biekesblog


zondag 28 mei 2023

Girokoorts

cycling archives on Twitter: "Stephen Roche follows Visentini at the 1987  Giro with teammate Eddy Schepers close behind. (pic Sergio Penazzo)  https://t.co/4xCvISIw26" / Twitter

De eerste Giro d’ Italia reed in 2009 van Milaan naar Milaan, een lus van 2448 km in 8 dagen. Van de 127 deelnemers zouden er 49 met de fiets terug in Milaan geraken. Eindwinnaar was Luigi Ganna, een noeste metselaar uit Induno Olona die wielrenner werd door elke dag 100 km naar en van z’n werk te fietsen. Luigi verbeterde ook het werelduurrecord. Elke gelijkenis met andere Ganna’s stopt hier.

Volgens de legende speelde de allerzwaarste Giro ooit zich 5 jaar later af, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, De renners kregen 3609 km voorgeschoteld in 8 dagen. Van de 81 renners aan de start zouden er welgeteld 8 de finish bereiken. Tijdens de zesde etappe, een calvarietocht van 428 km, brak er een sneeuwstorm uit over de Abruzzen, waar de renners 8 cols moesten bedwingen. 400 km lang probeerde favoriet Guiseppe Azzini de 10 minuten achterstand op zijn rivaal Calzolari goed te maken. Hij werd voor het laatst gezien op zo’n 30 km van de finish in Aquila. Daarna ontbrak elk spoor van de renner. In een geïmproviseerde zoekactie klopten organisatoren en journalisten aan bij elk huis in een straal van kilometers rond de plaats van verdwijning. Pas ’s anderendaags werd Guiseppe teruggevonden bovenop een hooibaal in een graanschuur, koortsig, ziek en verkleumd.

Mijn eigen oudste herinnering aan de Giro dateert van 1987. Titelverdediger Roberto Visentini blonk in het roze. In de vijftiende etappe trok zijn Ierse ploeggenoot Stephen Roche tegen de ploegorders in ten aanval, vervolgens driftig achternagezeten door zijn eigen ploeg. Tijdens de laatste klim zakte Visentini compleet door het ijs en verloor hij 6 minuten, de roze trui en de Giro. Roche werd volksvijand nummer 1 van het Italiaanse publiek, dat hem tijdens de rest van de Giro onderweg bespuwde, uitjouwde en met wijn overgoot. De enige steun in zijn queeste kreeg hij van zijn ex-ploegmaats Phil Anderson en Robert Millar en van zijn loyale domestique Eddy Schepers. Visentini was een protserige playboy en Eddy een eenvoudige en vriendelijke jongen van bij ons in de buurt, dus natuurlijk kozen wij partij voor de weerspannige Ier.

 

Toen Eddy Schepers een prille belofte was werd hij nogal voortvarend uitgeroepen tot de nieuwe Merckx. Eddy uit het platte Drieslinter was immers een geboren klimmer. Alleen dat ellendige tijdrijden kreeg hij niet onder de knie. De Merckx-droom werd opgeborgen tot er zich een nieuwe kandidaat zou aanmelden. Wisten wij veel hoe lang we zouden moeten wachten.

Dat Remco Evenepoel wel kan tijdrijden is een understatement. Hij legde de 19,6 km tussen Fossacesia en Ortona af in 21 minuten en 18 seconden aan een gemiddelde snelheid van 55,52 km per uur. Even leek het alsof hij zou opstijgen, tot ver boven het Palazzo Farnese en de Adriatische zee. Het allermoeilijkste aan tijdrijden is jezelf dubbel plooien als een knipmes en in die onnatuurlijke houding onbeweeglijk blijven zitten terwijl je benen ronddraaien aan een waanzinnig tempo. Het allermooiste aan tijdrijden is de poedelnaakte eerlijkheid van de prestatie. Er valt nergens steun te rapen en stratege komt er niet meteen aan te pas.

 

Alleen wordt een grote ronde niet gewonnen door wie sneller kan fietsen dan de rest. Grote rondes worden gewonnen door wielrenners die even goed kunnen dalen als klimmen, even goed kunnen tijdrijden als nadenken, door coureurs die nooit van slag zijn, koelbloedige lieden met een kop die even robuust is als hun uitzonderlijke fysiek. Daarom werd Eddy Schepers niet de nieuwe Merckx. En daarom is de kans reëel dat Remco Evenepoel na de Vuelta ook de Giro wint.

 

Maar eerst volgen er nog 19 etappes om gezwind omhoog te rijden, beheerst te dalen, verschroeiend hard tegen de klok te rijden en ijzig kalm te blijven tot in Rome. De Giro is immers de ronde van de onvoorspelbaarheid, decor van ongeloofwaardige plottwists en onvoorziene winnaars. Geen betere Italiaanse cinema dan het dadaïstische drama genaamd Giro d’Italia.

Witte broek

Wereldkampioen Remco Evenepoel wint Luik-Bastenaken-Luik weer na groots  nummer | WielerFlits

 

Het enige treurige aan een vers wielervoorjaar is dat het voorbij is voor je het doorhebt, alsof we gisteren nog maar aan de start van De Omloop stonden. Hoe we tijd waarnemen hangt af van het perspectief van de waarnemer.

Donkere maanden van smachten en wachten lijken een eeuwigheid te duren. Datgene waar je maandenlang naar verlangt raast voorbij voor je het echt kan omarmen. 

 

De laatste en oudste voorjaarskoers beloofde een topaffiche, een Duel tussen Titanen. Op de flanken van de Côte de Wanne, de Stockeu, de Rosier, La Redoute en la Roche aux Faucons zouden twee uitzonderlijke kampioenen elkaar voor het eerst echt bekampen. Nadal tegen Federer. Messi tegen Ronaldo. Al weken werd gespeculeerd en gepronostikeerd over wie de sterkste zou zijn in Luik.

Na 83,5 km koers, kort na de noen en lang voor er beeld was, werd de zondagse droom een domper. Een stomme put in de weg, zoals er duizend stomme putten verzonken liggen in duizend deplorabele Belgische wegen. Niets bijzonders, tot er een wielrenner over valt die waarschjinlijk onderweg was naar het podium. “Opgave Tadej Pogacar” stond er op het scherm. De man die nooit valt was gevallen. De man die nooit opgeeft was van de fiets gestapt, nog voor hij had kunnen nadenken over de ideale plek voor een aanval.

Een reminder van het universum dat niemand, ook godenkinderen niet, gespaard blijft van tegenslag.

 

Vraag het maar aan Louis Vervaeke. Zeven jaar geleden vijfde in de Ronde van de Toekomst, met een ritzege op La Toussuire. Grote belofte. Op weg naar de wereldtop. Tot alles tegenzat, thuis en op de fiets. Niets liep nog zoals hij wilde. Leeggetraind en uitgehongerd vroeg Louis zich af waar hij mee bezig was en waarom precies. Vandaag rijdt Louis zich leeg in dienst van de wereldkampioen, een rol die hem duidelijk gelukkiger maakt dan verzengende ambities.

Of vraag het aan Quinten Hermans, die in zijn favoriete en seizoensreddende koers lek reed op de plek waar je echt niet lek mag rijden en hoofdschuddend opzij ging. 

Of aan Andreas Kron die nog voor de buitenwijken van Luik over de haag vloog als een blinde zwaluw.

Desillusie is een wielrenner met tegenslag.

 

Weinig dingen schreeuwen zo hard “kom maar op!” als een witte koersbroek. Dus droeg Remco een witte koersbroek. Hij was immers 105 % en dat mocht iedereen zien en weten. Soms ben ik bang dat branie tegenslag aantrekt, maar daar is vooralsnog geen enkel bewijs voor. Matje droeg een witte koersbroek toen hij de Amstel Gold Race bezwoor. Wout droeg een witte koersbroek in zijn eerste cross van het seizoen als wereldkampoen. Een witte koersbroek is een talisman en een voorteken tegelijk. Je komt er enkel mee weg op dagen van glorie en er is altijd een kans dat je je onsterfelijk belachelijk maakt, een risico dat je alleen maar neemt wanneer het zelfvertrouwen uit al je poriën lekt.

 

Zonder de beste wielrenner van de wereld was de enige openstaande vraag niet of Remco Evenepoel La Doyenne zou winnen, maar waar en wanneer hij zou vertrekken en de rest achter zich laten.

Dertig kilometer van de meet, op die goeie ouwe La Redoute, was het zover. Twintig seconden. Drie stevige pedaalslagen. Meer kostte het niet. Het enige wat je moet doen als je zoveel beter bent dan de rest is rechtbliijven en niet lek rijden.

In principe kan een mens op dat moment de televisie uitzetten en zich aan een reeks uitgestelde zondagsklussen gaan wijden. De was die was blijven liggen, de haag die om een snoeibeurt vraagt. Maar ik bleef kijken, gebiologeerd door zoveel brutale dominantie, de laatste kruimels van het voorjaar langzaam smeltend op mijn tong.

Over twee weken start de Giro. Benieuwd in wat voor broek Remco van start gaat.

maandag 10 april 2023

Sprookje of rampenfilm

 Vroege vluchtster Alison Jackson zegeviert in chaotische Parijs-Roubaix  Femmes | WielerFlits

Tussen Denain en Roubaix heeft de tijd zichzelf voor altijd vastgezet, als een roestige mestkar op een braakliggend veld. Een keer per jaar worden kauwen, kraaien en gelaten dorpsbewoners er opgeschrikt door het gewelddadige gedaver van honderden getergde fietswielen, door duizenden halfdronken euforische koersfans die nietsontziend de velden plattrappen.

 

Ik hou van Vlaanderens mooiste, die strikt genomen en als we heel eerlijk zijn vooral mooi is omdat ze zo ellendig lastig is, omdat ze in koersgek Vlaanderen wordt gereden en omdat iedereen besloten heeft er veel spel van te maken. Ik hou van de dromerige esthetiek van de crèmekleurige Strade Bianchi. Maar bovenal hou ik van Parijs-Roubaix, een strafkamp op twee wielen door een van Europa’s meest verlaten gebieden, een oord van eindeloze vergezichten vol bietenvelden en ontredderende leegte, van gebochelde wegels die zelfs tractoren teisteren.

Maar het allermooiste aan Parijs-Roubaix is het luide statement tegen meritocratie dat weerklinkt in het hoopvolle gedokker van fietswielen over duizenden hoekige kinderkopjes. 

Talent, inzet en goeie benen volstaan immers niet om de vergane velodroom van Roubaix te bereiken, laat staan om er als eerste op te draaien. Wat je nodig hebt om te slagen is geluk; niet het geluk van geluksgoeroes, theespreuken en yogawijsheiden, maar het relatief simpele ontbreken van ongeluk. 

 

Wielergeluk is op zich eenvoudig van aard: niet slippen, niet vallen, niet lek rijden. Wie Parijs-Roubaix wil winnen moet gespaard blijven van de malheuren en beproevingen die het welrennen en vooral deze Franse Odyssee typeren. Geen koers lijkt dan ook meer op het leven zelf dan Parijs-Roubaix, een beduimelde omnibus vol noodlottige en glorieuze verhalen.

Verhalen van wegschuiven over vettige stenen, recht de goot of de gracht in; van verdwaasd rechtkrabbelen en op de veel te kleine fiets van een ander verder vlammen; van blijven liggen met bloed in je mond of een scheef gewrongen arm; van noodzakelijke lucht die gemeen sissend je achterband verlaat; van de beste of de sterkste of de slimste zijn maar niet eens in de buurt van het podium geraken; van eerder middelmatig zijn, maar wel zo dapper en fortuinlijk dat je wint; van uitzinnige vreugde en bodemloos verdriet; van niet finishen omdat je met zestig hechtingen in een ziekenhuisbed belandt; en heel soms van nooit meer finishen omdat je hart stopt met kloppen op de tweede kasseistrook, ergens ter hoogte van het onooglijke Viesly, postcode 59271, 1500 inwoners, economische activiteit onbekend.

 

Deze editie van Parijs-Roubaix deed alles om haar imago van wispelturige schikgodin en rampenfilm te bevestigen en te bewaren.

Icoon Marianne Vos die lek reed na de eerste kasseistrook van de dag en 100 km lang achter de feiten aan fietste, maar toch nog tiende werd.

Lotte Kopecky, torenhoog favoriet en in de vorm van haar leven, maar brutaal onderuit gehaald door een schuiver van de vrouw voor zich.

Christophe Laporte, popelend en gezwind, maar lek in de kopgroep en lek in de achtervolgende groep.

John Degenkolb, door iedereen vergeten, op z’n paasbest verrezen, en pardoes uit het gootje geknald door twee op hol geslagen baasjes.

Wout van Aert, de gekneusde ribbben bij elkaar getaped door een meter of twee kinesiotape, op missie en perfect op koers, tot een leegloper op het meest belachelijke moment een einde maakte aan de droom.

In gedachten hoorde ik simultaan gevloek weergalmen in tienduizenden Vlaamse huiskamers.

 

Tegenover zoveel tegenspoed stond het sprookje van Alison Jackson, de Canadese vroege vluchter die er de sfeer en het geloof in hield met meer goede luim dan gepast leek voor de helse tocht, en tot haar eigen en ons aller verbazing een kassei en eeuwige roem won. Niemand had z’n geld of z’n hoop ingezet op Alison en haar co-vluchters. Maar de dingen liepen anders, zoals je soms per abuis ergens verzeilt waar je niet moest zijn, en daar het geluk of de liefde van je leven treft.

Het tiktokdansje van Jackson vertelde alles wat een mens moet weten over deze koers en bij uitbreiding over het leven. Prijs je gelukkig en dank het universum wanneer je gespaard blijft van pech. Vier het leven en vergeet de ellende wanneer ze even uit zicht blijft. En stop nooit met geloven in jezelf. Want je weet maar nooit.

zondag 2 april 2023

Guldensporenslag

Mathieu van der Poel stuit in spectaculaire Ronde van Vlaanderen op  indrukwekkende Tadej Pogacar

De magische minuut van Rik Van Steenbergen op Briek Schotte. De belachelijk grote voorsprong van de doodrijder van Lichtervelde. De drie op een rij van Fiorenzi Magni. De “kust mijn kloten” van Eddy Merckx tegen Lomme Driessens. De ontreddering van Frans Verbeek. De oorlog van Maertens tegen De Vlaeminck. De heldentocht van Eric Vanderaerden. De tranen van Edwig Van Hooydonck. Jesper Skibby onder de auto van de koersdirecteur. Museeuw de leeuw. De eerste solo van Tom Boonen. Het mythische motortje van Fabian Cancellara. De schakelfout van Leiv Hoste. Stijn Devolder in de tricolore. De scheldtirade van Museeuw tegen Boscardin. De twee van Annemiek Van Vleuten. De eerste van Lotte. Grace Verbeke, door iedereen vergeten.

Het jolige vibrato in de stem van Renaat op de motor. De tuintips van José De Cauwer. Koffiekoeken en taartjes. Grauwe steenwegen met moordstrookjes en schreeuwerige winkels. Kasseien. Sep op de kasseien. Sep die valt. Sep die z’n pink breekt. Sep die lek rijdt. Sep die ziek is. Sep zonder ploeg. Arme Sep.

Kanarieberg. Paterberg. Tiegemberg. Koppenberg. Berendries. Oude Kwaremont. Lippenhovestraat. Mariaborrestraat. Paddestraat. Onooglijke straten en stroken met namen die galmen als kerkklokken, namen die iedereen uit het hoofd kent, ook de mensen die er nog nooit zijn geweest, laat staan met de fiets.

Het valt niet uit te leggen aan wie het niet kent of voelt, hoe meer dan een eeuw geschiedenis en bedompte cafés vol verhalen samensmelten in die ene dag, die groter is dan 24 uur kunnen omvatten. Een dag van lege straten en volle huiskamers; van verlangen, speculeren, gesticuleren en pronostikeren; van ongeremd voor- en nabeschouwen. Het verwachten en het hopen, tegen beter weten in. Het moment waarop alles nog kan dat onvermijdelijk overgaat in het moment waarop mogelijkheden in gruzelementen tegen de stenen liggen en als Vlaamse vlaggetjes vertrappeld worden door de mensen die opgetogen of ontgoocheld huiswaarts gaan.

 

Er werd wild aangevallen en wild gevallen. Iemand deed iets oerdoms, en daar gingen ze, als dominostenen tegen de vlakte, in een decor van gedeukte en gekraakte carbon karkassen.

Er werd gekermd en gejammerd en gehuild en in mijn verbeelding hoorde ik iemand om z’n moeder roepen als in een reeenactment van de Guldensporenslag.

Het werd een dag van honderd straffe verhalen. Het verhaal van Stefan en Neilson en Florian en Mads en Matteo en Fred en Matej, en zoveel anderen die het probeerden, met de moed der wanhoop, misschien wel de grootste moed die er bestaat.


Toch leek deze dag van bij de aanloop maar om drie mensen te draaien.

Wout die moest, ook al zei hij van niet. Mathieu die niets moest. Tadej die wilde. 

En toen waren ze nog met drie want zo hoorde het en niemand ontkomt aan het lot.

En zag je die neusvleugels trillen en ademt hij niet wat zwaar en oei die klodder bloed aan z’n knie en wie bluft en wie is beter dan het lijkt? 

Rechtblijven. Eten en drinken. Drinken en eten. Trappen. Niet omkijken. Fenomenaal, zegt José. En nog een keer. Omdat het exact dat is zolang het duurt en zolang alles nog kan.

 

Gedachten worden altijd ingehaald door de feiten, de lelijke en de blinkende, de verwachte en de onverwachte.

Niemand werd verrast door de gewelddadige raid van Tadej Pogacar. Iedereen wist dat het zou gebeuren. Toch kon je er alleen vol stille bewondering en met een zweem van afgunst naar kijken. Naar dat soepele ronddraaien van die smalle klimmersbenen, naar dat verbeten gezicht van de jeugd die brutaal de hemel bestormt en er z’n rechtmatige plek inneemt tussen de engelen en de goden. 

Achter het godenkind werd gierend naar adem gehapt en tientallen doden gestorven in evenveel scheef vertrokken gezichten, zodat niemand kon denken dat het gemakkelijk was.

 

Want dat heb je met wielrennen, dat het er soms idioot gemakkelijk uitziet. Zoals wanneer Lotte Kopecky haar tanden op elkaar klemt, versnelt en doorstoomt zonder aarzelen. Wegrijden van de rest alsof ze er niet meer toe doen en niet meer stilvallen tot in Oudenaarde. Wielrennen zoals het wordt beoefend in de hoofden van niet-kenners, bedrieglijk eenvoudig, maar buitengewoon lastig en hoogst zelden te zien. 

dinsdag 28 maart 2023

Hinderlaag

Elk jaar laat ik mij overvallen als een argeloos hert aan het begin van het jachtseizoen. Het duurt een dag of twee voor ik het begrijp en plaatsen kan. Natuurlijk. Dat weer. Daarom ben ik vanochtend in tranen uitgebarsten om niks. Daarom wil ik niemand zien. Daarom is alles moeilijker dan gemiddeld. Daarom staat de lente on hold. Het feit dat ik het weet en herken maakt geen verschil.

Ik moet er eens komaf mee maken, denk ik. Zoals je doet met rondslingerende rommel of muizen in het berghok. Want waarom elk jaar opnieuw je hart laten breken als een goedkoop glas van de Ikea? Waarom een week per jaar niet functioneren alsof iemand de stekker heeft uitgetrokken? Waar slaat het op en wat dient het? 

Ik versta daar niets van, van zoveel ongevraagde timing, alsof het universum voor elk mens een kalender bij de hand heeft waar geen zomeruur of jolig gemoed tegen opgewassen is.

Dus loop ik elk jaar met open ogen in dezelfde hinderlaag.

 

Mensenlevens raken onvermijdelijk opgedeeld in voor en na’s. Voor het verlies, toen alles gewoon was; erna, toen niets nog hetzelfde was. Tussen de twee heeft iemand een kloof gekrast met het botste mes uit de keukenla.

Voor, toen wij samen opgroeiden, veroordeeld tot elkaar zoals alle broers en zussen ter wereld. Je hebt niet voor elkaar gekozen, maar zit met elkaar opgescheept, dus je maakt er het beste van. Na, toen jij er niet meer was, een verdwijnen dat nooit was afgesproken.

Voor, toen wij samen rond de tafel zaten, met daarop de copieuze maaltijden waar onze familie een punt van maakte. Na, toen elk samen eten vooral een ontbreken was.

Voor, toen wij elkaar het bloed van onder de nagels tergden van verveling. Na, toen van het jennen enkel de herinnering bleef spijten.

Voor, toen wij ver van elkaar struikelend volwassen werden en elkaar af en toe vergaten, maar ook altijd weer terugvonden. Na, toen het te laat was om de juiste dingen te zeggen.

 

Het leven is één lange training in afscheid, maar het ene afscheid is het andere niet. 

Rouwen laat zich niet dicteren, noch in een keurig schema wringen.

Bovendien had het lot ons niet verwittigd dat jij weg zou gaan. Onverwachter kan een mens amper verdwijnen. 

Ik herinner me weinig van die dagen, die ik doorbracht in een waas, alsof ik veel te weinig geslapen en veel te veel gedronken had. Alleen dat de ontreddering niet één, maar twee keer toesloeg. De eerste keer toen het nieuws insloeg; de tweede keer toen ik ’s anderendaags wakker werd en pas na een aantal geniepige seconden weer besefte wat er was gebeurd en dat de aarde desondanks en op aanstootgevende wijze was blijven draaien. De zon was onverstoorbaar opgekomen, de kinderen hadden honger en buiten waren de mensen druk in de weer.

Ik herinner me dat ik wilde stilvallen, maar er was zoveel te doen; dat ik nergens wilde zijn, maar aanweziger moest zijn dan ooit.

 

Rouw kent verschillende fases, zeggen experten. Ontkenning, woede, onderhandeling, verdriet en aanvaarding.

Het zal allemaal wel, maar ik voelde alles tegelijk en door elkaar, en aanvaarding is er nooit van gekomen. Waarom zou je aanvaarden wat onaanvaardbaar is? Het is een misverstand dat je niet verzetten gelijk staat aan aanvaarden. Tijd rijmt immers niet, maar hapert en sputtert en wringt. Tijd loopt soms achterop, treuzelt verveeld of rent een eind voor ons uit, maar wachten doet hij nooit. Het is de onverdraaglijkste vaststelling van allemaal, dat de tijd gewoon z’n zin doet. Meestal slagen we erin hem te negeren. Alleen wanneer hij zich manifesteert in z’n meest elementaire vorm; wanneer een leven begint en waneer het onverbiddellijk eindigt, weet hij ons abrupt tot stilstand te brengen.

 

11 jaar later verzet ik me niet meer tegen jouw afwezigheid, ook al ligt ze elk jaar op de loer als een geduldige stroper. Weerloos laat ik mij besluipen, elke keer opnieuw.

Soms denk ik dat je het met opzet hebt gedaan, dat doodgaan op die ene dag die nooit ongemerkt voorbij kan gaan. Dat je die dag hebt gekozen zodat wij je niet zouden vergeten. 365 dagen waarop al het denkbare en ondenkbare kan gebeuren; zoveel dagen zonder betekenis of noemenswaardig gewicht. Maar in een vlaag van bandeloze ironie koos het universum de eerste zondag van april om jou te ontvoeren.

Ach, heerlijke, hatelijke, prachtige, ellendige Ronde van Vlaanderen. Ik hou van de ophef en de gonzende verwachting, van het oeverloze voorbeschouwen en speculeren, van hoe alles een hele week lang alleen maar daarom draait alsof niets anders ertoe doet. En evengoed haat ik het hartsgrondig. 

 

In mijn vergeelde herinnering liggen wij plat op onze buik met een pelotonnetje plastic wielrennertjes. Rennertjes die we een voor een verplaatsten volgens onze eigen dynamische en volstrekt willekeurige spelregels. Jij kreeg altijd Eddy Merckx, wat uiteraard oneerlijk was en tot hoog oplopende disputen zou leiden. De plastic Merckx kreeg van jou een truitje in gele plakkaatverf. De morsige stippen op mijn Van Impe deden meer aan een paddestoel denken dan aan een klimkampioen. Zo speelden wij de Ronde van Frankrijk na, landerig hangend op een hete zomerdag.

De plastic rennertjes gingen verloren. De koersmicrobe nooit. Jouw liefde voor de koers was loyaal en doorleefd. De mijne toonde zich al eens ontrouw, maar bleef overeind en keerde zelfs passioneler terug. Tientallen jaren na de eindeloze zomerdagen met de plastic wielrennertjes, wisselden we sms’jes uit op hoogdagen als de Ronde van Vlaanderen, berichten die jouw onvoorwaardelijke steun aan volksheld Boonen en mijn liefde voor de schijnbaar sympathieke Zwitser vriendelijk, gedogend, maar onverzettelijk tegenover elkaar plaatsten. 

 

Die dag werden er geen berichten uitgewisseld. “Wie wint de ronde?” vroeg je tussen twee reanimaties in, het dwingende belang van deze bijzaak indachtig. Philippe Gilbert had even voordien aangevallen op de Bosberg en leek op weg naar een vurig verhoopte triomf. Je hebt nooit geweten dat hij het niet haalde. Je hebt nooit geweten dat Nick Nuyens die dag Vlaanderens mooiste won. Nick Nuyens godbetert. Zo’n winnaar van niks zonder aureool. Terwijl Nuyens in Meerbeke over de meet zoefde was je al weg, en wist ik niet dat het ergste nog moest komen.

 

Een jaar later was de week voor de hoogdag een kruistocht geworden. Niemand van ons wilde naar die stomme Ronde kijken. Niemand durfde. Mij leek het dat we moesten kijken zodat ik in gedachten met jou kon kibbelen over wie nu de beste, de dapperste, de edelste Flandrien was. Ik vond dat de Ronde geen vervloekte dag hoorde te zijn, maar een monument voor jou.

Tom Boonen won, zoals het hoorde, alsof de dingen even weer normaal werden.

Zes lange jaren duurde het voor king Phil eindelijk die verrekte Ronde achter z’n naam schreef. Jaren van eerste keren zonder jou; van opgroeiende kinderen zonder vader; van jeukend tot brandend gemis; van niet vergeten, maar verzwijgen. Jaren waarin het gat niet kleiner werd maar minder opzichtig dreigend gaapte zodat we er niet in konden vallen. Jaren van Cancellara, Kristoff en Sagan. 

Die stralende lentezondag ging Phillippe Gilbert op verschroeiende wijze aan de haal om vervolgens 55 km en negen hellingen lang alleen naar de meet te vlassen, een Waal in een Belgische kampioenentrui door een zee van Vlaamse vlaggen. Ik kon alleen maar grijnzen en bedenken hoe prachtig jij dit had gevonden.

Een meter voor de streep stapte Phil af om z’n fiets in de lucht te steken, een gebaar waar wij door onze tranen heen meer symboliek in zochten dan Phil bedoelde, maar dat gaf niets. Soms moet je de dingen gewoon even laten kloppen zonder ze in vraag te stellen. Als de dingen geen betekenis vinden, dan vindt de betekenis ons zelf.

Stel je voor

Mathieu van der Poel - Het Nieuwsblad Mobile  

Stel je voor dat je Oliver heet. Of Yves. Of Jasper. Je bent 32, 31, hooguit 30 jaar en je kan heel hard fietsen. Zo hard dat je ervoor betaald wordt en dat er ergens in Vlaanderen een supportersclub voor jou is opgericht, waar elk jaar pensen of mosselen worden geserveerd om vlaggen en wimpels met jouw hoofd erop te betalen. 

Je kreeg je eerste koersfiets lang voor je je rijbewijs haalde. In je tienerdromen won je de Ronde van Frankrijk, of toch minstens die van Vlaanderen. Terwijl je klasgenoten uitkeken naar fuiven en feesten verlangde jij naar kasseien en asfalt met jouw naam erop gekalkt. Je begon te winnen. De mensen riepen je naam wanneer je voorbijreed en je kreeg een nieuw contract bij een betere ploeg met een grotere bus en coolere truitjes. Alles ging goed. Alles ging steeds beter.

En je werkte en je trainde en je luisterde naar de coach en de ploegleider en de PR-manager en de kinesist. Je werkte elke dag netjes je trainingsblok af, ook in de gietende regen of de vrieskou of bij 35 graden. Je miste de geboorte van je kind want ze hadden je nodig in de Tour en wie wil er nu niet naar de Tour? En je miste de verjaardag van je moeder en de begrafenis van je opa en de eerste stapjes van je zoon en elk feest van elke vriend die je ooit had maar amper nog ziet. Je brak je sleutelbeen (twee keer, of misschien waren het er drie) of je hand of je borstbeen of je neus of iets anders. Je verloor evenveel vel op het asfalt als lichaamsgewicht door het labeuren. Je werd tien of twaalf of zeventien keer opgelapt na een lelijke val. Soms verloor je de moed, maar je vond hem altijd terug.


Tot er iets, tot misschien wel alles veranderde. Niet langzaam en geniepig, maar met een paar luide knallen alsof iemand vuurwerk afstak op klaarlichte dag.

Eerst was het er maar eentje, en toen waren ze met twee en nog wat later met drie, en wie weet hoeveel van die mutanten er nog zitten aan te komen, maar je wilt het niet weten want soms is niet weten gewoon beter voor het gemoed. 


Wat reden ze hard; belachelijk hard in feite. En nooit leken ze moe te worden, alsof ze ergens een geheim reservoir aan kracht hadden zitten. Eerst dacht je nog dat het niet zou blijven duren. Hoogmoed en wat geluk, zei je tegen jezelf. Ze vallen vast ooit eens door de mand.

Maar dat deden ze niet. Ze werden nog beter, en sneller, en koppiger, en vuriger. En je snapte er niets van want hoe kan iemand in vredesnaam zo verschroeiend hard demarreren en daarna 50 kilometer alleen naar de meet stomen zonder te ademen of een helling opstormen aan de snelheid waarmee jij op het vlakke rijdt. Hoe kan iemand altijd en overal zo goed en onuitputtelijk zijn dat al de rest zich vertwijfeld afvraagt waarom ze daar zijn en hoe ze ooit nog op een podium belanden. 


En telkens je je naam op het wedstrijdblad krabbelt is er dat geniepige voorbehoud wanneer je die van één van hen ziet staan.

En soms, alsof de wielergoden gemeen grijnzend met je voeten spelen, staan ze daar alle drie, alsof eentje of twee niet lastig genoeg is.

En het is niet dat je het niet probeert. Het is niet dat je je best niet doet. Maar het is alsof je met twee platte tubes rijdt terwijl zij vliegen.

En wanneer de grote baas komt dondert hij niet, maar bliksemt hij, en dat is veel erger. En de mensen roepen alleen nog hun naam en zijn de jouwe vergeten.

En de camera’s zoeken je niet meer op, want je hebt toch weinig te zeggen en je gezicht staat tegenwoordig standaard op onweer. 

Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is geven ze klassiekers cadeau aan hun ploegmaats, cadeaus waar jij je voor in het zweet hebt getrapt en waar je een nier voor zou verkopen … de ultieme vernedering.

Het is wat het is, zegt je moeder. Je kunt alleen maar je best doen, zegt je vrouw. Je kinderen jengelen of je een truitje of een handtekening kan vragen aan Wout of Mathieu of Tadej.

Stel je voor.

zondag 19 maart 2023

Milaan-San Matteo

ImageIk ga het maar meteen zeggen: van alle vermeende en erkende monumenten is Milaan-San Remo misschien mijn minst favoriete. Zes uur fietsen voor hooguit een half uur suspens. Ik kan er werkelijk met m’n hoofd niet bij dat van alle koersen uitgerekend deze integraal wordt uitgezonden, alsof er al die tergend trage uren lang meer te beleven valt dan keuvelende renners die met de concullega’s kletsen, een  jasje uitdoen, tegen een boom plassen of pardoes op een geniepig fietsenrek knallen. Jaarlijks gaan mijn gedachten uit naar de commentatoren die deze wedstrijd vanaf km. 1 van vakkundig commentaar moeten voorzien, gewapend met een overdosis moed, een rijk gevulde fichebak, calorierijke taartjes en sloten koffie. 

De makkelijkste om te rijden, de moeilijkste om te winnen, zo wordt gezegd. Het werd inmiddels al zo vaak gezegd dat een mens zich afvraagt hoe er überhaupt ooit iemand in geslaagd is deze wedstrijd te winnen en hoe dan precies. De code valt niet te kraken, zo wordt beweerd, vooral door mensen die Milaan-San Remo nog nooit hebben gewonnen. De winnaars houden hun geheim voor zichzelf.

 

Het lange gevecht met de verveling biedt ruimschoots de tijd voor onnozele beschouwingen en allerlei redelijke en wilde speculaties: Hebben we Pogacar daarnet niet even zien grimassen? Voor wie rijdt Lotto-Destiny vandaag? Wie de jongste en we de oudste deelnemer? Peter Sagan doet z’n beenstukken uit. Zag je dat Wout met één groot voorblad rijdt? Hoe zou het nog zijn met de rug van Mathieu?

Je overweegt een dutje, maar je durft niet want je weet maar nooit, en valt uiteindelijk toch bijna in slaap ter hoogte van het vierde kasteel, een vervallen exemplaar met een kapot dak.

Je zet de wekker op Capo Berta, waar de bloeddruk en de hartslag foutloos stijgen. De rest van het scenario ken je min of meer uit je hoofd omdat het al jaren hetzelfde is.

Ergens rond kilometer 25 giert de Cipressakoorts door het peloton, dat zich wriemelend als een nest mieren een weg wringt door de smalle straten. Iedereen weet dat er nog niets van betekenis te gebeuren staat, maar toch doet iedereen gedwee alsof, als in een zorgvuldig gerepeteerde enscenering. 

 

Op 21 km van de finish zien we Florian Sénéchal snokken, sleuren en tenslotte sneuvelen en je vraagt je af voor wie hij streed en of hij het de moeite waard vond.

Op 12 km zoeken we vertwijfeld naar Wout, die zoek lijkt, ook al weten we al lang dat dat nooit het geval is.

Op 10 km bestormt wat rest van het peloton de Poggio alsof daar het eeuwige leven en een enorme klomp goud te rapen vallen.

Op 8 km zien we een herboren en getransfereerde Tim Wellens, die hier niet eens moest zijn en slechts door onvoorziene omstandigheden in de wedstrijd verzeilde, robuust versnellen.

Op 7 km rijden er nog 8 overlevers in beeld. Voor alle anderen zijn de eerste 290 km tevergeefs gebleken.

Op 6 km, veel later en voorzichtiger dan verwacht, valt Tadej Pogacar aan. 

En toen waren ze nog met vier: de meest opwindende ronderenner ooit, de twee beste klassieke renners in decennia en de grote vriendelijke aerodynamische reus. De elite van de elite, het neusje van de verse Schotse zalm met botersaus.

Op 5,5 km van de meet gaat de man die altijd doet wat je niet verwacht op een moment waarop je het achteraf gezien had kunnen verwachten. Geen zere rug of kwakkelconditie in zicht. Twee ogen zo blauw en klaar als een Alpenmeertje, tanden op elkaar. Dan weet je het wel. De rest kijkt naar elkaar en naar die flitsende blauwe vlek voor hen. Het is een gaatje van niks en wat zijn in vredesnaam zeven seconden, maar ze weten wie daar rijdt en dat het voorbij is.

 

Zo blijkt elk jaar opnieuw dat zes lethargische uren vol anticipatie wel degelijk opwegen tegen dat ene compleet geschifte half uur, waarin alles tegelijk gebeurt en van alle dingen de gekste en de vurigst gehoopte of gevreesde eerst. Milaan-San Remo is een mix van een zen-boeddhistische zitmeditatie, een escape room contest, Formule 1 en schaken. De geduldigste, de slimste en de snelste wint altijd.

zondag 12 maart 2023

Tadej in Neverland

Parijs-Nice | Een klasse apart, Tadej Pogacar wint ook laatste rit en  eindklassement - Wielrennen video - Eurosport

 Het is onmogelijk om niet van Tadej Pogacar te houden. Ik heb het echt waar geprobeerd. Met name op die ene dag in juli 2020, na de meest dramatische Tourontknoping sinds 1989, een dag van brutaal kapotgeschoten dromen en één mirakel. Het was niet dat ik het joch iets misgunde, maar alles op z’n tijd en liefst zonder gebroken harten en gekneusde zielen.

Adolescenten hebben nu eenmaal geen tijdsbesef. Of toch: het besef dat de tijd enkel uit nu bestaat, dat morgen niet meer is dan een vage schim in de verte waarvan je niet weet of ze het goed met je voor heeft. Het heden wordt gulzig en met grote happen verorberd, zoals tieners in volle groeispurt een pizza wegwerken. En daarna nog één. Om vervolgens luid in je gezicht te boeren.

 

Tadej is het jongetje dat achterwaarts de glijbaan op klimt in plaats van eraf te glijden; het klasgenootje dat een eenhoorn tekent voor de opdracht “teken je favoriete huisdier”. Tadej streelt katjes in plaats van ze dood te schieten. Hij staat als een doorsnee jongen met een kater langs het parcours van de Tour de France Femmes om zijn lief aan te moedigen. Hij zet de vuilnisbakken buiten. Hij neemt nooit iets kwalijk. Hij dolt met z’n tegenstanders voor en na hij ze vernietigt. Hij toont zich ootmoedig in het verlies (wat allicht makkelijker is als je meestal wint). Hij zeurt nooit. Hij ploetert niet, maar huppelt. Hij ziet niet af en ziet niet om.

Tadej is geen wielrenner maar een personage uit het beduimelde kinderboek dat je al zo vaak hebt gelezen dat je het uit je hoofd kent.

 

“Dit is een ééénoooorm gat hoor”, zie de commentator bewonderend, nadat Tadej alweer gezwind van zijn collega’s was weggereden, ook al hoefde dat al lang niet meer. Arme commentatoren, wanhopig op zoek naar nieuwe adjectieven en superlatieven omdat alle bestaande al lang door en voor Tadej zijn opgebruikt. “Hij is klaar voor het voorjaar” repliceerde de co-commentator. Het klonk allemaal wat slap en uitgewoond voor de raid die zich op het scherm voordeed.

Ver achter Tadej deed iedereen z’n best, maar zoals wel vaker het geval is was “best” niet goed genoeg. Buigend als een circusacrobaat gleed Tadej over de finish, frisser dan betamelijk was voor iemand die net een peloton kloeke atleten naar de filistijnen had gefietst. Je zou het arrogant kunnen vinden als je van slechte wil was, maar op één of andere manier dooft elke zweem van slechte wil meteen sissend uit wanneer Tadej wint. Zijn het de weerspannige plukjes haar die lukraak door de luchtgaten van z’n helm pieken? Is het de zichtbare lol die hij beleeft terwijl anderen lijden en strijden? 

 

Hoe hard je ook je best doet om een hekel aan hem te hebben, het is tot mislukken gedoemd. “Doe in godsnaam eens iets ergerlijks”, denk ik soms. Wieltjeszuigen, rekenen, een elleboogstoot uitdelen, schelden, nukken, met je fiets of ergens met je pet naar gooien, sneren of snauwen, eender wat om de betovering te doorbreken. Maar het gebeurt niet. 

Tadej is alles tegelijk behalve vervelend. Jong én matuur. Speels, maar niet dom. Aanvallend, maar niet agressief. Dartel, maar ook dapper. Een killer en een lieverd en soms dat allebei tegelijk; wat hoogst verwarrend is. En iemand moet me uitleggen hoe iemand, een beoefenaar van de lastigste sport ter wereld nota bene, altijd in z’n nopjes kan zijn, alsof elke dag, ook de grauwe, de kille, de klamme en de onzekere, het hartelijk omarmen waard is.

 

Ik heb het dan ook opgegeven, me weerloos overgegeven aan de charme van het zondagskind. 

Het is een harde wet, maar ooit moeten ook zondagskinderen volwassen worden, of ze dat nu willen of niet. Aan elk spel komt een eind en niemand blijft gespaard van ellende.

Tot het zover is kijk ik vol verwondering naar Tadej in Neverland, een avonturenserie die zich afspeelt tussen Parijs en Nice, straks op de Poggio en de oude Kwaremont, in de Karnemelkbeekstraat in Harelbeke en later, wanneer de zomer zich behaaglijk uitstrekt als een lome kat, in de Pyreneeën, de Alpen en de Vogezen. 

Ik weet zeker dat ik hem bij momenten zal vervloeken. Maar die hekel, daar reken ik niet meer op.

Spanningsveld

 No hard feelings' after fighting teammate Lotte Kopecky for Strade Bianche  victory, says Vollering | Cyclingnews

Koers is een wreed soort poëzie. Choreografie en oorlog tegelijk. Mijnenveld, slagveld, maar vooral spanningsveld.

Spanning tussen tegengestelde krachten hangt als dikke mist boven de wielrijderij, in al haar vormen en variaties.

Spanning tussen hoofd en lijf. Het hoofd dat ja knikt en het lijf dat nee zegt tot één van beide zich gewonnen geeft. 

Spanning tussen renner en publiek, dat vleugels geeft, maar soms zwalpend in de weg loopt of gevaarlijk voor je uit galoppeert.

Spanning tussen de renner en de ploeg. De renners maken de ploeg. De ploeg maakt soms de renner. Zonder elkaar zijn ze nietig. Maar soms, heel soms, vergeet de renner de ploeg. Omdat er maar één plaats is op de hoogste trede van het ereschavot. Omdat er maar één naam achter dat ene jaartal in de erelijst kan staan en die daar voor altijd staat. Omdat niemand weet wat morgen brengt, en je dus vandaag bij het nekvel moet grijpen als een kitten uit een sloot. Omdat je geboren, gebouwd, gemaakt bent om te winnen. Omdat je benen soepeler ronddraaien dan ooit tevoren en je niet weet of je ooit nog zo fluks zal rondfietsen als vandaag. Omdat je al zo vaak tweede, of vierde of zeventiende werd.

 

Ploeggenoten die elkaar negeren, saboteren of brutaal elimineren: het is van alle tijden. De Vlaeminck die weigerde zich uit de naad te werken voor De Muynck. Contador versus Armstrong en de ploegleiding. En natuurlijk de onvergetelijke vete tussen Hinault en Lemond die elkaar de Tour niet gunden. Al die rivalen in dezelfde trui leverden in ieder geval een smakelijk gesausde strijd op.

Vandaag zien we het nog zelden. In tijden van Wolfpacks en #samenwinnen worden renners geacht zichzelf zo nu en dan te vergeten en naadloos op te gaan in het fonkelende geheel, een edelsteen aan de kroon op het collectieve werk.

Renners komen hand in hand of met de armen broederlijk om elkaars schouder over de finish, weliswaar nadat er keurig en zonder marge voor discussie is afgesproken wiens wiel het voorste wordt. Iedereen glimlacht en straalt, iedereen is blij. “We” hebben gewonnen. Het absurde summum van dat soort gulle gunnerij was het potje blad-steen-schaar waarmee Pogacar en Majka afklopten wie vorig jaar de koninginnenrit van de ronde van Slovenië mocht winnen. Roger De Vlaeminck en Bernard Hinault zaten vast knarsetandend voor de buis. 

 

Misschien lag het aan de lucht in Toscane, uitzonderlijk kil en klam voor de tijd van het jaar. Misschien leidt veel winnen tot overmoed of raakt de zuurstoftoevoer naar je hersenen bekneld wanneer je te vaak met een bos bloemen zwaait. In ieder geval was de immer opzichtige ploeggeest van SD-Worx en Jumbo-Visma terug in de fles gekropen.

Ik had er heel wat voor over gehad om te zien en te horen wat er gezegd, gesakkerd en uitgebeeld werd in de respectievelijke ploegwagens. Maar misschien werd er niets gezegd. Misschien was dat net het probleem, dat niemand zei wat er moest gebeuren en renners dan maar in het wilde weg, door het dolle heen en tegen elkaar gingen fietsen. Gierende zenuwen, zintuigen op scherp, verstand op nul, blik op de vod.

 

Zo kwam het dat er niet gestraald, noch gelachen werd, maar dat er hoge en lelijke woorden vielen, en overbodige tranen bovendien. Waarom hij dit en zij dat en hoe haalde hij het in z’n hoofd en wat bezielde haar in vredesnaam? Er volgden halfslachtige excuses en rechtzettingen en de rivalen-voor-één-dag moesten lachend samen op de foto, want de sponsor en de pers en het imago.

Een hoop gedoe dat relatief makkelijk had kunnen worden vermeden, als er iemand in de paars-roze of geel-zwarte auto de tegenwoordigheid van geest had vertoond om te leiden en bij te sturen, om te zeggen: “Strijd er maar om” of “X of Y wint vandaag”. Dan hadden hun renners niet allebei gedacht dat ze mochten winnen en dat de andere hen deemoedig zou helpen. Dan hadden moegestreden renners kunnen blinken, in plaats van bedremmeld of overstuur voor zich uit te staren op dat verblindend mooie plein, de ogen vol existentiële twijfel. Had ik niet moeten zus of zo? Wat als ik daar en toen?

Maar “als” is gratis en voor niks en komt altijd te laat.

maandag 27 februari 2023

In Vlaamse velden

 Tiesj Benoot wint Kuurne-Brussel-Kuurne | De Standaard Mobile

Officieel begint de lente wanneer de zon haar stralen loodrecht op de evenaar laat vallen en de dag en de nacht evenlang duren.

Voor de wielerfan begint de lente sinds jaar en dag op de laatste zaterdag van februari,  wanneer de gezapige stem van José De Cauwer onze huiskamers vult. Of het nu sneeuwt of stenen uit de lucht hagelt, wij verklaren de winter officieus dood, want iemand moet de eerste zijn en doorgaans is het de ongeduldigste.

Grijnzend omarmen wij de vrolijke chaos in en rondom ’t Kuipke, waar renners jaarlijks verdwalen tussen het meanderende volk en zich vertwijfeld een weg banen naar de start, hun wankele lot in handen van dappere stewards die luid “Pas op! Renners!” roepen, in de hoop dat de mensen opzij gaan in plaats van per abuis een coureur omver te lopen. 

 

Het openingsweekend gaf ons alles wat een openingsweekend vermag. Zon en schrale noorderwind, een bloedstollend dominante ploeg, een jeugdig debuut als een donderslag, een uit massief marmer gebeeldhouwde Van Baarle, een machtige solo van de koningin van de vaderlandse koers en een surprisewinnaar waar niemand een cent op had ingezet.

 

Tussen al die langverwachte onverwachtheid reed Mathis Le Berre, een tweeëntwintigjarige Bretoen wiens obscure naam in geen enkel Sporza wielermanagerploeg prijkt en die z’n allereerste WorldTour klassieker reed. Van Bretoenen wordt beweerd dat ze koppig zijn, een cliché dat Le Berre plastisch illustreerde door 185 kilometer lang in de aanval te rijden. Het soort exploot waarvan je denkt dat het elk moment en uitsluitend kan eindigen met een sisser, zoals het lot van de vroege vluchter hoort af te lopen.

Maar ook op de Elverenberg, in het Vossenhol, zat Le Berre nog doodgemoedereerd in het wiel van de winnaar, als een vergeten stukje afplaktape dat hardnekkig aan je kleren blijft plakken. Pas op 17 kilometer van de meet reed Le Berre met z’n stenen kop tegen de ongenadige muur van Geraardsbergen, hard tegen harder. Le Berre strandde op de 23ste plaats in de uitslag. Maar ik vergeet zijn naam nooit meer.

 

Naar één coureur keek ik meer uit dan naar alle andere. Een ferm geblokt broekventje uit de provincie Luxemburg met een liefde voor de boerenstiel. De boerenzonen worden steeds schaarser in het peloton, maar nu en dan duikt er eentje op waar je spontaan van gaat huppelen als een kalf in een lenteweide. Drie weken geleden zag ik Arnaud De Lie bezig in de Ster van Bessèges, waar hij twee etappes won en een paar dagen het klassement leidde. Gezien de steile hellingen in het parcours hadden wij hooguit op een sprintzege durven hopen, maar Arnaud reed fluks omhoog op een veel te groot blad, werd gelost, reed vervolgens eigenhandig een gapend gat dicht en had nog genoeg adem over om Mads Pedersen uit het wiel te sprinten. Ik heb het twee keer teruggespoeld om er zeker  van te zijn dat het echt was gebeurd.

Een gelijkaardig mirakel voltrok zich zaterdag in Geraardsbergen, op de muur die Mathis Le Berre nekte: in een belachelijk grote versnelling, alsof hij op een omafiets zat, stampte en ploeterde De Lie zich een weg omhoog. Dat hij kort voordien een pijnlijke smak tegen het asfalt had gemaakt en er een vette straal bloed van z’n knie loodrecht z’n schoen in droop leek niet te deren. 

Stijl en souplesse zijn overroepen als je prille krachten uit de naden van je lijf barsten.

 

Maar zelfs bovennatuurlijk veel talent bleek niet opgewassen tegen de mokerhamerbrigade die het weekend felgeel kleurde tot het pijn deed aan de ogen. Ik weet niet wat de renners van Jumbo-Visma daar doen, tijdens die hoogtestages bovenop El Teide, maar manillen of kleurenwiezen is het vast en zeker niet. In mijn fantasie woont er op die berg een honderjarige druïde die bij volle maan in een pruttelende koperen ketel vol zeldzame ingrediënten roert en daar vervolgens bidons mee vult.

 

Zo kwam het dat de sprintkoers van Kuurne naar Kuurne geen sprintkoers werd, maar na een ontsnapping van ruim 80 kilometer uitmondde in een rondje loeren, pokeren en wegkletsen tussen 5 niet-sprinters, waaronder een pezige klimmer met een kapotte nek, die sprint als een strijkijzer en daarom zelden wint. En zo kwam het dat het strijkijzer een “sprintkoers” won en dat wij tot onze eigen heerlijke verbazing luid “Tiesj” riepen aan het einde van een bewogen openingsweekend. De koers, ge kunt daar niet aan uit.