijken; vallen; vloeken. Eén seconde is voorbij voor je hebt ingeademd, maar soms is die ene seconde genoeg voor de eeuwigheid.

 

“Slecht ingedeeld”, zei de nieuwe rozetruidrager met gepijnigd gezicht, waar gekrenkte verwachting viel af te lezen. De rest toonde korte lontjes en kribbigheid, al bij al niet zo gek na 35 km afzien in de regen. Rustdagen komen zelden te vroeg.

Girokoorts

cycling archives on Twitter: "Stephen Roche follows Visentini at the 1987  Giro with teammate Eddy Schepers close behind. (pic Sergio Penazzo)  https://t.co/4xCvISIw26" / Twitter

De eerste Giro d’ Italia reed in 2009 van Milaan naar Milaan, een lus van 2448 km in 8 dagen. Van de 127 deelnemers zouden er 49 met de fiets terug in Milaan geraken. Eindwinnaar was Luigi Ganna, een noeste metselaar uit Induno Olona die wielrenner werd door elke dag 100 km naar en van z’n werk te fietsen. Luigi verbeterde ook het werelduurrecord. Elke gelijkenis met andere Ganna’s stopt hier.

Volgens de legende speelde de allerzwaarste Giro ooit zich 5 jaar later af, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, De renners kregen 3609 km voorgeschoteld in 8 dagen. Van de 81 renners aan de start zouden er welgeteld 8 de finish bereiken. Tijdens de zesde etappe, een calvarietocht van 428 km, brak er een sneeuwstorm uit over de Abruzzen, waar de renners 8 cols moesten bedwingen. 400 km lang probeerde favoriet Guiseppe Azzini de 10 minuten achterstand op zijn rivaal Calzolari goed te maken. Hij werd voor het laatst gezien op zo’n 30 km van de finish in Aquila. Daarna ontbrak elk spoor van de renner. In een geïmproviseerde zoekactie klopten organisatoren en journalisten aan bij elk huis in een straal van kilometers rond de plaats van verdwijning. Pas ’s anderendaags werd Guiseppe teruggevonden bovenop een hooibaal in een graanschuur, koortsig, ziek en verkleumd.

Mijn eigen oudste herinnering aan de Giro dateert van 1987. Titelverdediger Roberto Visentini blonk in het roze. In de vijftiende etappe trok zijn Ierse ploeggenoot Stephen Roche tegen de ploegorders in ten aanval, vervolgens driftig achternagezeten door zijn eigen ploeg. Tijdens de laatste klim zakte Visentini compleet door het ijs en verloor hij 6 minuten, de roze trui en de Giro. Roche werd volksvijand nummer 1 van het Italiaanse publiek, dat hem tijdens de rest van de Giro onderweg bespuwde, uitjouwde en met wijn overgoot. De enige steun in zijn queeste kreeg hij van zijn ex-ploegmaats Phil Anderson en Robert Millar en van zijn loyale domestique Eddy Schepers. Visentini was een protserige playboy en Eddy een eenvoudige en vriendelijke jongen van bij ons in de buurt, dus natuurlijk kozen wij partij voor de weerspannige Ier.

 

Toen Eddy Schepers een prille belofte was werd hij nogal voortvarend uitgeroepen tot de nieuwe Merckx. Eddy uit het platte Drieslinter was immers een geboren klimmer. Alleen dat ellendige tijdrijden kreeg hij niet onder de knie. De Merckx-droom werd opgeborgen tot er zich een nieuwe kandidaat zou aanmelden. Wisten wij veel hoe lang we zouden moeten wachten.

Dat Remco Evenepoel wel kan tijdrijden is een understatement. Hij legde de 19,6 km tussen Fossacesia en Ortona af in 21 minuten en 18 seconden aan een gemiddelde snelheid van 55,52 km per uur. Even leek het alsof hij zou opstijgen, tot ver boven het Palazzo Farnese en de Adriatische zee. Het allermoeilijkste aan tijdrijden is jezelf dubbel plooien als een knipmes en in die onnatuurlijke houding onbeweeglijk blijven zitten terwijl je benen ronddraaien aan een waanzinnig tempo. Het allermooiste aan tijdrijden is de poedelnaakte eerlijkheid van de prestatie. Er valt nergens steun te rapen en stratege komt er niet meteen aan te pas.

 

Alleen wordt een grote ronde niet gewonnen door wie sneller kan fietsen dan de rest. Grote rondes worden gewonnen door wielrenners die even goed kunnen dalen als klimmen, even goed kunnen tijdrijden als nadenken, door coureurs die nooit van slag zijn, koelbloedige lieden met een kop die even robuust is als hun uitzonderlijke fysiek. Daarom werd Eddy Schepers niet de nieuwe Merckx. En daarom is de kans reëel dat Remco Evenepoel na de Vuelta ook de Giro wint.

 

Maar eerst volgen er nog 19 etappes om gezwind omhoog te rijden, beheerst te dalen, verschroeiend hard tegen de klok te rijden en ijzig kalm te blijven tot in Rome. De Giro is immers de ronde van de onvoorspelbaarheid, decor van ongeloofwaardige plottwists en onvoorziene winnaars. Geen betere Italiaanse cinema dan het dadaïstische drama genaamd Giro d’Italia.

Witte broek

Wereldkampioen Remco Evenepoel wint Luik-Bastenaken-Luik weer na groots  nummer | WielerFlits

 

Het enige treurige aan een vers wielervoorjaar is dat het voorbij is voor je het doorhebt, alsof we gisteren nog maar aan de start van De Omloop stonden. Hoe we tijd waarnemen hangt af van het perspectief van de waarnemer.

Donkere maanden van smachten en wachten lijken een eeuwigheid te duren. Datgene waar je maandenlang naar verlangt raast voorbij voor je het echt kan omarmen. 

 

De laatste en oudste voorjaarskoers beloofde een topaffiche, een Duel tussen Titanen. Op de flanken van de Côte de Wanne, de Stockeu, de Rosier, La Redoute en la Roche aux Faucons zouden twee uitzonderlijke kampioenen elkaar voor het eerst echt bekampen. Nadal tegen Federer. Messi tegen Ronaldo. Al weken werd gespeculeerd en gepronostikeerd over wie de sterkste zou zijn in Luik.

Na 83,5 km koers, kort na de noen en lang voor er beeld was, werd de zondagse droom een domper. Een stomme put in de weg, zoals er duizend stomme putten verzonken liggen in duizend deplorabele Belgische wegen. Niets bijzonders, tot er een wielrenner over valt die waarschjinlijk onderweg was naar het podium. “Opgave Tadej Pogacar” stond er op het scherm. De man die nooit valt was gevallen. De man die nooit opgeeft was van de fiets gestapt, nog voor hij had kunnen nadenken over de ideale plek voor een aanval.

Een reminder van het universum dat niemand, ook godenkinderen niet, gespaard blijft van tegenslag.

 

Vraag het maar aan Louis Vervaeke. Zeven jaar geleden vijfde in de Ronde van de Toekomst, met een ritzege op La Toussuire. Grote belofte. Op weg naar de wereldtop. Tot alles tegenzat, thuis en op de fiets. Niets liep nog zoals hij wilde. Leeggetraind en uitgehongerd vroeg Louis zich af waar hij mee bezig was en waarom precies. Vandaag rijdt Louis zich leeg in dienst van de wereldkampioen, een rol die hem duidelijk gelukkiger maakt dan verzengende ambities.

Of vraag het aan Quinten Hermans, die in zijn favoriete en seizoensreddende koers lek reed op de plek waar je echt niet lek mag rijden en hoofdschuddend opzij ging. 

Of aan Andreas Kron die nog voor de buitenwijken van Luik over de haag vloog als een blinde zwaluw.

Desillusie is een wielrenner met tegenslag.

 

Weinig dingen schreeuwen zo hard “kom maar op!” als een witte koersbroek. Dus droeg Remco een witte koersbroek. Hij was immers 105 % en dat mocht iedereen zien en weten. Soms ben ik bang dat branie tegenslag aantrekt, maar daar is vooralsnog geen enkel bewijs voor. Matje droeg een witte koersbroek toen hij de Amstel Gold Race bezwoor. Wout droeg een witte koersbroek in zijn eerste cross van het seizoen als wereldkampoen. Een witte koersbroek is een talisman en een voorteken tegelijk. Je komt er enkel mee weg op dagen van glorie en er is altijd een kans dat je je onsterfelijk belachelijk maakt, een risico dat je alleen maar neemt wanneer het zelfvertrouwen uit al je poriën lekt.

 

Zonder de beste wielrenner van de wereld was de enige openstaande vraag niet of Remco Evenepoel La Doyenne zou winnen, maar waar en wanneer hij zou vertrekken en de rest achter zich laten.

Dertig kilometer van de meet, op die goeie ouwe La Redoute, was het zover. Twintig seconden. Drie stevige pedaalslagen. Meer kostte het niet. Het enige wat je moet doen als je zoveel beter bent dan de rest is rechtbliijven en niet lek rijden.

In principe kan een mens op dat moment de televisie uitzetten en zich aan een reeks uitgestelde zondagsklussen gaan wijden. De was die was blijven liggen, de haag die om een snoeibeurt vraagt. Maar ik bleef kijken, gebiologeerd door zoveel brutale dominantie, de laatste kruimels van het voorjaar langzaam smeltend op mijn tong.

Over twee weken start de Giro. Benieuwd in wat voor broek Remco van start gaat.