biekesblog


donderdag 29 oktober 2015

Waarom we emoties vooral niet moeten weren uit het maatschappelijke debat

-->

Asielzoekers die in een open centrum verblijven, zullen 'met aandrang' worden gevraagd steeds een identificatiebadge bij zich te hebben. Zo staat te lezen in een ontwerp van protocol dat de federale regering samen met de politie en Fedasil heeft uitgewerkt.

De betreffende badges zorgden meteen al voor heel wat polemiek. De reacties variëren van ‘discriminerend’ tot ‘verwerpelijk’, en her en der duiken vergelijkingen op met de Davidsster die het Duitse nazistische regime in 1942 oplegde aan de Joden.

‘De badge is goed’, zo reageerde opinierend hoofdredacteur Bart Sturtewagen in zijn editoriaal in De Standaard. “Het migratiedossier is al complex en belastend genoeg zonder dat we er ook nog eens op hoge toon overbodige discussies aan toevoegen.” En “Identificatieplicht associëren met het dragen van de Jodenster is kwalijk.” Kortom: wie achter het badge-idee iets anders zoekt dan louter praktische overwegingen is van kwade wil.

Het is niet voor het eerst en wellicht ook niet voor het laatst dat de suggestie wordt gewekt dat emoties ongepast en onwenselijk zijn in het politieke en maatschappelijke debat. Dat debat zou kennelijk ten allen tijde rationeel en feitelijk moeten zijn en wars van elke emotionele lading.

Alsof er zoiets bestaat als zuiver rationeel debat. Alsof politiek geen menselijke uitvinding is en niet over mensen gaat. Alsof je een politiek debat kan voeren zonder de historische, menselijke en emotionele context in beschouwing te nemen.

Wanneer ministers besluiten nemen, dan doen ze dat bij voorkeur met begrip voor de maatschappelijke context. Die context is vrij duidelijk. Europa voelt er weinig voor om vluchtelingen welkom te heten en maakt dat duidelijk aan de hand van ondubbelzinnige beslissingen en gekissebis over wie hoeveel asielzoekers moet opvangen. Meer en meer landen sluiten grenzen, veelal op weinig subtiele wijze, inclusief prikkeldraad, traangas en bewapende ordetroepen. Asielcentra worden belaagd, gemeden en in brand gestoken. Wie zich in die context welkom of veilig voelt als vluchteling is een onverbeterlijke optimist.
Beelden van duizenden mensen en kinderen die dagenlang door de regen en de kou ploeteren, met weinig meer om het lijf dan een plastic zak, doen niet meteen vermoeden dat wie op de vlucht is zich warm onthaald voelt.
Je zou hopen dat beleidsmakers net wel rekening houden met de emoties van wie hun besluiten treffen.

Je zou ook verwachten dat ministers hun geschiedenis kennen, in het bijzonder een van de  meest beladen en traumatiserende episodes van die geschiedenis. Had er echt niemand op het kabinet van Jan Jambon verwacht dat er associaties met de Jodenster zouden volgen? Of die vergelijking nu rationeel steek houdt of niet, het feit dat ze gemaakt wordt volstaat om duidelijk te maken dat je best omzichtig omspringt met bepaalde ideeën. De rel rond de burgemeester van Koksijde had wat dat betreft duidelijk genoeg aangegeven dat het badge-idee omstreden was en aanleiding gaf tot polemiek. Dat men er vervolgens voor kiest die gevoelens gewoon te negeren is veelzeggend.

Verder kunnen we er niet omheen dat deze regering, de grootste partij in het bijzonder, totnogtoe weinig blijk heeft gegeven van een empathische en solidaire houding in de hele asielcrisis. Niet zo vreemd dus dat weinigen geloven in de vermeend ‘louter praktische’ beweegredenen van minister Jambon en zijn partij. C’est le ton qui fait la musique.

Die praktische beweegredenen vallen trouwens vrij makkelijk te weerleggen. "Asielzoekers moeten sowieso altijd hun 'bijlage 26' bij zich hebben, waarop staat dat ze het statuut van asielzoeker hebben", aldus Els Keytsman van Vluchtelingennetwerk Vlaanderen. Asielzoekers zijn dus al in het bezit van een identificatiedocument, wat de noodzaak van de identificatiebadge in een schemerig daglicht plaatst.

Mijn favoriete filosofe, Martha Nussbaum, omschrijft wat ik bedoel als volgt: "Emoties zijn geen onberedeneerde of domme lichamelijke bewegingen. Integendeel, emoties zelf zijn intelligent. Zonder emoties is ons denken krachteloos."
Nussbaum verzet zich tegen een ethiek die zuiver rationeel is.
Emoties zijn niet altijd geschikt als basis voor de politiek. Bijna alle emoties kunnen volgens Nussbaum ontaarden wanneer ze zich enkel richten op een kleine kring. Maar echt gevaarlijke emoties zijn volgens haar die emoties die ervoor kunnen zorgen dat bepaalde groepen worden uitgekotst door een samenleving. Toch is ze van mening dat dergelijke negatieve emoties niet met het verstand bestreden moeten worden. “Je moet ze bestrijden met andere emoties: met woede over wat minderheden wordt aangedaan, en met liefde voor alle mensen.''



woensdag 28 oktober 2015

Complimenten



Om kans te maken ooit Belg te worden moeten erkende vluchtelingen onder andere ondertekenen dat men de waarde "gelijkheid tussen mannen en vrouwen" respecteert. Want dat is wat echte Belgen doen. Toch? 
Ik had per abuis wat tijd om daarover na te denken. Over dat hele gendergelijkheidsvraagstuk dus. Over hoe moe ik geworden ben van het gezwets over de zogenaamd verworven rechten van westerse vrouwen en de daarbijhorende dooddoeners. Dat we niet zo moeten zeuren. Dat we overdrijven. Dat we geen gevoel voor humor hebben. Dat er tegenwoordig niks meer mag.

'Wijven moeten niet zoveel complimenten maken.' bulderde kamervoorzitter Louis Major tegen politica Nelly Maes toen die vroeg om met haar meisjesnaam te worden aangesproken. Gek lang is dat niet geleden. Gek veel is er niet veranderd, al luidt en oogt het moderne seksisme doorgaans wat minder onbeschoft.

‘Na drie overwinningen op rij moet journaliste Danira Boukhriss Terkessidis wat gaan doen aan haar imago.’ schreef de ‘VIPS-journalist’ van Het Laatste Nieuws deze week. Danira had namelijk ‘Dat kan mij op dit ­moment niet veel schelen.’ geantwoord op de vraag wie van haar tegenstrevers in De Slimste Mens Ter Wereld ze het liefst zag doorgaan naar de volgende ronde. ‘Dat is geen foutje in de roes van de overwinning, maar ongepaste arrogantie’, aldus Het Laatste Nieuws. Eerder had Slimste Mens-presentator Erik Van Looy al opgemerkt dat Danira ‘niet op haar mondje gevallen’ was.

Het klinkt en leest allemaal wat minder grofgebekt als ‘wijven die complimenten maken’, maar in se komt het op hetzelfde neer. Dat we nederig, bescheiden en vooral niet ad rem mogen zijn.

Ik bracht mijn lagere schooljaren door op een katholieke meisjesschool onder nonnenbewind. Het motto van zuster directrice was ‘wees voornaam’. ‘Voornaam’ werd in die tijd en context vrij vertaald als: nooit tegenspreken, altijd met je benen netjes tegen elkaar zitten, en vooral, onder geen beding, de indruk wekken dat je ergens een eigen mening over had.

Het spreekt voor zich dat ik toen al niet uitblonk in voornaamheid, last had van oprispende meningen over vanalles, en mijn benen niet in de plooi kreeg. Tot overmaat van ramp sprak ik al eens tegen als de situatie daar volgens mij om vroeg.

Een paar tientallen jaren later bevond ik me door professionele omstandigheden met regelmaat rond een vergadertafel in exclusief, of in ieder geval hoofdzakelijk mannelijk gezelschap. Ik leerde dat ik in het beste geval genegeerd, in het slechtste geval belachelijk gemaakt werd als ik me ‘voornaam’ gedroeg. Ik leerde dat ik gedoogd werd en op termijn eventueel gerespecteerd, wanneer ik m’n job naar behoren deed. Dat mijn engagement in twijfel werd getrokken toen ik moeder werd, maar dat van mijn lief, nochtans de vader van hetzelfde kind, onverminderd werd bejubeld. Dat ik nooit naar sympathie moest hengelen, dat mijn mening nooit opwoog tegen die van een man en dat ik genadeloos werd opgeofferd wanneer dat iemand goed uitkwam. Intussen weet ik dat ik niet de enige ben met dat soort ontluisterende ervaringen. Ik wil ze niet te eten geven, de hordes moegetergde vrouwen die onzacht in aanraking kwamen met mannelijke en paternalistische bestuurders of directies. Het blijkt een gevecht dat niet te winnen valt. Een vrouw die zich aardig en bescheiden gedraagt wordt niet ernstig genomen. Wie het spel meespeelt en zich assertief toont, is een bitch of een vervelend, en dus op te ruimen obstakel. Assertiviteit blijkt een kwaliteit voor mannen, maar een vergiftigd geschenk voor vrouwen.

Het voordeel is dat weinig mannen het ooit aandurfden mij ‘schatje’, ‘poepke’ of ‘mieke’ te noemen en ik zelden werd lastiggevallen. Het nadeel is dat mannen mij maar zelden ‘aardig’ of ‘lief’ schijnen te vinden, laat staan voornaam, en dat verdoken aanbidders liever hun schoenen opeten dan mij hun sluimerende liefde te verklaren.

Geheel toevallig viel mijn oog vorige week op een studie van de universiteit van Berkeley waaruit bleek dat mannen wel van slimme vrouwen houden, maar er geen relatie mee willen. Ik nam een extra kop koffie met een losbandig stuk chocolade en vroeg me af of ik niet nog een huisdier (m/v) zou nemen, als die mannen dan toch zo’n complimenten hadden.

Afijn, wat ik dus eigenlijk zeggen wou: het is niet omdat vrouwen mogen stemmen, studeren en werken en we wetteksten hebben die het strafbaar maken om je vrouw bont en blauw te slaan, dat we gelijk behandeld worden. Subtiel en sluipend seksisme is misschien wel de giftigste soort en verdomd lastig uit te roeien.





maandag 12 oktober 2015

Verboden te klimmen

Zondagnamiddag. Ondanks de herfstkilte schijnt de zon genereus.
De zonen hangen. Eentje op de sofa, languit achterover, z’n gezicht verstopt achter een tablet, waaruit hemeltergende geluiden galmen. De andere ijsbeert door de woonkamer, beurtelings de mantras “ik verveel me” en “er is niks om te doen” reciterend.

Ik sta in de keuken te rommelen in een zeldzame vlaag van opruimwoede en beslis dat ik er genoeg van heb. Ze werken op mijn zenuwen, met hun lamlendige gehang en gezeur. Naar buiten ermee. Ik hoor mezelf dingen zeggen, waarvan ik had besloten ze nooit te zullen zeggen, een besluit van voor ik kinderen had weliswaar. Dat het over en uit is met de schermpjes en dat het veel te mooi weer is om binnen te zitten. Dat ze me irriteren met hun gezeur en ostentatieve verveling. Dat ze nu, onmiddellijk, stante pede, naar buiten moeten, naar het park, de straat in, en zelf maar moeten bedenken wat ze daar uitvreten. Dat er gras is om op te voetballen en bomen om in te klimmen. Met een lang en verongelijkt gezicht sjokken ze weg, bal onder de arm. De jongste moet ik twee uur later zelf uit het park gaan plukken en is woest als ik meedeel dat het tijd is om te eten.

Maandagochtend. Ik schuim het nieuws af. Twee veertienjarigen zouden in een Antwerps park het lef hebben vertoond om in een boom te klimmen. Dat schijnt niet te mogen, in Antwerpse bomen klimmen. Ik lees het nog eens, voor de zekerheid. Je weet nooit zeker of er staat wat je leest vooraleer je voldoende koffie hebt geconsumeerd.
Het blijkt te kloppen: in bomen klimmen is ten strengste verboden. Niet enkel in Antwerpen, maar ook in een reeks andere Vlaamse steden.
Ik mompel iets over verkrampt en verzuurd en van de pot gerukt, maar antwoord knarsetandend “niets, niets” wanneer de zonen vragen waar ik het over heb. Straks krijg ik ze helemaal niet meer naar buiten en blokken ze mijn verwoede pogingen af door met de letter van de wet te zwaaien.

Diezelfde ochtend word ik gebeld door een journaliste, met de vraag of het klopt dat ik mijn drukke, wat aparte kind, niet had willen laten testen. Ik vertel dat dat klopt. En dat ik niet weet op welke manier eender welk label of etiket mijn duracellkind minder luid, druk en apart zou maken.

Wat ik wel weet, maar moedeloos inslik, is op welke manier je kinderen problematische labels aansmeert. Door ze op te sluiten en stil te laten zitten bijvoorbeeld, eerst op school, daarna aan de keukentafel, voor onvermijdelijk huiswerk of broodnodige bijles. Door je steden zo te laten dichtslibben met auto’s dat kinderen nergens nog veilig kunnen fietsen, steppen of skaten. Door tieners die niet binnenzitten, maar buitenkomen, “hangjongeren” te noemen en met doorgedreven argwaan te bejegenen. Of door ze te beboeten wanneer ze in een boom klimmen.

Ik denk dat ik straks eens een boom zoek om in te klimmen. En daar gewoon blijf zitten tot iemand me kwijt is.








vrijdag 18 september 2015

Opvoeden in tijden van vluchtelingencrisis

-->
Gisteren hoorde ik een stafmedewerker van Vluchtelingennetwerk Vlaanderen vertellen dat het aantal minderjarige vluchtelingen met een kleine 600 % steeg in een jaar tijd. En hoe hun vrijwilligers onlangs twee broertjes van 8 en 11 uit de rij wachtenden voor de Dienst Vreemdelingenzaken plukten. Kinderen die de lange, moeizame en gevaarlijke reis naar Europa helemaal alleen hadden gemaakt.

Vier uur later stopte ik mijn kinderen van bijna 7 en bijna 10 in bed. Een warm bed dat we delen voor knuffels, kusjes en verhalen. Voor tegen elkaar aankruipen in het donker. Voor een terugblik op de voorbije dag en vooruitblikken op een nieuwe dag, in het vertrouwen dat die dag warm, droog, veilig en vol liefde zal zijn.

Ik moest een beetje huilen om zulk een absurde tegenstelling, wat vragen opriep bij mijn zonen over de herkomst van de tranen, die ik niet snel genoeg weggeveegd kreeg.

Wat zeg je dan, tegen zo’n gelukkig en geborgen kind dat zich oprolt om de slaap te vinden?
Ik negeerde de mogelijke omwegen, besloot eerlijk te zijn, en vertelde dat ik intriest werd van het denken aan eenzame kinderen op de vlucht. Meteen bekroop mij het gevoel alweer een stukje van hun opgroeiende onschuld te hebben weggeknaagd.

Er kwamen bijkomende vragen, de ene al pertinenter dan de andere. Ik jongleerde met antwoorden, het ene al toereikender dan het andere.  Over het waarom van oorlog en grenzen, over aardige en minder aardige mensen, over hebben, niet-hebben en delen. Opvoeden voor gevorderden. In stilte prevelde ik een dankgebedje voor de journalistieke bagage die dergelijke heikele opdrachten net iets makkelijker maakt.

Toen de zonen geïnformeerd, maar gerustgesteld waren ingeslapen nam ik een bord uit de kast (een lelijk, beken ik). Ik stapte naar buiten, ver genoeg de tuin in om niet gehoord te worden, en kwakte het ding tegen de muur tot het in zeventien (ik heb ze geteld tijdens het opruimen) ongelijke stukken uit elkaar spatte. Ik hoopte vurig dat niemand mij zou vragen waarom ik met servies stond te gooien. Niet omdat ik daar geen antwoorden op kon bedenken,  maar omdat het enige juiste antwoord te machteloos was.

Machteloos, dat was voor de gelatenen en de cynici. Voor toestanden van dood, ziekte en hopeloze liefdes. Een alibi voor niets willen weten en niets willen doen. In maatschappelijke kwesties was het een waardeloos woord van niks. Een woord zonder engagement en zonder hoop.

Terwijl ik vloekend vlijmscherpe stukjes porcelein van tussen het gras viste, nam ik me plechtig voor het woord machteloos geen plaats te geven in mijn geïmproviseerde of doordachte opvoedpraktijken. En mezelf een glas wijn in te schenken.

maandag 31 augustus 2015

zomernaschrift bis

-->
De zomer en ik, wij hebben altijd innig van elkaar gehouden. Zij haalde steevast het beste in mij naar boven. Ik gaf haar alle tijd en aandacht die ik missen kon en bedacht mijn mooiste en spannendste plannen voor haar. Onze relatie was complexloos en oprecht en kwam meestal enkel in gedrang wanneer zij mij ontgoochelde.

Wanneer iedereen zich aan haar al te opdringerige  aanwezigheid leek te storen en beschutting zocht achter luiken en gordijnen, vlijde ik me onverminderd tegen haar aan.
Wanneer zij haar afscheid aankondigde met kortere dagen en geruis van vergelend loof, klampte ik mij krampachtig aan haar vast, als een drenkeling, als een geliefde met verlatingsangst.
Ik zocht de plekken waar zij het langst haar dalende licht liet schijnen en vatte er post als een geduldige visser zonder hengel. Ik telde de sterren die ze achteloos liet vallen en waarmee ze mij te lang wakker hield, om vervolgens de tel te verliezen bij het smeulende vuur.

De wilde eenden vliegen over. Onder mijn blote voeten plakken versgevallen bladeren. Het licht is warmer en treuriger dan een dag geleden, en verschuilt zich steeds vaker achter trage wolken
Ik staar haar uitdagend en vragend in de ogen, alsof ik haar vragen wil mij vooral niet alleen te laten, om nog even te blijven, lang genoeg om het afscheid te kunnen verdragen.
“You don’t know what you’ve got till it’s gone” zong niemand mooier dan Joni Mitchell.

Dat het een historisch mooie zomer was, zo wordt gezegd, een aantal apocalyptische buien buiten beschouwing gelaten. Toch heb ik mijn geliefde tijd van het jaar opnieuw ontgoocheld. Mijn zomeranimo bleef uit en leek onvindbaar. Ik bleef te weinig nachten bij haar waken. Ik vond de moed niet om te dansen. Ik liet mijn vrienden te weinig avonden aan elkaar praten in de tuin. Ik graaide niet met mijn vingers in de droge aarde in optimistische pogingen daar iets eetbaars of moois te helpen groeien.
De dagen gleden weg zonder dat ik er oog voor had. Ik stelde mijn zomerlief op de proef, en dat niet voor het eerst.

Er was opnieuw al te veel slecht nieuws, ver weg en dichtbij. De uitzichtloosheid van wie ergens op de vlucht was deed ons beschaamd zwijgen over onze eigen, zoveel bescheidener besognes: zieke ouders, werk dat je leegzuigt, opgebrande energie en verscheurde gezinnen. Zodat er tenslotte nog maar weinig werd gezegd dat het zeggen waard was.

Gelukkig heb ik al mijn mooiste woorden, plannen, gedachten en zomerjurken opgespaard, vastbesloten om ze volgend jaar opnieuw vrij te laten.






 
-->


















woensdag 26 augustus 2015

Hefbomen en brandhout


Een paar keer per jaar vinden de kranten onderwijs belangrijk genoeg om over te schrijven. Eind augustus is wat dat betreft een topmaand. Ik negeer mijn onredelijke hekel aan het hele “terug-naar-school”-circus en lees opinies over hoe het met ons onderwijs is gesteld. Eentje blonk uit in oprechtheid en betrokkenheid, maar evenzeer in vertwijfeling.

Journaliste Lotte Beckers liep het afgelopen schooljaar stage in een Antwerpse basisschool. “Gemotiveerd en geëngageerd, en met een oprecht vertrouwen in de emanciperende kracht van het onderwijs. Elk kind kan boven zichzelf uitstijgen, het is maar een kwestie van geduld, aandacht en een persoonlijke aanpak. Dacht ik. Maar het duurde niet lang of ik botste frontaal op de dagelijkse realiteit van het klaslokaal.”

Ik ben zelf alweer een hele tijd weg uit het klaslokaal. Toch hoef ik maar zo’n doorleefde getuigenis te lezen of de herinneringen banen zich een weg naar mijn bewustzijn.

Ik herinner me B., zestien, hoogzwanger van een gedetineerde dealer. B. woonde in bij haar schoonouders, moest elke ochtend om vijf uur uit de veren om voor de hele familie brood te bakken en te poetsen. Ik herinner me ook levendig hoe B.’s familie op een ochtend om 07u bij mij thuis aanbelde. Of ik soms wist waar hun dochter was. B. was weggelopen van huis. Haar familie had haar aangepraat dat ze haar kind nooit zou zien als ze het in haar hoofd haalde om te gaan studeren. Dat ik het als buitenstaander, en als tweeëntwintigjarige snotneus bovendien,  had gewaagd haar te vertellen dat ze slim en getalenteerd was en dat er een wettelijk kader bestond dat ervoor zorgde dat kinderen niet zomaar bij hun moeder vandaan konden worden gehaald of gehouden, dat alles volstond om mij te verdenken als medeplichtige van de voorvluchtige tiener. Ik belde de halve klas op tot ik wist waar B. was en of ze daar veilig was.
Ettelijke jaren later liep ik B. tegen het lijf in het station. Ze tikte glimlachend op m’n schouder. Of ik nog wist wie ze was en dat ze intussen in haar tweede jaar Romaanse zat. En dat ze mij wilde bedanken. De rest van de dag bleef ik dwaas grijnzend rondlopen.

Er was ook J., timide, erg in zichzelf gekeerd, zoon van twee getuigen van Jehova die hem strikt in de leer opvoedden. Geen schooluitjes, geen hobby’s. Zelf wist hij het allemaal niet zo goed. Maar dat er al eens iemand met hem praatte alsof hij een individu was, dat bleek hem deugd te doen. J. stopte aandoenlijke briefjes in mijn leraarsvak en legde bloemen op mijn drempel, wat mijn toenmalige lief luid en geërgerd deed zuchten.

Dan was er N., wiens ouders net gescheiden waren en dat niet in der minne geregeld kregen, om het eufemistisch te verwoorden. N. had nooit boeken of schriften mee naar de les, belichaamde enkel nog desinteresse, wist alleen nog schamper te reageren op de wereld en de mensen die hem in de steek lieten.

En er was R., aan haar derde middelbare school toe, pienter, gefascineerd door fotografie, maar “afgezakt’ naar het vijfde jaar zorg, na al te veel gespijbel en amok. Dat het meisje al de vierde stiefvader van bedenkelijk allooi bij zich zag intrekken en haar moeder nooit zag was slechts een voetnoot in haar dossier. Toen mijn contract afliep werd R. van school gestuurd. De klassenraad was unaniem. De nacht na die klassenraad kon ik de slaap niet vatten.

Er waren knipmessen die plots uit broekzakken tevoorschijn kwamen wanneer een discussie uit de hand liep en die je rustig, met zachte, maar kordate woorden moest zien te bemachtigen. Er vielen harde woorden en soms net geen klappen. Er waren wekelijkse drugsrazzia's en kinderen die een hele maand op internaat bleven zonder hun drukbezette ouders te zien. Er waren verbijsterende verhalen en veel tranen. En aan het eind van de dag, wanneer ik alweer had vastgesteld hopeloos achter te lopen op het leerplan, wanneer ik uren had besteed aan luisteren, troosten en brandjes blussen, bedacht ik dat ik hier niet voor was opgeleid, laat staan dat iemand me erop had voorbereid. En dat je in dit soort school kiezen moest. Tussen het welzijn van je leerlingen en de leerplannen. Tussen bijstaan en doceren. Omdat er voor beide eenvoudigweg geen tijd of ruimte was, niet in het schema, maar ook niet in je hoofd.
Ik was amper vijf jaar ouder dan mijn leerlingen, onbevangen aan de start van het leven, en zij droegen zij al zoveel treurige geschiedenis mee. Een geschiedenis die ik maar al te graag een andere wending wilde geven, maar waar ik geen vat op leek te hebben.

Het zijn die leerlingen die ik nog levendig voor me zie. Niet de voorbeeldige studenten uit de colleges in slaperige provinciestadjes. Niet de modelleerlingen die nooit zakten, spijbelden, scheldden of vochten. Maar die anderen, met hun rugzak vol loodzware bagage en zonder kruier; hen zou ik nog overal herkennen. Zij deden me blijven, maar uiteindelijk ook weggaan. Omdat tijd en aandacht niet in mijn functieomschrijving stonden. Omdat ik hen niet kon uitleggen hoe een gedicht van Baudelaire of de geschiedenis van de krant hen kon redden van hun bezwaarde bestaan.


maandag 20 april 2015

Mediterrane dromen

-->
In mijn kleine en onbevangen kinderdromen belichaamde de Middellandse Zee alles wat een vakantiekind wensen kon: eindeloze zonovergoten dagen waar je op blote voeten en in weinig meer dan een badstof broekje doorheen scharrelde. Er leek geen einde te komen aan de tijd, die zich lui uitrekte als een kat zonder zorgen. Zeewater van een onrealistisch smurfenblauw, vol felrode koralen en fluorescerende vissen waar je urenlang boven kon dobberen, de helft van je gebruinde hoofd verborgen achter een veel te grote snorkel, nu en dan spartelend met je ebbenhouten beentjes om je luchtbed een paar meter vooruit te sturen. En later, wanneer je opgeschoten tienerlijf zeewaardig genoeg werd bevonden, voor dag en dauw in een helblauw en wit gestreepte visserssloep de diepe zee op, in het gezelschap van bonkige vissers zonder veel woorden die je toch niet verstond, om trots terug te keren met emmers vol verse inktvis, waar je diezelfde dag veel te veel van zou eten.

Mijn kinderbrein kon toen niet bevatten dat de zee iets anders kon betekenen dan schoonheid en geluk. Mijn volwassen brein kan het nog steeds niet.

De afgelopen vijftien jaar stierven een slordige 23.000 mensen in het water van de Mediterranee. Onder hen meer kinderen dan ik in mijn hele kindertijd ontmoette, daar in die Noordspaanse vissersbaai. Kinderen met dromen over een ander leven, die hun echte leven verloren in de koude en verraderlijke azuurblauwe golven. Ook voor hen betekende de zee geluk. Niet het eenvoudige, voor de hand liggende vakantiegeluk dat mij zomaar, onverdiend en ongevraagd te beurt viel. Maar de ongenadige zoektocht naar een veel rudimentairder geluk: het geluk om menswaardig en hoopvol te kunnen leven.

Een geluk dat ik mijn kinderen zonder al te veel opoffering en inspanning kan bieden, niet omdat ik daar iets bijzonders voor deed, maar omdat ikzelf geluk had. Het geluk geboren te worden op een plek die kansen bood zonder dat ik erom hoefde te vragen.

We vinden onszelf toegewijde ouders, wij die rekensommen helpen maken, van dansles naar muziekacademie taxi’en, verjaardagsfeestjes organiseren en kerstbomen optuigen om bergen overbodige cadeautjes onder te leggen.

Er bestaat een soort toewijding dat ouders ertoe brengt zichzelf en hun kroost, zonder zwemvest en zonder schoolslagdiploma, in een gammele en overbevolkte boot te hijsen en alles wat ze kennen en wat hen houvast biedt achter te laten, over onvoorspelbaar water op zoek naar een betere toekomst, naar een toekomst zonder meer. Je kan er het leven bij laten, maar je hebt niets te verliezen, want nooit iets gekregen.

Voor dat soort toewijding buig ik beschaamd het hoofd. 
Mijn beleidsmakers buigen niet, maar tellen: hoeveel toegewijde ouders en kansloze kinderen laten we toe en hoeveel laten we er verdrinken?

Want het geluk, dat is van ons en van ons alleen.

donderdag 19 maart 2015

Eat, work, sleep, repeat ...



 “Mama, wat zou jij kopen als je heel erg rijk was?” Ik zucht en zwijg alsof ik nadenk. Maar ik hoef niet na te denken. Tijd. Ik zou tijd kopen, schat. Tijd om met jou te tekenen. Om tomaten, wilde bloemen en sla te planten. Om een boek te lezen. Om er een te schrijven. Om langer te slapen dan krap voldoende om een drukke dag door te komen zonder halverwege als een mislukte souffle in elkaar te zakken. Om een brood te bakken dat niet vol troep zit. Om mij af te vragen wat ik eens zal doen. Om geduldig te luisteren naar de verhalen die jij me ‘s ochtends probeert te vertellen, wanneer ik als een windhond door de ochtendroutine ren, of in dat krappe anderhalf uur tussen mijn thuiskomst en jouw bedtijd, wanneer er gegeten, afgeruimd, gewassen en gepoetst moet worden en ik eigenlijk alleen maar even wil neerzitten.

Maar dat zeg ik niet. Je wilt zo’n onbevangen kind niet het idee geven dat opgroeien niet per se ergens toe dient, niet noodzakelijk een prettig vooruitzicht in zich draagt.

Ik mompel iets vaags over “een degelijke fiets die niet doortrapt”, “een nieuw dak” en “een vloer in de woonkamer”. Intussen bedenk ik in stilte dat ik die fiets, die vloer en dat dak meteen zou inleveren voor een royale portie tijd. Tijd die als een frisgroene lenteweide, met een verlegen madeliefje her en der, voor me ligt, vrij te betreden, om op te spelen, liggen, dromen en slapen.

Ik luister naar bevlogen mensen die vermeend utopische ideeën rond arbeidsduurverkorting uitdenken en aanprijzen. Terwijl ik wegdroom concludeer ik nuchter dat het weinig waarschijnlijk is dat ik die plannen ooit zie uitvoeren.

Ik lees een boek over gratis geld voor iedereen en onzinnig werk dat hoogdringend moet verdwijnen. Vervolgens schaam ik me omdat ik wel een zinnige job heb en daar niet blij genoeg mee ben.

Sympathieke ideeën, die op instemmend geknik, maar toch vooral meewarig hoofdschudden worden onthaald en al snel bedolven raken onder activeringsgedram en economische paniek. Er moet namelijk wel gerendeerd worden. Dat dat vanzelf spreekt en slechts door aandoenlijk naïeve idioten in vraag wordt gesteld. Dat we nu eenmaal, want het is niet anders, de economie draaiende moeten houden.

Ik weet niet eens hoe ik mezelf en de mijnen draaiende moet houden.
De vuile was stapelt zich op tot de kwalijke geur in het berghok tot actie maant. De koelkast herbergt levende organismen die niet langer geschikt zijn voor menselijke consumptie. De voetzolen van mijn kinderen vragen geen was-, maar een scrubbeurt. De badkamer, en bij nader inzien het hele huis moet geschilderd. De hond wil een heuse trektocht in plaats van een ommetje. De stapels kinder- en andere boeken in elke kamer van het huis blijven ongelezen. Mijn vrienden zijn al lang gestopt met me uit te nodigen voor concert x of event y.
Als ik neerlig wil ik alleen maar slapen.

Maar ik slaap niet, ik denk. Over wat ik mijn kinderen moet vertellen over “later” zonder hen de zin om volwassen te worden te ontnemen. Over wat ik moet doen wanneer een van mijn ouders hulphehoevend wordt, daar aan de andere kant van het land. Of hoe ik het red als een van mijn kinderen ernstig ziek wordt. De vermaatschappelijking van de zorg is weinig meer of minder dan een kuise term voor “trek je plan.”
Wat als ik ooit eindig in zo’n krap en treurig kamertje in een “woon- en zorgcentrum”, waar fletse drab op het menu prijkt, waar geen huisdieren binnen mogen en het licht uitgaat om 19u. Tijd genoeg, daar niet van, maar wat doe je ermee als je niks meer hebt en anderen voor jou beslissen?

The cost of a thing is the amount of what I will call life which is required to be exchanged for it, immediately or in the long run.” schreef H.D. Thoreau in Walden. Een quote die ik vrij en actueel vertaal naar: “Dit syteem en dit beleid kosten mensenlevens.”

Wat mij eraan herinnert dat ik eigenlijk Thoreau nog eens wil lezen. Ooit. Als ik tijd heb.



















zaterdag 14 februari 2015

Brief aan Sint Valentijn


Beste Sint-Valentijn,

Ik weet dat het uw feestdag is vandaag, waarvoor overigens gefeliciteerd. Dus vermoedelijk is het ongepast om uitgerekend vandaag een paar kritische kanttekeningen te plaatsen bij de ophef rond uw verjaardag.
Helaas voor u ben ik intussen op een leeftijd beland die dat soort vormelijke bezwaren vlot onder de mat veegt wanneer ze mij niet uitkomen. Hopelijk vergeeft u me mijn vrijpostigheid.

Vanochtend, terwijl her en der, aan ontbijttafels vol rozenblaadjes, hartvormige boterkoeken met aardbeien en bubbels werden genuttigd ter uwer ere, werd ik wakker met een logge poot op mijn dij, een fluweelzacht flapoor tegen mijn wang en een zwoele hondenadem in mijn nek. Zelfs mijn huisdier bleek gewillig toe te geven aan de roes der liefde die vandaag in de lucht hangt.

Vertederd bleef ik liggen, mijn handen op een harige hondenbuik. Ongewild dwaalde mijn luie geest af naar tijden waar mijn handen op dat soort zaterdagochtenden op een – godzijdank minder harige – mannenbuik pleegden te liggen. Waardoor ik mezelf uiteraard genoodzaakt zag om na te denken over de liefde, ook al was ik vastbesloten geweest dat vooral niet te doen en me met wereldser en constructiever thema’s bezig te houden.
U moet weten – vergeef me dat ik vrijuit spreek - dat ik van mening ben dat uw kijk op de liefde te wensen overlaat. In die mate dat ik me afvraag of u zelf wel ooit een lief hebt gehad en bijgevolg de wenselijke expertise kan voorleggen om u als een autoriteit in de materie op te werpen.

Ik graafde in mijn geheugen naar onbevangen verliefde tijden, toen dEUS nog broeierige nummers maakte als Hotel Room en Roses, die we op repeat beluisterden tot de noten onder ons vel jeukten. Toen mijn lief mij geregeld buitendroeg uit een overhitte concertzaal, alwaar ik voor de zoveelste keer was bezweken aan de warmte en de verstikkende mensenmassa (dat ik per se op de eerste rij wilde op en neer springen als een spicegirl op speed hielp weinig ter preventie). Toen wij niks anders om handen leken te hebben dan nachtenlang Blackadder kijken en onze buren wakker houden met ons ongegeneerde geschater. Toen we elke vrijdag en zaterdag uitgingen zonder met iemand af te spreken en toch iedereen tegenkwamen. Toen werk gewoon werk was en het echte leven zich ver van die werkvloer leek te bevinden, daar waar zich vrienden, muziek, reizen en feest ophielden.
En hoe wij dachten dat dit alles voor altijd was: dit onbezorgde door de dagen razen, het feesten, het lief.

Ik moet bekennen dat wij uw verjaardag nooit vierden. Het leven vierden wij des te intenser. Wij vonden u eerlijk gezegd wat overbodig. Alsof ons leven niet al een feest was zonder u.

Vandaag, zo’n slordige twintig jaar en veel ontnuchtering later, vind ik u nog altijd even overbodig. Met uw hartvormige kussens, uw geurloze rode rozen, uw pluche knuffelbeesten, uw veel te dure Valentijn-menu met hartvormige amuses en mierzoete desserts, uw roze champagne en uw Swarowski-juwelen die desgewenst een fietslicht kunnen vervangen.

Ik ga rechtuit zijn: u snapt niks van vrouwen, laat staan van de liefde. Daar. Ik heb het gezegd. Het lag al een tijdje op mijn tong.
Liefde, moet u weten, heeft geen uitstaans met roze troep en etentjes in schemerige restaurants, waar op de achtergrond beroerde versies van My Funny Valentine ruisen. 

De ware liefde raapt ons op wanneer we na een Vodka-avond van de studenten Russisch niet meer recht raken en draagt ons als een zak aardappelen naar ons kot. De ware liefde zet ongevraagd extra koffie wanneer hij net de laatste uitschonk. De ware liefde zet de juiste platen op en koopt op tijd concerttickets voor Nick Cave. De ware liefde leest een boek naast ons in bed en deelt af en toe een bijzondere passage. De ware liefde leest samen met ons de krant en deelt in onze verontwaardiging over pakweg de indexsprong. De ware liefde gaat om frieten in het verste frietkot van de stad omdat ze daar de tartaarsaus zelf maken. De ware liefde begrijpt onze afkeer van pizza hawaii en onze liefde voor Joni Mitchell. De ware liefde zegt dat ze onze nieuwe broek spuuglelijk vinden, maar kust ons toch even gretig wanneer we ze aan hebben. De ware liefde negeert afgekloven nagels en maalt niet om benen die des winters een week ononthaard blijven.

Als ik het dan toch allemaal zo goed weet, waarom werd ik dan vanochtend wakker met een viervoeter aan m’n zij, zult u terecht opwerpen.
Welnu, om in de sfeer van oprechtheid te blijven: ik heb geen idee. Maar neem het van mij aan: wakker worden naast een teerbemind beest is stukken aangenamer dan gewekt worden met een roze pluche konijn op mijn hoofdkussen en hartvormige frambozenbavarois als ontbijt geserveerd krijgen. Het is maar dat u het weet.

Toch nog een prettige verjaardag verder.










zaterdag 13 december 2014

Dode taal


“Steek uw indexsprong waar de zon nooit komt.” En “Groei, groei, … groei zelf!”, en meer van dergelijke weinig verheffende gedachten overvallen mij wel eens deze dagen, wanneer mijn constructieve flair het vermoeid laat afweten.

Is het het einde van alweer een bewogen jaar, of zijn het de veel te korte, grauwe dagen die zich traag op gang trekken en er al vroeg de brui aan geven? Feit is dat de mentale energie mij ontsnapt als lucht uit een lekgestoken fietsband.

Ik lees het allemaal netjes en gedwee, de duidende stukken en de opinies die als pingpongballen heen en weer vliegen tussen de pros en de contras, de welles en de niets, de gelijken en de ongelijken. Niets helpt mij van mijn geloof af. Niets bekeert mij tot het andere.

Meer dan de feiten en de cijfers, waar ons zelfgekozen beleid, maar ook de politieke tegenstand mee zwaait, meer dan de de beslissingen en de keuzes, is het de taal die mij ontmoedigt. Woordenbrij die blijft gulpen, als uit een zelfvervullend vat.
Het is een taal die ik niet spreek, laat staan versta. Een dode taal bovendien, waarvan de naamvallen en vervoegingen mij evenzeer ontredderen als verdoven.

De woordenbrakers en hun vertalers die ons overstemmen vergeten een paar dingen, essentiële bovendien.
Dat het woord samenleving is samengesteld uit de woorden samen en leven. Dat we dus in essentie moeten samenleven. En dat we moeten bedenken hoe we dat willen en moeten doen. In mijn taal, die hopelijk niet dood is, betekent dat iets.  Of alles.

Als een groot gezin waar mensen elkaar graag zien en begrijpen. Zoiets. Maar dan veel groter en ingewikkelder.
Wie heeft wat nodig om gelukkig te zijn? Waar stopt de vrijheid van de ene en begint die van de andere? Hoeveel geven we en krijgen we terug? Wat doen we met de middelen die we hebben?
Vooral dat laatste lijkt te primeren in dit grote, nieuw samengestelde gezin dat maatschappij heet. De budgetten moeten op orde, de rekeningen moeten kloppen. De rest gaat wel vanzelf.

Nu weet iedereen, die tussen de soep, de patatten en de boterhammen met choco een dappere poging onderneemt om samen te leven en kleine mensen op te voeden, dat daar niks van aan is. Dat gaat niet vanzelf. Dat vraagt kijken, luisteren, leren en voortdurend bijsturen. Dat vraagt veel inlevingsvermogen. Met geld en cijfers heeft dat hele samenleven bijzonder weinig uitstaans. Met liefde bovenal.
In andere tijden zou ik dat solidariteit durven noemen, een bezoedeld woord dat tegenwoordig beelden oproept van gebalde vuisten, spandoeken en boos vertrokken gezichten, maar in se gewoon betekent dat we voor elkaar zorgen, ‘in goede en kwade dagen’.

Geen gelukkig gezin zonder liefde, zonder zorg, zonder evenveel en soms meer geven dan je krijgen kan.
Ze bestaan, die gelukkige gezinnen. Ik ken er zelfs een paar. De afwas blijft er al eens staan en de propere sokken zijn er soms op. De haag hoeft niet gesnoeid, want er is er geen, zodat de buurtkinderen kunnen komen voetballen. Ze staan elke maand wel eens in het rood, maar dat is niet erg. Ze zijn zelden efficiënt, want de jongste moet zichzelf nog leren aankleden, maar daar is geen haast bij. De luidste roepers krijgen niet vaker hun zin dan de zwijgers. Niemand krijgt zakgeld voor klusjes, maar iedereen doet wat nodig is en wat hij kan. Iedereen is er welkom en er is altijd iets te eten of te drinken voor ongenode gasten. Er wordt al eens geroepen, maar daarna wordt er omhelsd en sorry gezegd. Er is altijd tijd, om te praten en te luisteren, te zwijgen en te lachen. En bovenal wordt er altijd, overal, voor elkaar gezorgd, zij het soms met slecht verholen tegenzin.

Niemand durft nog hopen dat wij samen misschien zo’n groot, complex, maar gelukkig gezin kunnen zijn.